Grobbeln en strovveln

Gisteren was ik met moeder A naar de Grunneger Dainst in d’Olle Lutherse Kerk aan t Spui. Met zo’n 150 Groningers zit je dan midden in Amsterdam te luisteren naar Groningse gebeden, lezingen en een preek waarbij je op de achtergrond het geratel van trams 2 en 12 hoort.
Het geloof in God neem ik, met de nodige moeite, op de koop toe. Ik kom voor de Groningse woorden die ik lang niet of nog nooit heb gehoord. Het thema was Wie goan veur t licht. Ja wie niet, maar goed. Er werd een stuk voorgelezen uit het boek Jesaja: As blinden grobbeln wie bie muren langs (…) wie strovveln op kloarlichten dag. Grobbeln en strovveln. Dat ging ik als ik thuis was in het Nieuw Groninger Woordenboek van K. ter Laan opzoeken. Grobbeln is rondtasten in het donker, strovveln betekent sloffen of struikelen.
Een van de organisatoren van de dienst droeg een gedicht voor waarin het woord kougaang voorkwam, vroeger het stuk van de schuur waar de koeien op een rij stonden met de kop naar de muur en de kont naar de deel, de gang. Achter de koeien liep een mestgoot die elke dag leeggeschept moest worden. De groupe wist oom M zich ter herinneren toen ik ‘m in een app vroeg hoe het precies zat. De kougaang van onze boerderij was niet meer in functie toen ik klein was, maar werd nog wel zo genoemd. Er stonden machines, gereedschap en hier en daar een hok met een kalf erin. Ik vloog bij het horen van dat woord het verleden in, de grote nieuwe schuur in. En zag de damp van de koeien afkomen, hoorde hun gebries, m’n broer rondlopen met toeven gras, oom M met een enorme trekker en opraapwagen achteruit de stal inrijden om de koeien te voeren en m’n vader de melkstal instappen.
Ook tuutjefloiten kwam nog langs. In een mooi lied van Arnold Veeman, een Groninger muzikant die te gast was. K. ter Laan verwijst mij door naar omtuutjen en diedeldaantjen: je tijd verdoen.
Toch een mooi thema, voor het licht gaan, maar dan wel graag tuutjefloitend.

Tête-à-tête

In de fluisterboot die wij ter ere van onze achtentwintigjarige verkering hadden gehuurd, verraste man E mij weer eens met zijn kennis van de Oudhollandse woordenschat. Hij dacht terug aan het publiek dat aan de kant zat tijdens het districtskampioenschap Tête-à-tête waar hij de dag ervoor bij de Bouledozers (ik verzin dit niet) in Hoorn had gespeeld. Volgens hem waren het mensen van verschillend allooi en divers pluimage. Toen we uitgelachen waren, hoorde ik hem ook nog plompverloren zeggen ‘Zijn dat geen lisdodden?’. Refererend aan een soort van gele irissen langs de oever. Man E en flora? Na al die jaren kon hij nog steeds verrassend uit de hoek komen. Thuis zocht ik het op en inderdaad, de oevers van de slootjes rondom Broek in Waterland waren bezaaid met lisdodden.
Een paar dagen ervoor was ik druk met mijn allereerste verkering uit 1984 die drie weken duurde, ook met een E. Over hem heb ik eerder een stukje geschreven, Amandelring:

Hij kwam terug met twee pilsjes in één hand. Ze nam een slok en bleef lachen, ondanks de bittere smaak in haar mond. Hij keek opzij, met ogen vol bravoure, tenminste dat hoopte ze. Zo bleven ze een tijdje staan. Aan de zijkant van de drukke dansvloer. In een paar teugen had hij z’n glas leeg, toen keek hij haar echt heel lang en veelbelovend aan. Ze wilde haar glas wegzetten, maar durfde niet te bewegen. Alles gewoon over je heen laten komen, was het laatste wat ze dacht. Zijn hoofd met het prachtige rode haar kwam dichterbij.

