Hetzelfde

Ha broer,
‘Weet je hè, ik heb het er met veel mensen over, mensen die je nog kent zoals man E en nicht M. En met mensen die er niet meer zijn, zoals oma Barbertje. Ook met mensen die nieuw voor jou zijn, puberzoon, puberdochter, vriendin I… Hele apps schrijf ik vol, uren praat ik erover, ben zelfs bij een haptonoom die me aanraakt om dichter bij mijn gevoel te komen. Zeg dat wel, brrrr. Maar ik ben helemaal vergeten het jou te vertellen, terwijl wij toch hetzelfde zijn.
Nou ja, dat van mama had je vast wel verwacht, je weet toch nog wel dat ze vaker ziek was? Nu dus voor de zoveelste keer, ja sorry hoor, bij haar komt er geen einde aan, ik word er moe van. Moet je daarom lachen? Nou vooruit, het gaat eigenlijk best goed met haar, mensen zeggen dan altijd gezien de omstandigheden, maar dat vind ik een kutuitspraak. Kut ja. Mag niet. Ze leeft bij de dag en doet heel veel leuke dingen met haar vriendin. Ja, nog steeds dezelfde, die ken je nog.
En pap is dus nu ook ziek, toch van het roken helaas. Hij wordt niet meer beter. Eerst was hij daar erg van in de war, maar dat kwam ook omdat de ziekte in zijn hoofd zit. Gelukkig krijgt hij daar nu medicijnen voor en is hij weer zichzelf. Daar ben ik heel blij mee en zijn vriend trouwens ook. Precies die ja, papa is nog altijd samen met hem. Om pap maak ik me zorgen, ik weet niet hoe lang het allemaal nog duurt. Nog een tijdje en dan zijn jullie weer hetzelfde. Dat vind ik een fijn idee. Jij ook hè? Ik zie het aan je.

Berghuizen ’76

Eindelijk, eindelijk was het kerstvakantie en brachten haar ouders haar naar het oude, tochtige maar o zo gezellige huis in Berghuizen. Alles was daar anders dan thuis, spannend ook. Haar oom en tante – de stumperds werden ze in de familie genoemd, maar dat had het nichtje nooit begrepen – deden leuke, nieuwe dingen met haar. Ze waren meester en juf, misschien kwam het daar wel van. Samen met haar tante, die knoepergoed kon handwerken, ging ze een wandkleed maken. Ze knipten vogels uit oranje en bruine vilt, naaiden er oogjes van pailletjes op en maakten de vogels vast op jute. Het nichtje deed alles een beetje scheef, ‘Scheetje beef’ zei haar oom altijd, maar dat gaf niks. Soms stapten ze met z’n drieën de eend in, op weg naar Meppel of Hoogeveen en dan zongen haar oom en tante keihard mee met ‘Een heel gelukkig kerstfeest, voor jou, voor mij, voor iedereen’. Eenmaal in de stad aangekomen, gingen ze bij een cafeetje in de winkelstraat wat drinken en kreeg het nichtje appeltaart met slagroom.
Op de dag dat het nichtje weer naar huis zou gaan, het was 31 december, lag er een pak sneeuw van een meter. Haar ouders vonden het te gevaarlijk om haar op te halen. En zo moest ze met Oud en Nieuw wel in Berghuizen blijven! Midden in de nacht, vlak voor 12 uur, zou haar oom haar wakker maken. Voor deze ene keer mocht ze in hun grote bed in slaap vallen. Ze droomde van kerstbomen, van taarten en van vogels. In haar schemerslaap drongen langzaam geluiden door. Haar oom floot zachtjes, steeds een beetje harder, tot het nichtje wakker werd. Ze sprong uit bed, brrr, de vloer was ijskoud aan haar voeten. Snel trok ze haar grijze wollen sokken aan. Had oma voor haar gebreid, haar oom en tante hadden precies dezelfde, maar dan wat groter. Dat vond ze stiekem nog het leukst van alles.

