Beter af

‘Je hebt al een tijd geen stukje meer geschreven’, zei de zoon. Dat hakte erin.
‘Waarom niet?’, hakte hij vrolijk verder.
Omdat ik niet weet waarover, de onderwerpen zijn te groot: kinderen het huis uit, nieuw leven opbouwen met man E, niet meer naar Groningen willen verhuizen, een zo veel makkelijker leven met moeder A nu ze alleen is, mijn arm die mijn tempo niet kan bijbenen… Op papier zou ik het daar allemaal over kunnen hebben, maar het ontbreekt me aan grip op de gebeurtenissen.
Ik schrijf ook weinig omdat het zo moeilijk is je ergens toe te zetten waarvan je weet dat dat het beste voor je is. Terwijl als je het wel doet… tja dan ben je beter af. ‘Beter af’, dat suist al een paar dagen door mijn hoofd.
Als je in een nieuwe situatie belandt, zoals het hebben van een leeg nest, ga je jezelf vertellen dat je beter af bent: Nou, het is ook wel fijn dat we nu een logeerkamer hebben. Dat het aanrecht niet meer overvol staat. Dat ik minder boodschappen hoef sjouwen, was op te hangen. Dat ik mij kan verheugen op Oogappels terugkijken of een dagje Utrecht met de dochter. Dat de zoon nog vaak komt koffiedrinken.
In plaats van slechter af zijn: wat is het huis stil en saai. Hoezo geen broodtrommels meer vullen? Geen paasdozen meer maken? Heen en weer fietsen van en naar hockeyvoetbalturnenzwemles. Waar zijn die afgelopen twintig jaar ineens gebleven?
Het is maar hoe je naar de situatie kijkt. Welk verhaal je vertelt.
Je omgeving verandert, je past je aan en praat het goed. Zal wel menselijk zijn. Maar ook goedkoop. Eerst met heug en meug naar Groningen willen verhuizen, erachter komen dat niemand mee wil, dat niet begrijpen, dat wel begrijpen om vervolgens te zeggen dat het huisje van moeder A in Frankrijk een prima alternatief is. Al helemaal omdat het huisje ondertussen van jezelf is.
Het is moeilijk te begrijpen vind ik, beter af zijn met iets. Liever is iets beter. Of af.

Het schilderij heet Green emptyness en is van Wassily Kandinsky, heeft verder niks met het stukje te maken, maar ja, er moest toch een plaatje bij.

