Gekster

Kan iemand ook te lang dood zijn? Het overlijden van mijn broer is inmiddels zo lang geleden, dat ik denk dat ik zijn hele bestaan misschien wel heb verzonnen. Maar zijn foto’s staan toch echt boven in de gang op lange planken aan de muur. En een paar weken geleden ben ik toch echt met mijn vader bij zijn graf geweest. De aarde waaronder hij ligt, begint te verzakken. Ik vroeg mijn vader nog of we daar niet wat aan moesten doen, maar hij zei dat ik dat maar moest regelen als hij er naast lag. Daar konden wij allebei om grijnzen.
Maar goed, nu hebben we een gehandicapte ekster in de tuin en daardoor staat mijn broer ineens weer midden in mijn leven. De ekster heeft geen staart, hij vliegt als een kip en wipt wankel, met een afwijking naar links, ik denk omdat zijn rechterpootje in een hele vreemde hoek staat. En zijn zwart-witte veren missen niet alleen alle glans, ze staan ook nog eens wijduit, waardoor de gebrekkige ekster op Oliver Hardy lijkt.
Het evenwicht van mijn broer was ook niet best. Als mijn moeder ’s avonds zijn stallaarzen uittrok, moest hij daar altijd bij zitten – op de drempel van de karnhuisdeur – omdat hij op één been niet kon blijven staan.
Na het ontbijt gooien puberzoon, puberdochter en ik onze broodkruimels de tuin in, in de hoop dat Gekster, zoals we hem hebben genoemd, weer langs komt. Ook mijn broer was altijd te paaien met chocola, een stuk kroepoek of een bord paprijst met bruine suiker en kaneel, dus wie weet.
En ja hoor, daar komt Gekster aan. Puberdochter en ik zetten meteen Netflix-serie Queer Eye, waarin vijf hysterische gays adviseren over mode, kapsels, eten, design en cultuur, op pauze en kijken ademloos toe hoe Gekster steeds driester naar de kruimels kreupelt. Terwijl andere eksters hun snavel volproppen met kruimels en wegvliegen, eet Gekster de broodkorsten op z’n gemak in de tuin op. Gewoon net zo lang tot alles op is en zeker niet bezig met andere vogels die wellicht alles willen afpakken. Broerlief ten voeten uit.
Inmiddels heeft ook hond Mokum lucht gekregen van ons nieuwe huisdier. Maar als Gekster in de tuin rondscharrelt, moet Mokum binnen blijven. Ik ben veel te blij dat ik mijn broer weer terug heb.

Grimmig sprookje

Er was eens meisje dat Winnie heette. Misschien was Verliesie een betere naam geweest, maar achteraf is het altijd makkelijk praten. Het meisje werd geboren in een rijke, vooraanstaande familie, in een statig pand met een dubbele voordeur. Haar vader was zo blij dat hij na vier zonen toch nog een dochter kreeg, dat hij haar reuze verwende. Hij nam haar mee in de automobiel naar de winkelstraat in de grote stad en kocht jurkjes met ruches en stolaatjes van bont voor zijn liefste prinses.
Als eerste meisje van haar familie ging ze naar het gymnasium, daar bleef ze wel een keertje zitten, maar daar deed niemand moeilijk over. Verkering had ze ook af en toe, met echt leuke jongens daar niet van, eentje wilde zich zelfs maar wat graag met haar verloven, maar de prins op het witte paard zat er niet tussen. Tot er een knappe boerenzoon met een dikke bos krullen langskwam, die haar om verkering vroeg. Ze trouwden, ze ging op zijn boerderij in een schilderachtig dorpje wonen en al snel werden er een dochtertje en een zoontje geboren waar Winnie, inmiddels een jonge vrouw, het maar druk mee had.
Jaren ging alles goed, de kinderen zaten netjes op het vwo en de boerderij liep voorspoedig, maar toen kwam de ziekte langs. Een borst eraf en bestraling als toetje. Winnie kwam er weer bovenop en wist meteen: ‘Ja, zo zit het leven dus in elkaar.’
Haar haar werd grijs, de rimpels in haar voorhoofd dieper, de boerderij werd verkocht en samen met de boerenzoon, ondanks zijn inmiddels kale kop nog steeds een knapperd, verhuisde Winnie naar een praktisch appartement met uitzicht op een kaarsrecht kanaal. Er kwam een kleinzoon, drie kleindochters en tja, zoals dat gaat in het echte leven, het kon niet al te lang feest zijn. De ziekte diende zich weer aan. De andere borst eraf, geen toetje deze keer gelukkig. Winnie kwam er weer bovenop. Ze werd nog ouder en nog taaier. En wist nog beter hoe het echte leven in elkaar zat.
Toen bleek dat ze een groot risico liep om de ziekte opnieuw te krijgen, kon ze dat er ook nog wel bij hebben. Diep zuchtend, dat wel. Voor de zekerheid liet ze al haar vrouwelijke organen weghalen en leefde verder. Alsof ze onkruid was, wat niet kon vergaan. Ze verging ook niet. Zelfs niet toen de ziekte tegen alle regels van de logica in, zich toch in haar weggehaalde lichaamsdelen had genesteld. En toen? Niemand die het weet.
Het is nu vooraf en vooraf is het moeilijk praten. Of Winnie nog lang en gelukkig zal leven, wie zal het zeggen? Eén ding is zeker: haar ouders hebben haar precies de juiste naam gegeven.

