Golden raand

Twee keer in één week stond ik in een Amsterdamse kerk uit volle borst het Gronings volkslied mee te zingen. Eergisteren in Paradiso en de zondag ervoor aan het einde van de Grunneger Dainst in de kerk op het Spui. Daar was ik zoals elk jaar samen met moeder A. Deze keer was het thema Nij begun en ging de preek over de genezing van een verlamde man. Jezus vergaf ’m niet alleen z’n zonden, maar zorgde er wonder boven wonder ook nog voor dat ie weer kon lopen. De dominee las voor: ‘Goa stoan! (…) en goa noar hoes tou. Loat e nou stoan goan en noar hoes tou lopen!’
Groningse grammatica op z’n best. Het mooiste woord dat ik hoorde was aanpittjen, dat het paard (pittje) aanzetten betekent, figuurlijk: aanvuren.
M’n Gronings hart was lekker gesmolten, m’n maag gevuld met kovvie en kouke van – wie anders – Knols Koek en ik had er weer een fijne herinnering met moeder A bij. Tevree snelde ik op de elektrische fiets van man E naar huis.
Afgelopen zondag ging ‘t weer heer. In de rij voor Paradiso bulkten vijftigers met noordelijke wortels om ons heen ‘Psst, psst, Hoornse plas’. En eenmaal binnen stond nog voordat Pé Daalemmer en Rooie Rinus waren begonnen, de hele kerk al op de kop. Spandoeken van de Spar, Groningse vlaggen en dansende mensen op klompen. Vrienden M en Y (geboren in Stad en Noordhörn) die met ons mee waren, hadden op weg van Brabant naar Amsterdam al uitgebreid meegezongen met onder andere Zundagoavend Blues met daarin de geweldige zinnen:
de papieren puut mit poepetonen dai ik van mien moeke
oet de vraizer mitkregen had
was al hailendaal deurwaaikt deur dai röttege regen

Ja, ja, ja! Poepetonen, Waalse bonen.
Het concert begon. ‘Bie d’olle Lopster toren, doar is het leven goud’, schalde het door de speakers, we blèrden Carnaval in t noorden mee, liepen de polonaise in Paradiso en natuurlijk mocht het Grunneger volkslaid niet ontbreken, deze keer niet stemmig uitgevoerd op een orgel, maar op gitaar, een snelle rock-’n-roll versie.
Zo ver zo goed.
Toen werd het lied over de FC ingezet en doken er ineens tientallen boeren in foeilelijke groen-witte shirts op. Wat moest die provincie ineens in mijn stad? In dé poptempel van Nederland de trots van het noorden aanbidden?! Heiligschennis was het.
Thuis moest daar over nagedacht: hoe Gronings was ik, als ik nog dieper in m’n hart van Ajax hield? Wat was belangrijker? De wortels uit je jeugd of je liefde voor een club? Of was het geen keuze en mocht het naast elkaar bestaan? Ik kwam er weer eens niet uit en werd gelukkig afgeleid door whatsapp. Een bericht van onze GroningseBrabantseFranse vrienden M en Y: Volgende keer bie ons!

Aan- en afloop

Zeven weken was ik in training geweest om de 7,5 km lange Run op de Ring van Amsterdam te kunnen volbrengen binnen het uur. Dat was de limiet, had de wedstrijdorganisatie besloten. Zes intervaltrainingen, zeven duurlopen, twee lange wandelingen en twaalf keer fitnessen hadden mij ver gebracht. Er was dik drie kilo van me af en de generale-repetitie-loop ging superslecht, want te warm. Oftewel ik was er klaar voor. Maar spelde voor de zekerheid nog een keer alle e-mails die de organisatie me had gestuurd. Je moest om 8 uur bij de RAI in de pendelbus stappen (moest ik eerst 2,5 km fietsen) die je naar de start in de Watergraafsmeer zou brengen. Dan over de A10 met een lus via de A2 in 7,5 km teruglopen naar de RAI (en dan weer naar huis fietsen). Er zouden veel waterpunten zijn, ook veel muziek en een medaille. M’n Ajax shirt dat witroodwit met m’n startnummer erop gespeld lag te wachten, verheugde zich enorm.
Een dag van tevoren besloot burgemeester F in al haar wijsheid de run te halveren. Met asfalt van 40 graden, nergens schaduw en geluidswallen die alle warmte ook nog eens binnenhielden was dat wellicht een goed idee. Er kwamen nog meer waterpunten en de tijdslimiet gold nog steeds, maar dan voor de helft van de afstand. Ik kon wandelen! En foto’s maken! Misschien wel genieten! Alhoewel mijn Groningse ik ook dacht, kist wel gek wezen, lopen op de snelweg, wat ja hait ja.
Tot zover de aanloop.
Nadat diezelfde F op de startknop had gedrukt, startte ik veel te snel, finishte live op AT5 en na afloop bekeek ik nahijgend op de vangrail samen met vriendin I de foto’s van onszelf bij de hectometerpaaltjes, het maximumsnelheid bord van 100, de afslagen OLVG Oost (speciaal voor moeder A), Overamstel en Rivierenbuurt en de 750 jaar Amsterdam-medaille. Tevergeefs zocht ik naar de extra waterpunten en op de fiets terug naar huis dacht ik aan die ene dj die door z’n microfoon ‘Volgend jaar pakken we de schaal’ had geroepen, hoe bizar het was dat de pendelbussen spookreden en hoe lang in- en uitvoegstroken eigenlijk waren. Thuis kleedde ik me snel om en toog met man E weer naar het asfalt waarop wij nog zo’n 15 kilometer liepen. We zagen 750 bomen en nog meer dixies, Amsterdamse raketjes, schaakborden, mensen op skeelers, bruiden, blazers, festivalgangers die bokje sprongen en tegen de vangrail aan plasten, bingokaarten, een zwaar katholieke F-Sider, een beachvolleybal veld, een kruk met Peter Beense erop en duizenden plakkerige en vrolijke mensen.