Niet storen aub

Het nest was nog niet eens een week vol of ik stoorde me alweer. Om te beginnen aan man E. Terwijl ik bezig was met het verven van de muur van mijn nieuwe werkplek  – Stone Blue van Farrrow & Ball, echt verf voor de Volt stemmende elite – wilde hij het hebben over onze financiën, zoals daar zijn de vaste lasten, de inflatie, de pensioenopbouw, de ziektekosten, het maandbedrag, alles keurig netjes in vakjes op Excelsheets gerangschikt. Hij had natuurlijk weer eens gelijk, maar ik had er geen zin in en bovendien, geconcentreerd want geen verf proberen te morsen op de plint van de houten vloer. Voordat hij afdroop maakte hij nog een snedige opmerking over mijn bouwvakkersdecolleté. Iets wat me echt zou moeten storen, maar dat deed het dan weer niet.
Een paar dagen later, voor het eerst schrijvend aan die verse werkplek, stoorde de zoon. Hij had hulp nodig om de broek van zijn pinguïn-pak dat ie afgelopen weekend naar het gala aan had gehad netjes op de naden op te vouwen en ook nog over het knaapje te hangen. De dochter – alhoewel echt blij dat ze terug is hoor – was ook een stoorzender. Ik kon niet echt iets specifieks ontdekken wat me stoorde, maar alleen dat was al genoeg.
Dan was er nog een scala aan gestoor in de marge: moeder A die me niet snel genoeg terugappte en toen ze dat eindelijk wel deed geen enkele emoticon gebruikte – dat doet ze anders nooit – en ik me daar weer over op ging lopen winden. Ik stoorde me ook flink aan de pijn in mijn enkel – paar weken geleden dubbelgeklapt. Aan het spel van Ajax tegen Brighton (Almere City met z’n volgepakte gezellige stadionnetje sla ik gemakshalve even over), met name de labbekakkerigheid van aanvoerder B. Kan die man zo snel mogelijk naar de zandbak en daar zonder last van principes zoveel mogelijk oliedollars bij elkaar harken. En er was nog meer: de hoofddoek van boer Haico van BZV, de klitten in de vacht van hond M, het glansspoel-bijvullen-lampje van de afwasmachine dat al dagen knipperde en niemand die ook maar iets ondernam.
Honderd (!) kinderen die tijdens het eten aanbelden, heel snel en binnensmonds en vals en allemaal hetzelfde lied zongen en dan in de bak met snoep graaiden – een van onze helse buurmeisjes pakte zelfs 2 (!) stukjes chocola.
Alleen tijdens de yin yoga werd ik niet gestoord. Behalve door al mijn gedachtes, die maar niet ophielden, maar de juf zei dat gedachtes verzinnen nu eenmaal de taak van je hoofd is. En dat je daar geen enkele invloed op hebt. Ook wel weer geruststellend. Dus gelukkig raasde het daar alweer over invallen waar je niks aan hebt: als je als ongeboren baby kon kiezen, bij wie zou je dan in de buik willen zitten? Waarom stond er altijd overal niet storen aub en nooit storen aub? Wat zei het eigenlijk over mij dat ik drie weken te laat was geboren? Waarom trokken de onzichtbare navelstrengen tussen mij en de zoon en de dochter soms te hard en soms helemaal niet?
Uiteindelijk stoorde ik me natuurlijk weer het meest aan mezelf. Aan oude patronen waar ik meteen in verviel nu het nest weer vol was, de hele fles wijn die weer eens op moest, met de pepernoten – melk, wit, puur en gewoon – erachteraan, al mijn onhaalbare plannen voor kerst en oud & nieuw, dat ik zou willen dat andere mensen bepaalde dingen maar niet over mij zouden denken…
Geërgerd keek ik naar de memorabilia die ik achter mijn beeldscherm had opgehangen. ’t Is nait aal doage kovvie mit kouke stond er op een kaart.

Coupeuse

In het vliegtuig naar Madrid en vanaf daar de bus naar Salamanca beleefde ik dezelfde reis als de nestverlater. Heel die route had zij ook gedaan, alleen, ik kon het me niet voorstellen. Toen ik er bijna was probeerde ik me niet langer alleen maar te verheugen, maar in het nu te zijn. Het nu van vlak voordat hét komen gaat. Ik telde de kilometers af, ik had er al een dikke 1700 op zitten, maar die laatste 41, die schoten maar niet op. Eindelijk zag ik de torens van La Catedral Vieja of Nueva, daar wil ik vanaf zijn. Dat was dus de stad die al die tijd op haar had gepast.
Toen ze me drie dagen later weer terugbracht naar het busstation voelde de omhelzing net als toen ik aankwam, warm en met tranen. Dus wat was het verschil? Wat was het probleem? Nou, het hele loslaten kon weer van vooraf aan beginnen.
Gelukkig had de nestblijver een verzoek, of ik de bretels van zijn Lederhose die hij die avond tijdens de biercantus aan moest, langer kon maken. Ik dacht dat ik dat wel kon en stopte al mijn aandacht er direct in, om maar niet te hoeven denken aan wat ik van een biercantus vond en wat het eigenlijk was. Op internet stond een uitleg:
‘De biercantus is een leuk en sociaal evenement waarbij de deelnemers zich kunnen uitleven en een leuke tijd hebben met vrienden. Het is ook een goede manier om traditionele studentenliederen te leren (…) Het is echter belangrijk op te merken dat de biercantus gevaarlijk kan zijn als de deelnemers niet verantwoord drinken. Het is belangrijk uw grenzen te kennen en nooit te drinken en te rijden. Het is ook belangrijk de regels van de biercantus te respecteren en andere deelnemers tijdens het evenement niet te storen.’
Terwijl ik met naald en draad aan het prutsen was, vond ik natuurlijk van alles van Oktoberfesten, dirndls en estafette atten. Het verlengen van de bretels mislukte jammerlijk. En toen ik probeerde de Lederhose in oude staat te herstellen, want geleend, ging dat ook mis, want bretels kruislings in plaats van recht weer vastgenaaid. De nestblijver tornde de heleboel weer los en liet me precies zien hoe het dan wel weer vastgemaakt moest worden. Ik hield mij maar vast aan het gedicht van Pablo Neruda dat de nestverlater had gevonden:
Podrán cortar todas las flores,
pero no podrán detener la primavera.
Ook al zouden ze alle bloemen plukken,
de lente zullen ze niet kunnen tegenhouden.

