Aardappelenvleesengroente

Zaterdagavond is onze gezinsavond. ’s Avonds eten we Chinees, wat we bij Golden City in de Torenstraat in Winschoten halen. Na de babi pangang krijg ik cassis, Bart ook als het zijn thuisweekend is. En een plastic bakje vol chips en rozijntjes die we voor de televisie opeten. Bart geeft de rozijntjes die er een beetje anders uitzien altijd aan mij. Dat is ook wel zo eerlijk, want zijn bakje is het grootst.
  Zondag vind ik ook een fijne dag. Als we ’s ochtends uit de kerk komen, mag ik met mijn handen een tompouce eten – volgens mij is dat het enige gebakje waar je niet dik van wordt – en daarna komt de kip op tafel. Ik krijg een vleugel, die wil ik ook het liefst en een schep zelfgemaakte appelmoes. Het is helemaal feest als Bart niet thuis is en oom Hein dienst heeft op de boerderij. Dan doet papa de la van de spelletjeskast open en mag ik kiezen: Rummikub, MasterMind of Pim Pam Pet. Ik zou het liefst alleen maar Pim Pam Pet spelen, omdat ik heel veel weet, maar ik kies elke keer een ander spel omdat mijn vader op een zondag ‘Alweer Pim Pam Pet?’ heeft gezegd. Van mijn zakgeld heb ik een notitieboekje gekocht, waarin ik precies bijhoud welk spelletje er die zondag aan de beurt is.
  Door de week is alles anders, dan eet ik meestal alleen met papa. Dat kan niet anders, want hij wil om 12 uur aardappelenvleesengroente eten, dat willen alle boeren, en mama is dan aan het lesgeven en kan dus niet koken. Papa pikt mij in de pauze bij het schoolplein op en samen rijden we in de chocoladebruine Chevrolet Nova vierhonderd meter verderop naar ‘De Twee Karspelen’, het enige hotel-café-restaurant van ons dorp. Mama heeft geregeld dat we daar elke dag dat zij voor de klas staat, met de pot van de eigenaar en zijn gezin kunnen mee-eten. Zo zit ik drie of vier keer in de week met mijn vader aan een vierpersoonstafel in een restaurant, al naar gelang mijn moeders lesrooster. Al naar gelang, dat zijn veel te volwassen woorden voor een kind, maar ik vind ze deftig klinken.
  De vrouw van de eigenaar schept iedere keer te veel jus op mijn bord. Maar nog erger is dat ze het toetje, gele vla uit een fles – behalve op vrijdag dan krijgen we Saroma pudding met frambozensmaak – in hetzelfde bord schenkt.
  ‘Of ik misschien een schaaltje mag?’ vraag ik haar als ze de fles vla weer eens boven mijn bord houdt.
  ‘’n Bakje? Dat is alleen voor hotelgasten’, antwoordt ze en giet de vla middenin de plas jus die ik heb laten staan.

Kikkers van fondant

Toen ik in 5-vwo zat, viel Pakjesavond samen met een van de uitgaansavonden van mijn ouders. Ik zat apathisch naar mijn huiswerk te staren, toen mijn moeder haar hoofd om de slaapkamerdeur stak.
  ‘We zijn een beetje laat, maar we gaan nu. Veel plezier Maaike en straks lekker slapen.’ Mijn moeder keek me net te lang aan.
  Ik koekeloerde weer naar mijn wiskundeboek, iets met toevalsvariabelen. Van het woord alleen al werd ik krankzinnig. Maar wiskunde was belangrijk, het zou mijn hele leven van pas komen. En wiskunde, benadrukten mijn ouders en zij konden het weten, was een universele taal, die iedereen altijd en overal verstond. En dus zat het in mijn alfa pretpakket. Kon ik volgend jaar, als ik een universitaire studie ging kiezen – bij voorkeur in de Randstad, drongen mijn ouders aan, dan werd ik wat weerbaarder – nog alle kanten op. Maar voor mij bestond er maar één stad: Groningen. En maar één studie: Nederlands en dan overstappen op Journalistiek. Mocht ik zoveel vragen stellen als ik maar wilde. Daar was niks toevalligs aan. En al helemaal niks variabels.
  Ik raffelde de som af. Morgen zou ik het meneer Roest vragen. Mijn bijlesleraar die in Blijham woonde, in de vreemde bocht vlak voor de Hervormde Kerk en een expert in kansrekening was. Met een klap gooide ik mijn wiskundeboek dicht en liep de woonkamer in. Op de eettafel lagen twee pakjes en een briefje met mijn naam erop.