Terug in de tijd

Vriendin B vierde even geleden haar verjaardag in Oudeschans. Voor mij was dat het startsein om weer ’ns lekker terug in de tijd te gaan. Als cadeautje schreef ik een stukje over onze jaren van vriendschap. Het stukje was alleen voor haar bedoeld, maar belandde per ongeluk toch bij alle abonnees. De abonnees waaronder ook vriendin B vonden dat hilarisch, ik zie de humor er nu nog niet van in. Maar goed, ik las het stukje toch voor op het feest, ook al wist ze woordelijk wat erin stond.
Er waren veel mensen van decennia terug, er werden allerhande singletjes gedraaid op de pick-up, grappen gemaakt die ik al jaren niet meer had gehoord en nog even flauw waren als toen. Ik besloot niet met jan en alleman te socializen en vooral te praten met mensen waar ik echt zin in had en dus zag ik mezelf een hele tijd zitten aan een tafel met ex R, z’n broer S en ex-schoonvader A. Jammer dat ex-schoonmoeder H er niet bij was. Maar gelukkig was ze er ook weer wel, want het gevoel was hetzelfde als destijds aan de keukentafel in het grote gele huis in Oude Pekela, met een hoop geklier, flauwekul, warmte en gelach. Ik hoefde mijn ogen niet eens dicht te doen, het was echt 1986. Het enige dat ontbrak waren de broodjes met tomaat, ui, curry en mayo die H altijd maakte, nu waren er vegan hapjes. Maar dat was dus hetzelfde. Of is mayo niet vegan, want ei?
Ik dronk één glas wijn die de barman in een vies glas schonk, er zat lippenstift rondom en ik zei er niks van, maar klaagde er wel flink over. Vergelijkbaar met wat The Real Housewives of Beverly Hills en Salt Lake City (Netflix) doen. Sinds vorige week kan ik me daar echt mee meten, want man E heeft promotie gemaakt. Executive Vice President is ie. Zijn initialen zijn EWP, maar de zoon, de dochter en ik noemen hem nu EVP. Zelf boeit ‘m de nieuwe status minder, maar ik had deze blabla graag aan mijn vader willen vertellen. Die er vervolgens ook mee aan het snakken was geslagen. Dat weet ik zeker.
Goed, terug naar het feestje. Toen ik vond dat het was afgelopen, liep ik terug naar de grote parkeerplaats, even buiten het dorp. Het was aardedonker en er was niemand op straat. Ik dacht aan Amsterdam, waar het de hele nacht een soort van licht is, op elk tijdstip mensen zijn en ik terug naar huis altijd op de fiets zit. Nu stapte ik in de auto, deed het grote licht aan, zette Spotify op Yves Berendse, te hard, en reed, ook te hard, over de Oudeschanskerweg en was binnen 5 minuten thuis. Thuis bij familie R in Bellingwolde.

Geef mij maar

Vanaf ons huis fietste ik twintig minuten de ene kant op. In de entree van het Concertgebouw begroette haar knalrode jas me van ver. Ik verheugde me al maanden op dit verjaardagscadeau dat ik van moeder A had gekregen: een pianoconcert van Maria João Pires. Tachtig was ze, een levende legende volgens moeder A. Niemand kon de toetsen zo mooi indrukken als zij, vond ik. ‘Wat heeft die pianiste toch een prachtig touché’, hoorde ik iemand in de wandelgangen rond de grote zaal zeggen. De mensen droegen colberts, jurken en hakken. Waren deftig, wit en vijftig plus. Er waren opvallend veel oude dames in hun eentje. Eentje klaagde over de tocht die vanuit de foyer de zaal inblies. Het mooist van Mozart waren de dialogen tussen de piano en de violen. Ook aan mijn applaus kwam geen einde. In de pauze stonden bladen vol waterjusenwitterodewijn te wachten. Ik nam er twee en bestelde bij een gastheer met een net zwart giletje een cappuccino voor moeder A. Dat deed ze zelf ook – ze was welgemanierd voorgedrongen – met drie speculaasjes erbij. We luisterden nog naar een vrolijke symfonie van Dvořák en toen hees ik moeder A in haar knalrode jas. Ze stapte in lijn 12 en ik op de fiets.

