Perspectief – dag 6

Voordat we van dé bezienswaardigheid van het land gingen genieten, moest eerst het lampje nog gefikst. Op een parkeerterrein aan de oceaan wachtten we op de campervan guy. Het was de eerste dag van de banking holiday, zowel de lucht als de zee waren strakblauw. Hordes spierwitte, roodharige mensen spoedden zich op slippers naar het strand. Op de boulevard speelden de straatmuzikanten. Versterkt en unplugged.
De campervan guy drukte ons een 50 eurobiljet in de handen, raadde een ontbijttent aan en reed met alles erop en eraan en vooral erin weg. Man E had het zelfs goed gevonden dat de paspoorten in de auto bleven. Ik bestelde een enorme cappuccino en schraapte het kaneelsuiker laagje eraf. Waarom serveerden ze in dit land toch alle cappuccino’s met dit vervelende laagje? Al gauw kwam ook de stack of pancakes en ik sprak dat heel vaak uit omdat het dan nog lekkerder smaakte. Man E verorberde een soort van hippe vega uitsmijter.
Een uurtje later zagen we onze camper door de straat rijden. Lampje weer uit, niks aan de hand, have a nice trip.
De kliffen waren zoals kliffen horen te zijn: hoog en machtig. We liepen richting het zuiden naar een punt dat Hag’s Head heette. Saaie info, mooie naam.
De camping die we nog hadden kunnen reserveren voor één nacht van het banking holiday weekend was van Kitty en was cosy. Zo heette ie ook. Er was een hond, een zweverige Kitty, er waren pipohuisjes, er waren alleen maar vrouwen met en zonder kinderen, en het mooist was de wc. Die moest je zelf doorspoelen met een emmer water. Je mocht er vuur stoken en ook al was het warm genoeg, ik deed het toch. Elout zat met mij en nog meer vrouwen om het vuur en we aten s’mores.
ZweefKitty tipte ons wildkampeerplekken voor de volgende dag, onze buurmeisjes die op weg waren naar een festival wisten er ook nog een paar, man E installeerde de Park for Night app en toen durfden we het aan. Maar eerst diende er nog gewandeld te worden. De omgeving was kaal, de berg te doen en de temperatuur te hoog.
Man E parkeerde de campervan wild aan het begin van een pier. Het was stil, het was vloed en ik ging zwemmen. Ook locals kwamen op dat idee, een stuk of twintig pubers kwamen aan gesjeesd op fietsen, gevolgd door twintigers en vaders met zonen die allemaal de zee in sprongen. Weg was de stilte, wild bleef het wel. Gelukkig werd het eb en toen was het met het zwemmen snel gedaan. De oesters kwamen boven water, in de verte loeiden koeien en de maan scheen vol op het slik.

Perspectief – dag 4 en 5

We hadden weer een drukke dag voor de boeg, maar dat wisten we nog niet. We verlieten de aangeharkte camping en begonnen aan de beroemdste Ring van het land. Een soort Ring A10 maar dan heel erg smal en met natuur. Ik wilde heel graag naar twee kleine eilandjes die halverwege de Ring voor de kust lagen, waarom weet ik niet precies, maar het moest en het zou. Later bleek dat daar ooit opnames waren geweest voor Lord of the Rings of Star Wars of zo’n soort fantasy serie, maar dat was niet mijn drijfveer. Er bleken ooit monniken geleefd te hebben, maar nu woonden er duizenden Jan-van-genten en papegaaiduikers. De rotsen waren wit van hun schijt. Het mooiste was nog wel de Engelse vertaling van het woord papegaaiduiker: puffin. Een van de rotsen leek precies op een rots die je in zo’n schudsneeuwding wel eens ziet. Mijn broer had daar een paar van. Oh, volgens wiki heet dat een sneeuwbol of een snowglobe. Man E vond het ook mooi, wees mij nog een zeehond aan – het was of ie daar speciaal voor ons twee zwom – en werd toen zeeziek. Hij klapte een paar keer dubbel over de reling, maar zonder resultaat.

De volgende camping, ook al was het nog best ver rijden, maakte de vorige meer dan goed, want zeezicht, privacy en een doucheputje met haren. Maar ook een dochter die haar ID, bankpas en OV kwijt was en op het punt stond om op examenreis te gaan. De schoonzus ging zoeken, man E belde de gemeente, want dochter net geen achttien, ik vroeg een nieuwe bankpas aan. En na hectische uren was het allemaal weer geregeld. Waren we toch nog met een kind op vakantie. Toen we weer thuis waren keek ik even tussen de examenbundels op haar bureau en jawel hoor.
Gelukkig konden we bijkomen op een aangeharkte maar toch knusse camping vlak aan zee. Op de grond geen asfalt of gras of grind, maar boomschors gemaakt van zwart rubber. Er was een afwasmachine en het lag vlakbij dé attractie van het land: metershoge kliffen waar je eerst op de koppen en na vijf minuten gewoon op de grond kon lopen. Dat gingen we de volgende dag graag doen.

Perspectief – dag 3

Het was de eerste keer dat we weer samen op vakantie waren. De laatste keer, zochten we onze herinnering af, was iets meer dan twintig jaar geleden naar een camping in midden-Frankrijk. Waar het de nacht voor mijn verjaardag heftig onweerde, de tent het niet droog hield, baby Emar zich voor het eerst flink roerde in mijn buik en ik een spaghetti-machine van man E cadeau kreeg. Speaking of perspectief. Ik had nu ook iets cadeau gekregen trouwens, 7 cm beenruimte. Als verrassing had ie met zijn flying bluemiles onze vliegtuigstoelen geüpgrade.