Onwrikbaar

Berusten, dat is wat je doet. Dat heb je je hele leven toch ook al gedaan, pap? Waarom zou je nu ineens iets anders doen. Ik kijk naar je op de bank, hoe je ademt of je hoest of zucht. Of je ogen open zijn of waterig of van vermoeidheid dicht.
Ik geloof het niet, van ons vier zou jij het echt niet krijgen. Mama, daar zijn we inmiddels aan gewend, zij heeft het al zo vaak te horen gekregen en van je zoon, mijn broer, hebben we het altijd wel geweten. Oké, dat ik het kreeg, dat was een verrassing. Maar jij? Je bent een boom, een rots, een onwrikbare zekerheid. Nooit een pijntje of een kwaaltje. Tja, je rookt en drinkt, maar jij zou toch echt de enige zijn aan wie dit lot voorbijging. Bij wie dit gewoon niet waar is.
Ik ga naast je zitten, misschien als ik je omhels, ga ik wel het geloven. Jij snift wat en zegt dat je morgen de papieren bij elkaar gaat zoeken. Dat je man en ik dat dan niet hoeven te doen. Dan is dat maar vast geregeld. Een speldenprik besef komt binnen.
Je kunt toe met weinig woorden. Wat je zegt is nuchter, wars van flauwekul. Toen ik je jaren geleden ’s avonds laat vanuit Italië in paniek opbelde omdat onze tent en alle spullen waren natgeregend, zei je: ‘Mörn is alles weer dreuge.’ En viel ik in een klamme slaapzak gerustgesteld in slaap.
Jouw berusting, ik ga proberen me eraan vast te houden.

Gemiste kans

Tijdens Pakjesavond was ‘Dit is de leven’ op tv, een documentaire van Romana Vrede over autistische kinderen, waaronder haar eigen zoon. Eén jongen deed niets anders dan met handboeien spelen – hij had er tientallen – een andere had een obsessie voor cijfers en ging met zijn moeder naar de feestwinkel om een hele grote ballon in de vorm van een 1 te kopen, een meisje met een koptelefoon op bleef maar dansen en om ijs vragen…
Hun moeders vertelden dat ze lang het gevoel hadden gehad dat ze tekortschoten, dat hun kind een probleem was, dat het leven ontzettend zwaar was. Er waren jaren overheen gegaan om in te zien dat hun kind gelukkig is, dat ze hun zoon of dochter niet meer vergelijken met anderen. Dat ze zien dat hun kind helemaal zichzelf is, altijd in het nu leeft en uitstraalt dat alles allemaal altijd wel goed komt.
Ik huilde. Omdat ik mijn broer nog altijd mis. Maar meer nog om een gemiste kans. Dat ik toen hij nog leefde niet heb begrepen hoe mooi hij was, wat voor bijzonder mens hij was. Als ik dat toen had kunnen zien, had ik bij mezelf kunnen toelaten dat het oké is, dat hij was wie hij was.
Wie weet, als ik maar genoeg stukjes over hem schrijf, komt hij wel terug. En krijg ik een tweede kans om hem met nieuwe ogen te kunnen zien: een ontwapenend mens.

Wie weet

Mei 1963, een zomerse zondag. Een jaar of twintig is ze nog maar. Hij iets ouder. Ze zijn een middagje op pad, met vrienden naar het Zuidlaardermeer. Een stukje wandelen, daarna gaat hij haar trakteren op een kop koffie bij De Gouden Leeuw.
Zal hij haar ten huwelijk vragen? Hij denkt er wel over. Maar twijfelt of ze bij zijn familie past en of hij wel goed genoeg is voor die van haar. Zullen ze kinderen krijgen? Hij wil graag een zoon, voor later op de boerderij. Maar een dochter, daar zou hij net zoveel van houden.
Een jongen en een meisje, dat heeft zij het liefst, maar eerst samen iets opbouwen. Ze fantaseert over hoe het zal zijn met hem. In een eigen huis waar ze kunnen doen en laten wat ze willen. De kerkdienst misschien eens overslaan. Chinees halen op een doordeweekse dag. Of met het vliegtuig op vakantie naar een warm land.
Hij verwacht dat het fijn is, als hij thuiskomt van het melken en zij er al is. Dat ze de dag samen doorspreken en plannen maken voor als hij weer vrij is.
Wat is hij toch knap, droomt ze, slim ook, ruimdenkend. Ze passen goed bij elkaar. Maar ook weer niet te.
Hij omarmt haar nog iets steviger. ‘Klik’, zegt de camera. Ze is anders dan alle andere vrouwen die hij kent, daar is hij voor gevallen. En ook voor haar humor en directheid. Ook al is het soms een beetje te.
Wie weet zijn ze over vijftig, zestig jaar nog samen. Laten ze hier, precies op deze plek aan het Zuidlaardermeer weer een foto maken. Met alle kinderen en kleinkinderen erbij.
Beter niet te ver vooruitdenken, je weet maar nooit.