Vanaf ons huis fietste ik 20 minuten de andere kant op. Samen met de Ajax buurvrouw besprak ik alvast de uitslag, of het nou wel of geen goed idee van Farioli was om niet bij z’n bevallende vrouw te zijn en wat het huis van onze buren die gingen verhuizen zou opbrengen. In de rood-witte menigte rond het stadion – jonge mannen, oude mannen, met spijkerbroeken en witte gympen – hoorde ik mijn naam, het was F, een middelbare schoolvriend van de zoon die laatst nog bij ons had gegeten.
Met buikpijn en verwachting liep ik de trap van vak 408 op en pakte het vlaggetje van stoel 5, rij 4. Aan de overkant in de twee lege uitvakken hing een poster: Football without fans is nothing. Nadat de stadionspeaker de namen van onze dapp’re strijders had omgeroepen klonk het Slavenkoor van Verdi en begonnen de vlaggetjes te wapp’ren. Toen de mist van het vuurwerk was opgetrokken, bleek het spel niet om aan te zien. Mijn linkerbuurman hield niet op met klagen en schelden en ik probeerde blij te zijn met de goal van Traoré, iets positiefs te zien in de opbouw van Berghuis en de acties van Godts. De Italianen die stiekem in het vak zaten, konden zich niet inhouden en moesten worden verwijderd. Tegelijk met het eindsignaal stond ik op en kreeg toch kippenvel van ‘het kan dooien, het kan vriezen, we kunnen winnen of verliezen, maar een beet’re club dan deze is er niet.’

Ter ere van het 750-jarige bestaan van de stad, stond in het Parool de shortlist van het beste Amsterdamse lied ooit. Ik twijfelde over Amsterdams Parfum van Jenny Arean – Ook als de winterkou me bijt, en alle nachten donker zijn, dan walm je van geborgenheid – maar koos toch voor Hazes’ volkslied Bloed, zweet en tranen. ‘Ik heb het goed gedaan, maar ook zo fout gedaan.’

Erfgoed

‘Huilende bruiden’ was de prachtige titel van een lijzige documentaire over vervallen herenboerderijen in het Oldambt die ik terugkeek. De voice-over was niet te harden, een zijige stem die deed alsof de boerderijen personen waren. ‘Ik ben een graanpaleis, ik ben een boerenkathedraal.’ Brr. Wat wel mooi was: ‘We worden gebouwd en storten in elkaar.’ Ik krabde voorzichtig aan mijn nieuwe oogleden – herstel, jeuk.
Tot mijn grote genoegen kwamen er twee oud-klasgenoten van de middelbare school in beeld. B was de zesde generatie die op een boerderij, gebouwd in 1824, in Drieborg woonde. Hij zat in een spagaat: slopen mocht niet, want erfgoed, opknappen kon niet, want te duur. Uit wanhoop had ie de gevel van z’n boerderij roze geschilderd. Het zou pas weer wit worden als alles was hersteld.
Klasgenoot W – of zat ie een jaar hoger, ik wist het niet meer – zat bij B aan tafel. Ze hadden het over renovatie, planning, demarkering… ik haakte alweer af. Maar las op de site van Erfvrienden waarvoor W werkte, dat B een nieuwe fundering, hout-, stuc- en metselwerk en nog veel meer zou krijgen. Het laatste shot van de docu was een kwast met witte verf die over de roze gevel streek. Dat leek me hoopvol.
Nog een tijdje bleven mijn gedachten Gronings kleuren. Op de bank in mijn vaders huis waar hij nooit had gewoond en waar ik met diepvrieserwten op de ogen lag, vertelde familie R me dat de plaatselijke drogisterij – daar had ik als kind naast gewoond – na ruim 100 jaar zou sluiten. Drie generaties hadden er gedrogist. Nicht E, ja die van de ingreep, was ook nicht van de drogist en had een oude advertentie in haar praktijk hangen:
Verzekert u tegen griep!
Neem elke dag één tablet Davitamon 10, Halitran capsule,
pure Levertraan, Vitamine C en u kunt er weer tegen.
Vraagt het bij uw drogist in Bellingwolde.
Telefoon 224
Ik kon de neiging om te bellen nog net onderdrukken en klikte maar weer eens op Insta. Daar trof ik een post van ex R, die met z’n band op de middenstip van de Langeleegte in Veendam stond, het stadion waar mijn clubliefde was geboren. Ze hadden daar een videoclip opgenomen, Onderwegens noar Veendam, in december op Spotify, maar hier al een paar regels:
Onze club mout winnen, mor nait te voak
Aans is t net of ik der nait meer bie heur
Het kon mij dan wel ontroeren, het ging mij ook te ver. Ik verfde mijn Groninger gedachten met grote streken over. Met een witroodwitte kwast.