Lieve Maaike,
Dat had je vast en zeker niet verwacht,
dat de Sint jou, ook al ben je al 16, toch nog cadeautjes bracht.
Eentje voor jezelf en eentje voor de gein,
pak een pen of Peter en ga gewoon gelukkig zijn.
De Sint denkt wel eens dat je bang voor het leven bent,
dat je dingen niet goed durft als je ze niet kent.
Maar je moet zelf je eigen fouten maken,
dat schreeuwen ook de Pieten van de daken.
Je bent een zelfstandige, dappere meid die veel hebben kan
en daar houdt de Sint zielsveel van.
De Sint

Ik maakte eerst het grootste pakje open, het was een groen dagboekje in exact het juiste formaat, met een harde kaft en lijntjes met precies de goede regelafstand. Ik peuterde wat aan het plakband van het tweede cadeautje en voor ik het wist zat ik met een pakje condooms in mijn handen. Beteuterd en blij tegelijk belde ik Peter, die bulderend van het lachen opnam. Hij was net bezig met een gedicht van zijn broer en kon ook de humor van de condooms wel in zien. Dat ik alleen thuis was vond hij gek. Ik wilde het gedicht nog aan hem voor lezen, maar hij zei: ‘Ik zie je morgen weer, Maai-Maai, ze zitten hier op me te wachten. En vergeet de condooms niet mee te nemen.’
  De volgende dag, na school, na wiskundebijles, fietste ik in de schemer van Blijham over de Turfweg naar Peters grote gele huis. Zijn moeder had alle cadeaus van de avond ervoor weer ingepakt, de gedichten erop geplakt, her en der uit hun huis dingen gezocht die ik misschien leuk zou vinden, op de valreep nog wat bij Winkelcentrum De Helling gehaald, mooi papier eromheen gedaan en haar man en twee zoons opgedragen om ook voor mij nog een gedicht te schrijven. Ze gingen de hele Sinterklaasavond opnieuw doen. Met warme chocolademelk en een schaal vol pepernoten, borstplaat en kikkers van fondant.

