Genoeg geweest

{Brieven aan mijn vader}

Het is meer dan een maand nu, pap, je bent lang genoeg weggeweest. Het is tijd dat je me weer belt, dat je moeizaam en opgetogen uit de bank opstaat om me te omhelzen als ik langskom. Ja, het is zelfs tijd dat je me het gevoel geeft dat ik, wat dan ook, niet goed doe.
Ik weet het heus wel pap. Ik was er nota bene zelf bij. Ik heb gevoeld dat je langzaam kouder werd, geholpen om je je nieuwe blauwe trui aan te doen. Alle mensen gezien die afscheid van je kwamen nemen, huilend, respectvol, in de war. Eigenhandig de deksel dicht geschroefd. Toegekeken hoe je met kist en al over het terrashek de hal in werd getakeld, de lift in. Het gat gezien waarin je langzaam verdween en er zelf een hand aarde opgegooid. Ik ben nog weer terug geweest om te kijken of het gat wel helemaal dicht was. En in je huis gecheckt of je er misschien toch nog was. Maar je zat zelfs niet in je rookhok.
Het duurt te lang, pap. Het is tijd dat je me even vertelt wat ik met die dode blaadjes van de Japanse es moet doen, zegt wat je van mijn nieuwe jumpsuit vindt, vraagt of ik een kop thee voor in je wil schenken, ja met een beetje suiker ja, dat we toch nog een keer op een cruise gaan samen, Noorwegen hè? Dat je me belt om me te vragen hoe het met de toetsweek van je kleinzoon gaat, dat ik je kan vertellen dat je kleindochter in de hockeyselectie zit en je schoonzoon zo blij is met zijn nieuwe barbecue. Dat je hoofdschuddend luistert naar mijn verhaal over hoe ik samen met mijn vriendin een hondenaandelijn-bord uit het Amsterdamse Bos heb meegenomen. Gewoon dat, pap. Kom op. Zo moeilijk is het toch niet?