Samen met vriendin M, die vroeger E’s échte grote liefde was, bezocht ik de première, of beter veurstellen, van ‘Peter en Erik’. Een docu over het bijzondere verhaal van een eeneiige tweeling. Hun ongehuwde moeder staat hen na de geboorte in 1967 onder dwang af en de tweelingbroers worden tegen haar wens in gescheiden en geplaatst in twee verschillende adoptiegezinnen. De broers weten niets af van elkaars bestaan, tot hun levens bij toeval na zeventien jaar bij elkaar komen. Centraal staat de grote vraag: Waarom? Waarom zijn ze destijds uit elkaar gehaald? Op 23 en 24 mei wordt de docu uitgezonden op NPO2. Gaat dat zien! Gaat dat zien!
Naast het bizarre verhaal over de scheiding van de tweeling, bleven mij vooral de combinatie van Groningse en Amsterdamse beelden bij. De prachtige boerderij in Middelstum van Peter en de trams die langs de Amsterdamse archieven reden waar de broers een antwoord hoopten te vinden op de grote vraag. Ook opvallend was de thee. In nagenoeg alle scenes dronk de tweeling thee. Bij iedere kop keken vriendin M en ik elkaar lachend aan. Thee. Twee thee. Na afloop kon ik het niet laten een selfie met de eerste E te maken om naar de interrailende dochter te sturen. ‘Cute’, antwoordde ze.

Fernweh

In de laatste aflevering van Oogappels zei een van de opa’s: ‘Het is een mooi woord, heimwee, maar een vreselijk gevoel.’ Dat vond man E mooi en ik had er last van.
Heimwee is een Duits leenwoord en betekent letterlijk het pijnlijke gemis van thuis of wat algemener dat je de geborgenheid en de zekerheid van het bekende mist. Op internet vond ik ook dat Duitsers een woord voor het tegenovergestelde van heimwee hebben: Fernweh, het verlangen naar onbekende situaties. Of een beetje anders uitgelegd, de tegenzin die je kunt hebben als je bijvoorbeeld van vakantie terug naar huis moet. Jammer dat wij zo’n woord niet hebben.
Betekenis, daar gaat het niet om, het gaat over gevoel en zachte zinnen. Die had de nestverlater over heimwee geschreven. Zinnen die gingen over weten dat je ergens niet hoort, en toch blijven gelovenhopendromen dat je vindt wat je zoekt. Vriend J uit de appgroep van de eerste liefdes stuurde het nummer ‘Ik kom weer thuis’ van Isabèl Usher. Best een mooie tekst over Eastpak rugzakken, de FEBO en Johan Cruijff, maar die accent grave op de e in haar naam vond ik eelsk. Eelsk. Te mooi om maar één keer in te typen. De Nederlandse betekenis van eelsk is aanstellerig (K. ter Laan in het Nieuw Groninger Woordenboek), helaas een woord met minder ziel. En een mening die in dit stukje niet thuishoort.
Heimwee, Fernweh, wat heb je eraan? Het is zinloos te verlangen naar mensen en dingen die er niet meer zijn, plekken waar je bent geweest of graag naartoe zou willen. Het gaat alleen om nu. Er is alleen maar nu. Dat zei niet alleen een oma in Oogappels, maar ook de yin-yoga juf (had ik ook graag met een y geschreven, maar wederom ook niet op z’n plek in dit stukje) en zelfs de augurkenkoning van Amsterdam.
Nu? Nu, me reet. Nu wil ik mijn vader bellen, de nestverlater een knuffel geven en een huis in Den Andel op Funda bekijken.