Goud genog

Het liefst ga ik elke dag even bij oma langs. Samen met opa woont ze een kilometer verderop, ook aan de Hoofdweg, aan de kant met de even huisnummers, net als wij. Het is 38 huizen lopen. Ik mag alleen, maar dan moet ik wel over het voetpad dat aan de overkant van de weg ligt. Oversteken, links-rechts-links. Mijn lagere school, de christelijke, staat ongeveer halverwege, ook aan de even kant. Als ik daarnaar toe loop, hoef ik van papa en mama niet oversteken. Een klein stukje over de zanderige berm, dat zal wel los lopen. Ik spring gewoon verder het zand in, als er grote trekkers met maaimachines of combines langs me over de klinkers denderen. Zelfs als ik nieuwe schoenen heb.
Opa is in de tuin aan het werk. Daar is hij altijd te vinden sinds mijn vader en oom Hein de boerderij van hem hebben overgenomen. Hij helpt nog wel mee op het bedrijf met kalfjes voeren, kippen slachten en schapen scheren, maar z’n tuin is nu z’n werk. Eindeloze bedden met aardbeien waar volgens mama niet tegenaan te eten valt, lange rijen sperziebonen, veel teveel voor de hele winter, liggen er perfect bij. Het gazon is altijd smetteloos. In de herfst blijft hij maar harken. ‘Op kop in de bloaden’, zoals papa dan grappend zegt.
Door het linkerraam van het witte huis zie ik oma zitten. Ze kijkt op van haar breiwerk en legt haar pennen op het voetenbankje. Al zwaaiend loopt ze naar het raam. Ze volgt me net zolang, tot ik veilig ben overgestoken. Links-rechts-links. Hard huppel ik via de zijdeur die nooit op slot is de keuken in. Het ruikt nog naar draadjesvlees, rode kool en zelfgekookte vla. Om 12.00 uur warm eten, dat doen alle boeren, ook als ze niet meer op een boerderij wonen.
‘Kom binnen, kind’, roept oma vanuit de woonkamer.
Ze heeft mijn thee al ingeschonken en op het mozaïeken bijzettafeltje gezet. Naast de blauwe koektrommel die zo moeilijk opengaat. Ze haalt de deksel eraf, het puntje van haar tong piept uit haar mond. De spritsen, pennywafels en zelfs de gewone biscuitjes vechten om mijn aandacht. ‘Neem maar van elk één, Maaike’, zegt oma. Van mama mag dat nooit, ik heb aanleg om dik te worden.
‘Mama moet alweer proefwerken nakijken’, zeg ik en steek eerst het gewone biscuitje in mijn mond. Dan de pennywafel, de sprits bewaar ik voor het laatst. Die is het lekkerst, helemaal als oma achter het harmonium gaat zitten. Ze speelt graag gezangen, psalmen vindt ze ouderwets. De tekst neuriet ze erbij. Als mevrouw Ooi, de vaste organist van onze kerk, ziek is, mag oma invallen. Ze oefent elke dag, want je weet maar nooit of mevrouw Ooi zondag wat onder de leden zal hebben. Om geluid uit het harmonium te krijgen, moet je pompen met beide voeten, zo stuw je er lucht in, en tegelijkertijd druk je met je vingers de toetsen in.
Mijn oma kijkt op de bruine klok met de torentjes die op de schoorsteenmantel staat. ‘Vooruit, nog één lied dan, dan moet je maar weer eens naar huis.’
Ik kan het eerste couplet helemaal meezingen: ‘De Heer is mijn Herder! ‘k Heb al wat mij lust’ en dan denk ik vooral aan de spritsen. ‘Hij zal mij geleiden, naar grazige weiden. ’Dat vind ik ook mooi, voor Bart omdat hij zo van koeien houdt. En de laatste regels ‘Hij voert mij al zachtkens aan waat’ren der rust.’ Dat is het opgeluchte gevoel wat ik heb als ik mijn plas te lang heb opgehouden en dan toch eindelijk naar de wc ga.
Oma klapt de klep van het harmonium dicht en loopt met me mee naar de kapstok in de gang. Ze geeft me mijn houtje touwtje jas, knoopt de sjaal zorgvuldig om mijn hals, pakt mijn hoofd in beide handen en kust me zachtjes op mijn voorhoofd. Ik ruik de eau de cologne achter haar oren.