We trokken onze wandelschoenen aan en liepen door een van de smalste kloven van het land. Links en rechts ingehaald door elektrische fietsers en jaunting cars, zoals ze paard en wagen daar noemen. Maar dat mocht het natuurschoon niet drukken. Purple mountain was met recht paars te noemen, vanwege een zee aan rododendrons. En nee, dit woord heb ik van mijn leven nog niet eerder gebruikt. Het ene pittoreske meertje met weerspiegelingen van bergen erin volgde vloeide naadloos over in de andere, ruïnes van oude huizen en schuren gaven de boel nog wat extra cachet. Aan de rand van de weg lagen onnoemlijk veel stenen, eentje had precies dezelfde vorm als de steen die op mijn vaders graf staat en dat was fijn. Toen we aan het einde van de kloof pauzeerden met een boterham met kaas met ei met ham met tomaat, zei man E dat het vandaag de geboortedag van mijn broer was en stond ik stil bij 53 jaar, de steen en de bijna teveelheid natuur.
Na de wandeling dronken we thee – nee tuurlijk niet – in The Coffee Pot Café, ik at een scone en kocht een koelkastmagneet, maar voordat dit toch een saai reisverslag gaat worden diende de volgende stresssituatie zich aan: op het dashboard ging een lichtje brandden. Man E belde de campervan guy en als we wilden konden we als we in de buurt waren langskomen bij z’n shop en het laten maken. ‘No worries.’ Wij hadden wel wat beters te doen vond ik. Man E vond het wel een goed idee. Na wat gehakketak besloten we over een paar dagen, als we toch in de buurt waren, de camper te laten nakijken.
We kwamen, in retrospectief, aan op de stomste en ook nog duurste camping van de vakantie. Strakke vakken waarin je moest parkeren, aangeharkte grasveldjes en in het gelid neergelegde kiezelstenen. Een douche met het schoonste afvoerputje ever, waar je dan wel weer extra voor moest betalen en een eigenaar die ons vertelde dat het het komend weekend national banking holiday was en dat alle locals, zeker met dit weer, gingen kamperen. Ons stressniveau nam weer toe.

Perspectief – dag 1 en 2

Voor het plassen had ik mijn telefoon uit m’n kontzak gehaald en op de prullenbak gelegd, zodat ie niet in de wc zou glijden. Het toilet spoelde automatisch door, ik pakte mijn beide rugzakken. Man E stond in een van de lange hallen te wachten. We liepen langs weer een security check, een paar trappen af, nog een gang met heel veel winkels, toen waren we bij de gate. Omdat we met een Cityhopper gingen, moesten we met de bus naar het vliegtuig. Man E checkte in, ik niet. Want, niks om mee in te checken. Paniek. De gate sloot over tien minuten. Trappen op, hallen door, tegen de stroom winkelende mensen in. Met bergschoenen.
De wc was bezet. ‘No’, zei de vrouw die erop zat. Er lag niks. Ik kon het niet geloven en bleef wachten tot ze klaar was. Ze had gelijk.
Bij de security tegenover de wc stonden officiële mannetjes. Of ze een telefoon gevonden hadden? ‘Met een hondje?’, zei een van de twee. Ik was nog nooit zo blij met hond M geweest. De telefoon rinkelde, het was man E, dat ik moest opschieten. De trappen, de hallen, de winkels, de gate, het zweet, de opluchting, de bus, de steward met een verfrissingsdoekje. Ik kwam pas weer op adem toen de daling werd ingezet.

De taxichauffeur reed spook, maar toen ik beter keek bleek iedereen dat te doen.
Op het eerste het beste pubterras tegenover ons hotel, legde man E uit dat Guinness bier vlak onder het schuimlaagje eerst donkerbruin is en dat je het kunt drinken als het zwart is opgetrokken. De witte wijn smaakte mij ondertussen prima. En ja, dat is een Groningse zinsconstructie. Na het eten gingen we nog een wijnbar binnen, ik voornamelijk vanwege het logo: een mannetje dat in de stromende regen een glas wijn dronk onder een paraplu. Je kon er allerlei flessen kopen om mee te nemen of daar op te drinken. Koos je voor dat laatste, dan betaalde je 15 euro kurkgeld, oftewel corkage. Omdat we in Cork waren, vond ik dat leuk.
De volgende ochtend keek ik uit het raam van het hotel en zag aan de overkant een zwerver in een slaapzak onder de overkapping van het Everyman Palace liggen. Wij hadden precies dezelfde nacht op bijna precies dezelfde plek in een viersterrenhotel liggen slapen. Perspectief.
In de supermarkt waar we eten en drinken voor de treinreis naar het ophaalpunt van de campervan haalden, waren de Irish Times, The Irish Independent en de Irish Examiner te koop. Ze leken op drie varianten van de Telegraaf. We stapten in een trein van Irish Rail (Iarnród Éireann) richting Ennis waar net een witte bouwvakkersbus aan kwam rijden. Het bleek de camper. En behalve het stuur, dat aan de verkeerde kant zat, was ie perfect: een wc, twee gaspitten, een koelkast, als je het ruim nam een tweepersoonsbed, veel opbergruimte en zelfs een douche. We reden ermee naar de supermarkt waar we in ons gezamenlijke stramien boodschappen deden, man E het warm eten, ik de rest, samen de alcohol. En toen door naar een camping onderaan de hoogste berg van Ierland die we niet gingen beklimmen en waar ze bloempotten in de vorm van wandelschoenen op de picknicktafels hadden staan. Het gras was er groen en hoog. De vogels floten, de schapen op de heuvelhelling waarop we uitzicht hadden blaatten en wij vielen opgepropt in slaap.