Voage plannen

Brainstorm-document ‘Project050’, fruitbomen, galerie, wandelmogelijkheden, logies… Het duizelt mij. Man E, vriendin B en vriend S zijn al druk aan het fantaseren geweest. Ze hebben alle drie een kleur gekozen om duidelijk te maken welk idee van wie afkomstig is. Alleen die kleur kiezen al… Ik kom niet verder dan Groningen en stilte. Om het duizelen te stoppen, probeer ik bij het begin te beginnen. De kluwen ontrafelen zou man E zeggen.
Als tienerzoon en -dochter het uit huis zijn, wil ik terug naar Groningen. Dat gevoel overviel mij voor het eerst op 9 september 2016. Met een aantal vriendinnen en nichten had ik mijn 48e verjaardag gevierd. Drie kwamen er uit Groningen en reden samen terug naar huis. Ik liep mee om ze uit te zwaaien. Op de achterbank was nog één plek. Ik moest mijn eigen lichaam tegenhouden om niet in te stappen. Mee naar huis moest en zou ik. Maar ja, man, zoon, dochter, het hele Amsterdamse leven.
Begin dit jaar, tijdens het 25-jarige samenzijn uitje van man E en mij, fantaseerden wij over hoe en wat als tienerzoon en -dochter het huis uit zouden zijn. Voor mij was het nog steeds makkelijk: Groningen en stilte. Man E wilde wel Amsterdam uit, maar niet naar Groningen. Te ver en geen petanque.
Deze zomer op de Franse camping kwamen er mysterieuze apps van vriendin B. Ik citeer hier en daar even wat:
… een bijzonder huis in Groningen ergens in de weilanden met een deel dat ik kan verhuren als vakantiehuis. Voedselbosje eromheen, moestuin, hondje, minder werken… en dan kun jij mooi in het vakantiehuis als je in Groningen bent…
En een paar dagen later:
… stel dat onze buurman zou verhuizen, zou je dan belangstelling hebben voor zijn woning? Ik wil het wel voor je verhuren als je er niet bent. Er moet denk ik wel wat onderhoud aan gebeuren…
Als ik zo naar het Franse landschap keek, bomen en gras, leek het mij wel wat. En tot mijn verbazing werd ook man E enthousiast. Excel sheets, verdienmodellen, tweedehuis-hypotheken, ook zijn hart ging sneller kloppen. Er kwam weer een app:
… nieuwsgierig naar jullie eerste ideeën omtrent Groningen en samen iets doen. Tipje van de sluier?…
En ik antwoordde:
… allemaal zo vaag. Wij zijn gewoon gaan fantaseren ook. Omdat wij geld hebben en jullie allemaal creatieve ideeën. En dat we dan samen kunnen combineren. Plat gezegd.
Vaag en plat, ja. Maar genoeg om af te reizen naar het altijd pittoreske vestingdorpje waar vriendin B en vriend S wonen. In een kringetje in het gras – uitzicht op de kerktoren – met hond M en hond S die het wonderwel samen konden vinden, popten de ideeën op: klusschuur, geen snelweg in de buurt, bouwgrond, aardbevingsgebied, veganistisch, grote buitenbbq, privacy, tijdelijke plek voor pas gescheiden mensen, vergadermogelijkheid, zelfvoorzienend… Het begon mij te duizelen. En op weg terug naar het beton van Amsterdam draaide het steeds meer.
Maar toen een jaar geleden de pachtboerderij in Blijham van mijn opa te koop stond, was ik toch ook aan het fantaseren geslagen? Zou dit dan net zoiets zijn? Ik klik Brainstorm-document ‘Project050’ weer open, maar weet nog steeds niet welke kleur ik ga kiezen. Misschien eerst de naam van het project maar eens veranderen in voage plannen.

Kuilgras onder de A10

Ik zie haar nog zo voor me, moeder A in een witte bikini met blauwe bloemen. Op een snikhete dag op een blauwe trekker. En maar heen en weer, met de breedste trekkerbanden die we hadden, met een slakkengang over een bult gras. Oom M bracht telkens weer een nieuwe lading van het land – gedroogd, geschud, geharkt – die aangestampt moest worden. Een paar maanden later, als het kouder werd, het gras niet meer groeide, sneed mijn vader dikke plakken van de bult af om er de koeien mee te voeren. Soms schimmelde het gras, dan had het landbouwplastic er niet strak genoeg omheen gezeten en was er regen naar binnen gesijpeld. Of was het gras juist te warm geworden, lees ik op Wikipedia, ook dan verrot het gras en stinkt het naar boterzuur. Stinken? Die smorende en verstikkende geur? Heerlijk! En het ruikt nog lekkerder als het, terwijl ik hond M uitlaat, ineens mijn neus binnendringt. Onder de A10 nog wel. Mijn Amsterdamse met mijn Groningse thuis vermengd.
Die werelden komen niet vaak samen. Maar afgelopen weekend had ik nog twee keer beet. Met de voorstelling van Marcel Hensema op tv en een interview met hem in de krant. Aangepast citaat: ‘Het publiek in ­Winschoten is niet anders dan dat in Zoetermeer of Harderwijk. En dát is Nederland. Er wordt hier vaak een beetje minnetjes gedaan over de provincie, maar de stad is juist de uitzondering. Amsterdam is een reservaat. Ik ben heel blij dat ik in Amsterdam woon hoor, en ik ben dol op de cultuur hier, maar ik vind bijvoorbeeld de programmering van de stadsschouwburg veel te highbrow. Als ik daar in de zaal zit, herken ik mezelf nauwelijks. (…) Theater gaat niet om dik betaalde ­directeuren of dure decors; het publiek, waar dan ook, wil gewoon mooie verhalen horen.’
En toen speelde Arjen Robben weer mee. In mijn postzegeltuin, precies in de streep zonlicht die tussen de huizen van de overburen doorscheen, lees ik een dag later het wedstrijdverslag: ‘Alleen zijn warmlopen is al genieten. De gretigheid spat ervan af. Robben zien voetballen is een genot. Door zijn manier van spelen. Zijn passie. Hard inspelen, combineren, bal vragen, bewegen, positie kiezen, aanzetten.’ Geen woord over de uitslag.