Vleugeltjes

{Brieven aan mijn vader en oma}

Ha pap, oma,

Toen ze nog geen week weg was, was het voor mij al tijd om mijn heil bij jullie te zoeken. Bovendien, ik was toch in de buurt en moest hond M uitlaten.
Zijspoor: het is maar welk narratief je voor je verhaal gebruikt. Narratief is sowieso een ongrijpbaar iets. Want hoe vertel je een verhaal, vanuit welke invalshoek schrijf je iets op? Zeg je: de ouders namen hun kinderen mee naar de demonstratie om ze te laten zien hoe belangrijk het is dat de overheid met fossiele subsidies stopt. Of: de politie pakte de ouders van de kinderen die bij de demonstratie waren op, omdat ze hun kinderen in gevaar brachten in verband met de waterkanonnen en schakelde Veilig Thuis in. Wie het weet mag het zeggen.
Ondertussen liep ik op de paadjes en rende hond M over de graven. Ik vond dat eigenlijk niet kunnen, maar niemand die het zag. Alhoewel ik me afvraag, pap, oma, of jullie dat wel oké vinden? Ik denk het niet.
Tegenover je, pap, ligt ene J. Ik vraag altijd of ik even op zijn steen mag zitten. En dan zegt J ja. Ik had een heel verhaal voor je klaar over je kleindochter. Gemis, loslaten, maar er kwam niks van. Ik zat alleen maar. Zag het maisveld, de zonnestralen tussen de oude eiken, van die vleugeltjes die uit de bomen naar beneden cirkelen. Ik hoorde insecten zoemen, vogels fladderden. En hond M lag lekker op het mos. Jij zei ook niks. Lag alleen maar.
Op weg naar jou, oma, liep ik om de grote, rode beuk die in het midden staat. Bovenin begon de herfst al te komen. Voor jou had ik geen verhaal, maar ik was nog niet bij je en ik wist: jij let op haar. Op je achterkleindochter. Net zoals je vroeger op mij lette.
Ik lijnde hond M toch maar aan en kriskraste tussen de stenen door jullie leven uit. Op naar Amsterdam, naar man E, naar de zoon en het bureau van de dochter. Maar eerst nog even langs de kaasautomaat. Ik weet niet of je weet wat dat is pap, oma jij zeker niet. Aan de Tweekarspelenweg, jullie wel bekend, is een boerderij met kaasmakerij. In een grote muur met allemaal kleine hokjes liggen achter deurtjes stukken kaas. Je kiest een stuk, tikt het nummer van het hokje in, betaalt en dan gaat het deurtje open. De kaas smaakt heel lekker en is niet duur. Net wat voor jullie.
Het was fijn pap, oma, tot de volgende keer, smok.

Je bent er

{Brieven aan mijn vader}

Ik heb je lang niet geschreven papa, maar daar is niet echt een reden voor. Het is alweer oktober, de maand dat je 82 wordt, dat je zoon er al 22 jaar niet meer is, mijn kanker 13 jaar geleden. Dat de bladeren. Dat de wind, de regen en het donker.
Vorige week was het eindelijk zo ver. Man E en ik gingen bij Danny op bezoek. We zouden er in november 2020 al heen, maar vanwege corona werd het uitgesteld, verschoven en ook nog verzet. Van tevoren had ik de merchandise met de magnolia al op Instagram uitgezocht en voor de zoveelste keer geluisterd naar ‘You’re always there tomorrow’ en ‘Do you think it was easy, saying goodbye’. Die man hoeft zijn mond maar open te doen en ja inderdaad, here we go.
Ik kan je vertellen over zijn paarse pak en zwart glimmende schoenen, de Sinatra-achtige blazers, het gospelkoor, de aanzwellende violen, de superstrakke rock & roll van The Devil’s Son. Maar het ging maar om één ding en dat was jij. Je was er. Je zat naast me op de bank, met je arm om me heen, lachte tijdens het Chinees eten naar je kleinkinderen, liep achter je rollator, vroeg man E hoe dat nou zat met dat witwassen en de bank, je pootte violen, keek liefdevol en hoofdschuddend naar je man ‘Wat e nou weer kocht het’, je melkte de koeien, lag in je kist en liep hand in hand met je zoon door de Zwanestraat. Je was er.
En vanmiddag ben je er weer. Als ik naar de documentaire Cow kijk, anderhalf uur lang een koe bestuderen. Benieuwd hoe jij de film zou vinden. Zondag zal je er ook zijn, dan ga ik met man E naar een concert van Albatros, waarin je man ook zingt. Het is in de Magnuskerk, waar we afscheid van je hebben genomen. Het is de eerste keer sinds. En ik verheug me erop. Dat jij er bent. Dat we nieuwe herinneringen maken.