Liefde in tijden van afscheid

undefined

{Brieven aan mijn vader}

Ja, pap en nu ben je er niet meer. Niet meer bij mij, maar wel bij Berthold.
Hij zal wel handenwrijvend naast je zitten denk ik. Jullie waren altijd al twee handen op één buik. Berthold was ook degene bij wie jij je kwetsbaar kon opstellen, aan wie je je liefde heel duidelijk liet zien. Je hield zijn hand altijd vast, keek hem aan met zachte ogen…
Dat was bij mij minder. Dat heb je ook wel eens tegen mij gezegd, dat alles vroeger om Berthold draaide en de rest op het tweede plan kwam, ik dus ook. Je zei letterlijk dat ik, toen Berthold zo ziek was, bij oma werd gedumpt. Maar op dat moment had ik me geen betere plek kunnen wensen dan in de warme, onvoorwaardelijke liefde van oma Bab.
Nee pap, dit wordt verder geen zielig verhaal, maar het heeft mij wel tijd gekost, om je liefde voor mij ook te zien en te voelen. Maar als ik heel goed keek en luisterde zag ik het. En hoe ouder ik werd, hoe makkelijker het ging.
Op een van onze cruises naar Noorwegen bijvoorbeeld. Zaten we boven op het dek, negende verdieping, bacardi-cola, witte wijn en voeren we door de machtige fjorden. We kregen het ineens over Berthold en jij pakte direct mijn hand vast.
Toen jij en Max de boerderij hadden verkocht en Berthold er niet meer was, ging het steeds fijner tussen jou en mij. Er was meer ruimte. Altijd stond je klaar met precies de goede sauvignon blanc, alle eten in huis, altijd een schoon, opgemaakt bed. Zorgzaam ja.
En je was er ook altijd als ik je echt nodig had, toen mijn verkering met Robert uitging stond je direct op de stoep van mijn studentenhuis in Groningen. Toen ik ziek was, kon ik daar altijd bij jou en Roelof over uitrazen. Toen Emar werd geboren, kwamen jij en Roelof ook gauw naar Amsterdam. Ik zie nog je gezicht toen ik je vertelde dat we Emar vernoemd hadden naar Berthold…
Zonder blikken of blozen betaalde je de kinderwagen. Terwijl, tja, ik heb een dure smaak, t peerdje het veul stro neudig. Volgens mij was dat een van de weinige keren dat je niet over de prijs hebt onderhandeld. En ook toen Lusan in ons leven kwam, stond je gelijk op de stoep. Wat was je blij voor Elout en mij dat ook zij gezond was. Dat ons al die zorgen die jij had gehad, bespaard waren gebleven.
We hebben samen heel veel leuke dingen gedaan. Toen ik in Groningen studeerde spraken we vaak af bij el Rubio, de homokroeg in de Zwanestraat, zaten we samen aan de bar met Roelof en Berthold en daarna steevast naar eetcafé Soestdijk voor spareribs.
Je was ook zo blij dat Elout en ik samen ons eerste huis in de Lekstraat in Amsterdam hadden gekocht, mede dankzij jou konden we dat financieel voor elkaar krijgen. Het was een prachtig jaren dertig appartement met en-suite kamers. Hoe vaak je dat wel niet gezegd hebt: ‘Zulke mooie koamers kriegen joe nooit weer.
En ook al die mooie avonden achter het huis in De Groeve. Als we gebarbecued hadden, deden we de houtkachel altijd aan en gingen we er in een halve kring omheen zitten, Emar en Lusan nog klein, maar die mochten langer opblijven. En dan samen gewoon een beetje bij het vuur. Eem zitten.
Gelachen hebben we ook veel. Op Gran Canaria een keer bijvoorbeeld, waar we na de verkoop van de boerderij met z’n allen zijn geweest, jij, Roelof, Berthold, Robert en ik. Zaten we daar met z’n allen in een Duitse gaybar en de barkeeper vroeg Robert: ‘Möchtest du nog ein Bier haben?’ ‘Ja gerne’, zei Robert. Hij dacht dat hij het aangeboden kreeg, maar jij moest de rekening betalen. ‘Dúúúr’, zal Berthold toen wel gezegd hebben.
En vorig jaar hebben we nog een nacht doorgezakt op het schip, samen met een Brits homostel, we voeren ergens tussen Corfu en Napels. Ik had mijn jurk en glitterlaarzen aan, jij een overhemd met colbert, zelfs een keer een smoking herinner ik me, en dan gingen we soamen aan de kletter. De mensen op het schip dachten altijd dat we man en vrouw waren, Mr and Mrs Haan. Wat hebben we daar om gelachen.
Pap, je hebt mij geleerd om overal met een open blik naar te kijken. Dat niks te gek is. Ik mocht als enige van mijn vriendinnen de film Turks Fruit zien, prompt kwamen die meiden ook direct bij ons langs om te kijken. En toen ik op stap ging, naar ’t Pleintje in Winschoten, kwam jij daar kijken waar ik elke vrijdag- en zaterdagnacht uithing. Ik schaamde me kapot, maar ik denk dat ik het nu bij Emar en Lusan ook ga doen. Sorry jongens.
In het begin vond ik het vreemd dat jij net als mama ook met iemand van hetzelfde geslacht aan kwam zetten, maar ik zag hoe je door Roelof weer opleefde. Ja pap, alles moet inderdaad gewoon kunnen.
En je hebt me laten zien dat je de heleboel kunt relativeren zoals jij dat had geleerd van Berthold. Mijn mooiste herinnering daaraan is toen ik twintig jaar geleden met Elout kampeerde in Italië. We waren in een dorp verderop uit eten en toen we het restaurant uitkwamen bleek het noodweer te zijn. Het goot het van de regen. Storm, bliksem. Wij gauw terug naar de camping. De tent stond nog rechtop gelukkig, maar alles was kletsnat. In paniek belde ik jou op, je luisterde voor de zoveelste keer naar mijn emotionele geraas en zei alleen maar: ‘Mörgen is alles weer dreuge.’
Ik heb langzaam geleerd steeds meer van je te houden, daarom heb ik het nummer Stone into the River, van Douwe Bob gekozen waar we zo naar gaan luisteren, omdat dat lied alles zegt over liefde die kan groeien. En mij doet hechten aan mijn Groningse wortels.
Papa, met jou is mijn vertrouwde Groningse thuis weg, maar ik heb er gelukkig nog één, een Amsterdams thuis mit ’n golden raand en ik ga hier in Groningen een nieuwe maken. Samen met Roelof, mijn grote broer.
Dag pap, ik hou van je.

Onwrikbaar

Berusten, dat is wat je doet. Dat heb je je hele leven toch ook al gedaan, pap? Waarom zou je nu ineens iets anders doen. Ik kijk naar je op de bank, hoe je ademt of je hoest of zucht. Of je ogen open zijn of waterig of van vermoeidheid dicht.
Ik geloof het niet, van ons vier zou jij het echt niet krijgen. Mama, daar zijn we inmiddels aan gewend, zij heeft het al zo vaak te horen gekregen en van je zoon, mijn broer, hebben we het altijd wel geweten. Oké, dat ik het kreeg, dat was een verrassing. Maar jij? Je bent een boom, een rots, een onwrikbare zekerheid. Nooit een pijntje of een kwaaltje. Tja, je rookt en drinkt, maar jij zou toch echt de enige zijn aan wie dit lot voorbijging. Bij wie dit gewoon niet waar is.
Ik ga naast je zitten, misschien als ik je omhels, ga ik wel het geloven. Jij snift wat en zegt dat je morgen de papieren bij elkaar gaat zoeken. Dat je man en ik dat dan niet hoeven te doen. Dan is dat maar vast geregeld. Een speldenprik besef komt binnen.
Je kunt toe met weinig woorden. Wat je zegt is nuchter, wars van flauwekul. Toen ik je jaren geleden ’s avonds laat vanuit Italië in paniek opbelde omdat onze tent en alle spullen waren natgeregend, zei je: ‘Mörn is alles weer dreuge.’ En viel ik in een klamme slaapzak gerustgesteld in slaap.
Jouw berusting, ik ga proberen me eraan vast te houden.