‘Laaiverd,’ zegt ze,‘du bist goud genog.’

Die Ene

Alle koeien die mijn broer Bart bijzonder vindt, krijgen een naam van hem. Voetbalkoe heeft zwart-witte vlekken in de vorm van een bal. Gekke Geluid, dat is een koe die heel vreemd loeit, als papa met het melkstel haar spenen vacuüm zuigt. En Puzzelstukje is een koe met een tekening van een puzzelstukje op haar vacht. Yoghurt-kleur is er ook nog, omdat ze bijna helemaal wit is.
Ik verzin ook wel eens een naam voor een koe, Pinokkio voor een koe met een lange snoet of Brillie, zij heeft grote witte cirkels om haar ogen. En eentje noem ik Bambi omdat ze zo wankel loopt dat het lijkt alsof ze elk moment kan uitglijden op de gladde roosters boven de mestkelder. Mama zegt dat die namen te moeilijk zijn voor Bart. ‘Hij benoemt wat hij ziet’, zegt ze. Dan zouden mijn koeien Langsnoet, Rondoog en Uitglijder moeten heten, maar dat vind ik stom.
Er lopen een paar koeien rond die naar papa’s smaak teveel gras morsen. Als ze een hap gras in hun bek hebben, gooien ze met zoveel kracht hun kop in de nek dat meer dan de helft van het gras in de mestkelder belandt. Die koeien, het zijner een stuk of vijf van de honderd, krijgen van papa een ijzeren ring in hun neus, zodat ze zichzelf bezeren als ze met gras lopen te klieren. Een prima manier om slecht gedrag af te leren, vindt hij. Een van die koeien noemt Bart Ring in de Neus. De anderen, die ook een neusring hebben, hebben geen naam.
Die Ene, die ben ik nog vergeten. Ik heb geen idee waarom Bart haar zo noemt. Die Andere heb je dan weer niet. Mama kan wel meer zeggen over Bart en te moeilijk, maar dit zijn dingen die ik niet snap. Terwijl ik juist graag zoveel mogelijk wil begrijpen. Op school kan ik dat heel goed. Dat zegt mijn meester ook. Dat ik een gretige leerling ben. Leergierig. Dat is een woord dat niet klopt, want als je veel wilt leren, hoe kun je dan gierig zijn? Dat vindt de meester dan weer precies een opmerking voor mij.
Papa en oom Hein hebben natuurlijk geen namen bedacht voor al hun honderd koeien. Zij herkennen de koeien aan de cijfers op hun bil. Zo kunnen ze ze uit elkaar houden en weten ze precies hoeveel biks ze ze moeten voeren. Of voor welke koe het tijd is om een spuit met spul te krijgen, zodat er weer een kalf komt.
Bart weet niks van cijfers, hij kan het verschil tussen een vijf en een negen niet eens zien, maar als hij na twee weken tehuis het weekend weer thuis komt, ziet hijdirect welke koe nu rechts in plaats van links in de ligboxenstal staat. Of welke koe gekalfd heeft en weer terug in de stal is. Papa en mama vinden dat heel erg knap van hem. Als er iemand langskomt, vertellen ze graag wat hij allemaal kan. ‘Bart kan met z’n knuist een pen vasthouden’, zegt mama terwijl ze met de dirigent van het plattelandsvrouwenkoor door een map met repertoire bladert. ‘Hij kan een zin van drie woorden uitspreken’, vertelt papa aan de veehandelaar en stopt het zwarte geld dat net in zijn hand gemoffeld is, in het donkerrode blikje bovenop de koelkast. Of dat hij op paardrijden zit, daar hebben ze het vaak met de dierenarts over, want zijn zoon rijdt ook bij manege de Dollard in Winschoten. Eén keer toen de dierenarts na een keizersnee binnenkwam voor een kop koffie en het weer over paardrijden ging, zei ik dat Bart twee mensen nodig had om op het paard te kunnen blijven zitten. Maar volgens mama ging het daar niet om.