Futuro perfecto

De nestverlater stuurde me een Spaans stukje tekst ter vertaling. Over twintig jaar zal ze kinderpsycholoog zijn en een mooi huis hebben op het platteland met een omheinde tuin waarin haar huisdieren zullen rondrennen. Ze zal Frans en Spaans kunnen spreken en de hele wereld over reizen om die talen te kunnen gebruiken. Ze zal haar familie vaak zien en voor ze koken en ze zal gelukkig zijn. Het ging hier om te laten zien dat ze het gebruik van de futuro beheerst, maar ik zat te peinzen wat als ze écht 38 zou zijn. Zou ze haar werk leuk vinden? Kinderen hebben? En een hondje? Hoe vaak zou ik haar zien? Wat voor band zouden we hebben? Zou ik überhaupt nog leven? Een paar regels tekst en ik ging er in gedachten compleet mee aan de haal.
Ja, dat heb je met schrijfstukjes, één persoon schrijft ze en meerdere personen lezen ze. Een wereld van verschil. De schrijver heeft er wel of geen bedoeling mee en de lezer interpreteert het op eigen wijze.
Over twintig uur zal ik haar weer zien. Ze zal met haar logeerkoffertje bij het busstation staan te wachten. Ze zal me omhelzen en druk beginnen te praten over alles. Ze zal bij me in de Airbnb intrekken. Me haar kamer, haar school, haar supermarkt en lievelingscafeetje, haar Plaza Mayor, tapas- en cocktailbars en het paella restaurant waar ze in haar beste Spaans al een tafel voor ons heeft gereserveerd (mi madre va a visitar el fin de semana, of zoiets, ik beheers de futuro echt niet meer) laten zien. Ze zal, zoals haar naam, stralen, en er zullen ook donkere dingen zijn. En na drie dagen zal ze me op datzelfde busstation weer uitzwaaien.
In gedachten heb ik met haar het hele weekend al beleefd. Voltooid toekomende tijd. Futuro perfecto.

Tekening Luis Mendo

Fernweh

In de laatste aflevering van Oogappels zei een van de opa’s: ‘Het is een mooi woord, heimwee, maar een vreselijk gevoel.’ Dat vond man E mooi en ik had er last van.
Heimwee is een Duits leenwoord en betekent letterlijk het pijnlijke gemis van thuis of wat algemener dat je de geborgenheid en de zekerheid van het bekende mist. Op internet vond ik ook dat Duitsers een woord voor het tegenovergestelde van heimwee hebben: Fernweh, het verlangen naar onbekende situaties. Of een beetje anders uitgelegd, de tegenzin die je kunt hebben als je bijvoorbeeld van vakantie terug naar huis moet. Jammer dat wij zo’n woord niet hebben.
Betekenis, daar gaat het niet om, het gaat over gevoel en zachte zinnen. Die had de nestverlater over heimwee geschreven. Zinnen die gingen over weten dat je ergens niet hoort, en toch blijven gelovenhopendromen dat je vindt wat je zoekt. Vriend J uit de appgroep van de eerste liefdes stuurde het nummer ‘Ik kom weer thuis’ van Isabèl Usher. Best een mooie tekst over Eastpak rugzakken, de FEBO en Johan Cruijff, maar die accent grave op de e in haar naam vond ik eelsk. Eelsk. Te mooi om maar één keer in te typen. De Nederlandse betekenis van eelsk is aanstellerig (K. ter Laan in het Nieuw Groninger Woordenboek), helaas een woord met minder ziel. En een mening die in dit stukje niet thuishoort.
Heimwee, Fernweh, wat heb je eraan? Het is zinloos te verlangen naar mensen en dingen die er niet meer zijn, plekken waar je bent geweest of graag naartoe zou willen. Het gaat alleen om nu. Er is alleen maar nu. Dat zei niet alleen een oma in Oogappels, maar ook de yin-yoga juf (had ik ook graag met een y geschreven, maar wederom ook niet op z’n plek in dit stukje) en zelfs de augurkenkoning van Amsterdam.
Nu? Nu, me reet. Nu wil ik mijn vader bellen, de nestverlater een knuffel geven en een huis in Den Andel op Funda bekijken.