De koe der koeien

Tijdens het ontbijt praat ik met puberdochter over mijn broer. Dat hij goddomme alweer 18 jaar dood is. Vijf laar langer dan dat zij leeft. Een realiteit die wij allebei niet snappen. Ik vraag of ze koffie wil en terwijl ik de melk opschuim probeer ik me te herinneren of mijn broer ook koffie lustte. Ik weet het niet meer. Bel mijn vader, app mijn moeder, eet een zak Engels drop leeg – behalve de roze en blauw gespikkelde en de zwarte staafjes – en stap in de trein richting Den Haag. Nog een beetje misselijk loop ik het Mauritshuis binnen. Ik wil ‘Het melkmeisje’ zien, dat daar helemaal niet blijkt te hangen. Wel staan er heel veel mensen voor ‘Meisje met de parel’. Ze luisteren naar een gids die vertelt dat het meisje elke dag een andere uitdrukking op haar gezicht heeft. Alsof zij zijn stemming van die dag aanvoelt. Ik kijk nog eens goed, maar kan slechts een halve mond en een oog ontwaren.

‘Het puttertje’, het andere schilderij waarvoor ik kom, hangt er wel. Een onooglijk, donker portretje van een vogel die niet mag vliegen. Teleurgesteld loop ik verder langs bloemstukken, landschappen en zelfportretten van Rembrandt, tot ik met een schok tot stilstand kom voor een muurvullend schilderij waarop een koe staat afgebeeld. ‘De stier’ is de titel en die staat dan ook prominent afgebeeld, maar het is de koe in de bijrol die ik zie. Een koe! Op de sterfdag van mijn broer. Het is niet zomaar een koe, het is de koe der koeien. Tevreden herkauwend ligt ze in het schilderij. Ik hoor het pompende geluid van de melkstellen, die zich vastzuigen aan de uiers, ruik de ammoniakgeur die opstijgt uit de mestkelders. Helemaal rechtsachter in de stal staat mijn broer. In een oude winterjas, een vale spijkerbroek, op groene stevels, met een grijnslach om zijn mond. Hij buigt voorover en brengt zijn hoofd dicht naar een koe die haar kop door het voerhek heeft gestoken. Ik kan net niet horen wat hij fluistert. Dan trekt hij wat sprieten uit de kuilgrasbult, maakt er een toeve van en steekt het in de bek van de koe. Nog een toeve voert hij en nog één en nog één. Hij stopt pas als ik wegkijk van het schilderij.

 

Jarig

Ha broer,
Vandaag zou je jarig zijn geweest. 48 Kaarsjes op een heule grote slagroomtaart. E en ik, misschien hadden we je opgehaald en had je je verjaardag bij ons thuis gevierd. In de grote stad, in ons huis waar je nooit geweest bent, maar altijd zult wonen. Puberzoon en puberdochter hadden voor je gerend en gedraafd met chips en cola, dat weet ik zeker. Want ook al hebben ze je niet gekend, ze weten als geen ander wie je was. Ze lachen met ons als we telkens weer dezelfde anekdotes over je vertellen. Dat je nooit naar bed wilde, ‘Gister al gedaan’. Of dat je steevast eerst cola en dan cassis wilde drinken en als we je dan vroegen: ‘Hoe noemen wij dit gedrag?’ dat je dan grijnzend zei: ‘Dwangmatig!’
Ja, die grijnslach, die mis ik nog het meest. En het ongecompliceerde in het nu zijn. Ik zou er een standbeeld voor willen oprichten, voor mensen die anders zijn en hoeveel je daarvan kunt leren. Ik zou willen dat ik daar veel vaker bij stilstond, maar de dagen overspoelen mij met pubergesodemieter en relatiesores.
Kijk je daar nu zitten broer, onder de slingers, naast de ballonnen. Je hebt een stoer spijkerjack aan, bent geschoren en hebt voor de feestelijke gelegenheid lekkerroek op gedaan. Samen met je neef en nicht blaas je de 48 kaarsjes uit. Papa geeft je je zoveelste puzzel cadeau en mama heeft een nieuwe pet voor je gekocht. Als een kind zo blij pak je je cadeaus uit, neemt af en toe een slok cola en propt je mond vol taart. Ik ga even heel dicht naast je zitten, veeg wat slagroom van je kin en vraag om een knuffel. Vooruit dan maar, zeggen je ogen. Heel even sla je je armen om me heen en ik voel dat het zo moet zijn. Als ik weer eens opgesloten zit in mijn eigen hoofd, in mijn eigen leven, zal ik met een grijns op m’n gezicht aan je denken.
Dikke smok, broer!