Lauwersoog

Iedere eerste vrijdag van de maand rijden opa en oma vanuit Bellingwolde naar Lauwersoog om vis te kopen. Dat kun je ook in Winschoten doen, bij de viskraam van Lich, ‘Haring in het land, dokter aan de kant’, maar oma wil alleen schol en kibbeling waarvan ze zeker weet dat het dicht bie hoes is gevangen. Dichtbij huis is dichtbij Zoutkamp. Daar is ze geboren. Aan de Grachtstraat, dat vertelt ze altijd als we langs haar geboortedorp rijden. En ook dat ze twee broers had die garnalenvisser waren, maar ooit in een storm verdronken zijn.
Als mijn broer thuis is uit het tehuis en ik ook vrij ben van school, mogen we mee. Samen zitten we achterin de auto van opa en oma. Hij wil voorin, maar daar wil oma niets van weten.
‘Geen gezeur Bart, jij bent een kind en kinderen horen achterin,’ zegt ze tegen hem voordat ze instapt.
Opa zit al achter het stuur. Oma zet haar handtas op schoot, haalt een rol King tevoorschijn en peutert er twee pepermuntjes uit, die ze aan mij geeft. Bart heeft zijn mond al open en ik leg een pepermunt precies in het midden op zijn tong. Hij begint verwoed te kauwen en vermaalt het snoepje zo snel hij kan tot kleine stukjes. Ik draai me van hem af en kijk door het rechterraam naar buiten. Gestaag glijdt de ruilverkaveling van het Oldambt voorbij. Langzaam smelt de pepermunt in mijn mond.
Na een uur, we zijn Zoutkamp net voorbij en oma heeft verteld van de Grachtstraat en de garnalenvissers, draait ze het autoraampje naar beneden en zuigt gretig de lucht haar neus in.
‘We zijn bijna in Lauwersoog,’ zegt ze. ‘Ik ruik de zee al.’
Opa heeft de auto nog nauwelijks voor de visafslag geparkeerd of ze springt de auto al uit. Rechts naast de ingang staat een plastic hoorn met softijs die nog groter is dan opa. Iemand heeft er met een viltstift ‘Joost was here’ opgekrast. Zo’n groot ijsje, dat is reclame vindt mama, dat doen ze expres zodat je zin krijgt in ijs. Daar moet je niet intrappen.
‘IJs, ijs,’ roept Bart.
‘Jij krijgt straks een dikke ijsco, Bart,’ zegt opa en helpt hem de auto uit. ‘Eerst vis halen.’
Oma staat al in de rij voor de toonbank met een nummertje in haar hand.
’t Is drok. Er zijn nog vijf mensen voor ons.’ Ze probeert in de vitrine kijken, maar er staan te veel mensen voor haar.
‘Jij een portie kibbeling, Maaike?’ vraagt oma.
Ik knik. ‘Mag ik ook van die witte saus?’
‘En Bart zeker patat met een frikandel speciaal?’
Frieten en frikandellen bestellen bij een vishandel, dat mag gewoon van mijn oma.
Bart legt zijn hoofd in zijn nek en buigt hem met een grote klap naar voren. Hij maakt er een grommend geluid bij. De mensen die voor oma staan, kijken verschrikt achterom.
‘Ga jij daar alvast met Bart zitten?’ wijst opa naar een plastic tafeltje vlak bij de deur. Bart beweegt zijn hoofd nog steeds schokkerig voor- en achterover. Ik pak zijn hand vast en loop zo snel hij kan naar het tafeltje. Hij zit nog niet of hij smeert met zijn wijsvinger een klodder mayonaise uit een leeg frietbakje dat niet is weggegooid. Nog net op tijd kan ik met een vergeten servet zijn vinger schoonvegen. Gelukkig houdt hij zijn hoofd stil.
Oma staat inmiddels vooraan zie ik en wijst driftig naar de vitrine. Ze vindt bijna alles goed, mijn oma, maar als het over vis gaat, is ze heel precies. Ik stapel de lege friet- en visbakjes op en loop ermee naar de prullenmand. Als ik weer terugkom, is Bart aan een andere tafel gaan zitten.
‘Ook petat, ook petat,’ zegt hij en wijst naar de frieten van een van de kinderen die verschrikt naar hun moeder kijken.
‘Oh, hij hoort bij jou,’ zegt ze opgelucht, als ik naar Bart gebaar dat hij mee moet komen. Hij blijft zitten, ik blijf  ‘Kom nou’ zeggen. Tot opa eraan komt met een vol dienblad. Dan schuift Bart zijn stoel met een ruk achteruit en gaat weer aan onze tafel zitten.
‘Oma komt zo, ze is nog aan het afrekenen, maar wij gaan vast beginnen, of niet dan Bart,’ zegt opa en zet een bakje friet en een frikandel speciaal voor Bart neer. Hij neemt meteen een grote hap. Ik haal mes en vork uit het witte servetje en snijd een stukje kibbeling af. Voorzichtig doop ik de vis in de saus. Precies genoeg. Opa veegt lachend de ketchup van Barts wangen.
‘Een beetje rustig aan Bart.’
Dat hij zo schrokt, daar kan hij niks aan doen, heeft mama mij een keer verteld. Dat komt omdat zijn hersenen het niet goed doen. Daarom knikt en schudt hij zo hard met zijn hoofd. Daarom loopt hij als een eend die haast heeft. Daarom praat hij in korte woordzinnen. Daarom dit en daarom dat. Altijd alles komt omdat hij er niks aan kan doen.
‘Wat eet jij keurig met mes en vork, Maaike,’ zegt oma. Ze zet een zware plastic tas naast haar stoel. Straks als we weer thuis zijn komt de hele familie bij haar vis eten, oom Hein en tante Lisa, papa en mama en ik. Voor Bart smeert ze dan altijd twee boterhammen met jam. En een dikke laag roomboter.
Opa schuift het bakje kibbeling dat hij voor de helft heeft opgegeten naar oma toe. Ze neemt een grote hap. Bart smeert weer met zijn wijsvinger door de mayonaise, maar opa en oma laten hem geworden.
‘Als Maaike haar vis op heeft, krijgen jullie nog een ijsje,’ zegt oma. Ik stop gauw de laatste stukjes in mijn mond. Bart waggelt al naar de softijsmachine. Oma bestelt één kinderijsje en drie oubliehoortjes. Met een grote grijns pakt Bart het kinderijsje uit oma’s hand. Hij knijpt net niet te hard in het koekje en houdt het ijsje ook nog recht. Verlekkerd kijk ik naar mijn grotemensen-ijsje. Oma wijst naar de toren van kinderhoorntjes naast de softijsmachine.
‘Daar weet hij toch niks van,’ knipoogt ze.