Stilstaan

{Brieven aan mijn vader}

Je huis is zo goed als verkocht, pap. Waar moet je nu wonen? Ga je mee met je man? Naar een mooie, rustige plek in Westerwolde? Liefst met oeverloos uitzicht over de velden? Of terug naar Zoutkamp waar je wieg stond in het dubbele huis aan de Grachtstraat? De pachtboerderij in Blijham misschien, waar je in je kinderjaren met je broer en drie zussen woonde? Waar je sierduiven hield, naar de boeren- en middenstandersgymnastiekclub ging, piano speelde en je vader hielp met de graanoogst… Of je gaat weer op kamers, of beter gezegd, in de kost want je kreeg er ’s middags een bord warm eten, aan het Hoge der Aa in Stad.
De boerderij in Bellingwolde dan? Daar heb je twee keer gewoond, eerst met je oude gezin en later toen je ouders gingen verhuizen en jij en je broer het bedrijf overnamen, trok je er met je nieuwe gezin in. Het was maar twee huizen verwijderd van het huis wat je kocht voor 26.000 gulden en waar wij zijn geboren.
Terug naar je ex-vrouw kan ook, maar ik denk niet dat dat een goed idee is. Alleen Amsterdam al… Bij mij thuis is dan ook geen optie. Ik mot er nait aan denken, in zoo’n grode stad.
En Noord-Drenthe, is dat wat? Weer in het mooie huis met het rieten dak? Waar je barbecuede op het terras naast de vijver met je kleinkinderen? Nee, te veel werk die tuin denk ik. Misschien wil je wel gewoon in het oude postkantoor blijven. Je hebt dat altijd een prachtig huis gevonden, behalve die trap dan…
Ik maak me druk over waar je nu moet wonen, maar ik vergeet helemaal te vertellen dat je man ’t hoes nait verschoten het. Echt, de prijs is goed, sowieso meer dan 26.000 gulden, en daarmee kan hij weer verder.
Maar ik wil graag nog een tijdje stilstaan. Voordat de dozen komen, het opruimen begint en al je spullen ook door mijn handen gaan. De strippenkaarten die je nog bewaard hebt, ook al heb je nog nooit een GADO-bus van binnen gezien. Het diploma van de Middelbare Landbouwschool, de foto’s die ik je voor het digitale tijdperk gaf van je kleinkinderen, netjes bij elkaar in een envelop. Je roze poloshirt, je bril, je portglazen, je badjas, de bloempotten, het gereedschap dat nog uit de boerderij komt, je sigaretten…  
Misschien moet je gewoon bij je zoon blijven. Daar waar je altijd zult zijn, samen in het land van de baauwten en de boerderijen.

Marathonpoep

{Brieven aan mijn vader}

Ja pap, herfstvakantie is het. Met recht de stomste vakantie van het jaar. Meestal valt de sterfdag van je zoon erin, nu alweer 21 jaar geleden. En ook de eerste officiële kankerdag van mij, 12 jaar geleden. Jouw verjaardag, 81 maar niet heus… Kortom, te veel shit om op te noemen. Eén lichtpuntje gelukkig, Mokum is jarig. Vijf jaar is ze, 35 in mensenjaren. In plaats van een verjaardagstaart, at ze tijdens de ochtendwandeling een flinke hap marathonpoep. Nou ja, altijd nog beter dan zwerverkak.
Weet je nog dat ik je vertelde dat we een hond zouden krijgen? ‘Kist wel nait wies wezen’, zei je, ‘Wat mouten joe wel nait mit n hond in Amsterdam?’
Nou, om te beginnen noemden we haar Mokum. We lieten haar langzaam wennen aan metro’s, trams en treinen. En aan vuurwerk en gehei in de wijk. We lieten haar het Amsterdamse Bos zien, de Oudekerkerplas en de zee. En als we haar meenamen naar jou, naar Winschoten, noemden we haar Sodom. En vlijde ze zich naast je voeten. Aaien en vertroetelen daar was je niet van, maar je wilde best op haar passen, als wij een weekend weg wilden. Je las ook altijd de column die ze in de wijkkrant heeft. Ze is net weer bezig met een nieuwe, ik heb stiekem even gekeken. Hij gaat over trimmen en of het wel of niet belangrijk is, dat je er goed uitziet. Als hond dan hè?
Zometeen loop ik even met haar en je kleindochter naar de dierenwinkel op de hoek. Mag ze iets lekkers uitzoeken. Zul jij wel onzin vinden, maar ik doe het toch maar.

Zenen (zenuwen)

{Brieven aan mijn vader}

Hij ligt in de hangmat, pap, je kleinzoon. Het is vorige week donderdag, kwart over twee in de middag en vanaf drie uur kan zijn telefoon gaan. Hij staat teveel vijven, nu. Ja, inderdaad niet best. Vanmorgen zijn de N-termen bekend geworden. Nee, dat had je vroeger allemaal niet, normeringen en honderdsten achter de komma. In ieder geval, die N-termen zijn in zijn voordeel uitgepakt. Zijn kans op slagen is er 10% groter mee geworden. Hij heeft een Excel-sheet gemaakt waarop op allerlei manieren de kansen op slagen, één herkansing of twee herkansingen staan. Spaans telt niet mee, daar ligt de duim van Slob al op. Hij heeft al zijn examens zelf nagekeken, van mild tot streng en al die mogelijke uitkomsten met de verschillende N-termen ingevoerd en dan komen er allemaal verschillende zakslaag-scenario’s uit. Ik blijf maar denken en ik hoor het jou ook zeggen, stop toch al die moeite gewoon in leren, maar je kleinzoon doet het op zijn eigen manier. En bovendien, hij gaat straks een studie gericht op efficiency doen. Heb ik je dat al verteld? Business Analytics aan de VU. Ik heb het even opgezocht: ‘Je combineert wiskunde, informatica en bedrijfskunde om tot innovatieve oplossingen voor vraagstukken uit het bedrijfsleven te komen.’ Ja inderdaad, je schoonzoon achterna.
De hangmat wiegt heen en weer. Zachtjes of wat harder. Zweetlucht waait mijn neus in. Lichtjes en steeds sterker. De ketting met jouw zegelring eraan ligt op zijn borst. Op en neer gaat ie. Op en neer. Dan stapt hij met een ruk de hangmat uit – ‘Ik hou het niet meer’ – en loopt de trap op naar zijn kamer.
Herinner jij je het nog, pap? Jouw examenuitslag? Rond 1956 denk ik? Ik heb het er nooit met je over gehad. Maar ik neem aan dat je gewoon naar school moest. En dat er in de gang een lijst hing met alle namen erop, en een kruisje bij geslaagd of gezakt. Maar zenen had je vast ook.
Ik doe de woonkamerdeur open, bang dat ik hem niet hoor vloeken of juichen. Kan me zelfs niet meer concentreren op The Real Housewives of New York City. Het is al drie uur geweest. Als je gezakt bent, dan zullen ze je toch eerst bellen? Dus hoe langer het duurt, hoe groter de kans dat… Ook de hond aaien helpt niet meer. Ik ga onderaan de trap staan. Jij zult wel denken, ‘Dou toch rustig. Het komt wel goud met dat jong.’
Hoor ik hem nu ‘Dankjewel meneer’ zeggen? Halverwege de trap hoor ik het toch echt nog een keer: ‘Dankjewel, meneer.’ Hij hangt op, slaakt juichkreten die de mijne net overstemmen. Ik val hem in de armen, ai wat stinkt dat jong, maar ik ruik het niet. Hij is gewoon geslaagd pap, die kleinzoon van je! Na later uit de cijferlijst blijkt, op de efficiëntst mogelijke manier. Nog geen 0,1 te veel. De vlag uit, de tas eraan. Taart met champagne. Tranen met troost.