Cobra’s en balaclava’s

Op de Utrechtsebrug kwam ik weer iets tegen wat ik niet begreep, maar waar ik wel wat mee moest. Als ik eerlijk moet zijn, grijp ik deze dagen echt alles aan om mijn aandacht van Ajax af te leiden. Afgelopen zondag zaten man E en ik in het stadion, in de buurt van de cornervlag naast de vandalen. We konden de cobra’s en balaclava’s goed zien, nou ja zien… Al na vijf minuten werden we volledig omhuld door de mist.
Even tussendoor: cobra’s en balaclava’s, dat lijkt wel de titel van een carnavalshit.
Nog even tussendoor: carnavalshit is dan weer een woord dat je op twee manieren kunt uitspreken.
Oké, terug naar het stadion van waaruit we na de tweede lading bommen veel te vroeg weer naar huis fietsten. Ik las en luisterde alles wat er maar over gezegd werd, maar ik schoot er niks mee op. Het verdriet om de teloorgang van m’n club bleef. Tegelijk met het onbegrip waarom ik er maar naartoe blijf gaan. Ik heb weinig vertrouwen in het elftal (op één lichtpuntje te weten Bounida na) heb niks met de aandeelhouders, ben bang voor de criminelen en heb een hekel aan de bestuurders die er alles aan doen om het nog erger te maken dan het al is. En toch en toch en toch. Gevalletje witroodwit bloed kruipt waar het niet gaan kan. Of zo.
Ja, de Utrechtsebrug, daar begon het mee. Daar hing, netjes vastgeklikt aan de reling, een helm met het logo van Thuisbezorgd erop. Had iemand ’m gevonden en een soort van opgeruimd? Maar hoe vergeet of verlies je zoiets groots als een helm? Was de bezorger het helemaal zat om dat ding op te hebben na een lange dag van hot naar her rijden? Had ie op de brug even pauze genomen, zijn helm afgedaan – zijn helm, ja, want ik heb nog nooit een vrouwelijke thuisbezorger gezien – om, ja om wat? Op z’n hoofd te krabben? Zich onderwijl afvragend hoe ie verder met z’n leven moest?
En wie was eigenlijk de eigenaar van de helm? Moest je als je bij Thuisbezorgd werkte ’m zelf aanschaffen of hoorde de helm bij de bedrijfskleding?
Te veel vragen
en de antwoorden
die zijn er niet
Omdat ik er niet uitkwam vroeg ik het maar weer eens aan Chat die met onbevestigde hypotheses kwam. Het was een grap misschien of een statement, of kunst of een protest, urban folklore wellicht.
Niks waar ik wat mee kon. Het kwam allemaal weer eens neer op dezelfde vraag: Wat was dat toch voor hardnekkigs, dat gezoek naar antwoorden die je niet kunt vinden? Lopend met hond M langs de Weespertrekvaart zag ik ineens de tegeltjeswijsheid voor me die boven het kacheltje van ons huisje in Frankrijk hangt: het is wat het is. Of was het toch een andere wijsheid?  

Clubliefde

Gisteren om 14.30 uur zat ik klaar om naar de tv te kijken en naar de radio te luisteren. Ik had niet eens de tijd om me te ergeren aan de anderhalve minuut vertraging die er tussen beeld (achter) en geluid (voor) liep of het was al 0-1. Hoe het verder met de wedstrijd ging, daar gaat het nu even niet over.
Ik las, keek, luisterde alles wat los en vast zat over het hoe en het waarom van deze inktzwarte dag in de historie van de club. Kinderen hadden gehuild, supporters hadden zich onveilig gevoeld in hun eigen stadion. Waarom trok ik mij dit alles zo aan?
Een dag later wist ik het ineens. Nou ja, zo ineens was het ook weer niet, ik had hardgelopen, er was de nodige endorfine vrijgekomen en ik stond lekker onder de douche uit te hijgen en dan zie je de dingen toch vaak helderder.
Het gaat om clubliefde. Ik zal nooit beweren dat ik een Amsterdammer ben, maar een Ajacied ben ik wel. Ik hou van mijn witroodwitte club. En er zijn heel veel andere mensen die ook van mijn club houden. Mannen bijvoorbeeld die willen dat Marc Overmars terugkomt. En mannen die twee sets kleding en vuurwerk meenemen naar het stadion. Dat vuurwerk gooien ze op het veld, waarna ze onder een spandoek gaan zitten en zich omkleden. Niet herkenbaar als dader, maar wel mooi de wedstrijd gesaboteerd. Mannen die met grof geweld, bij gebrek aan supporters van de tegenpartij – en ik geloof niet dat ik dit schrijf – dan maar de hoofdingang van hun club kapot beuken en er rookbommen naar binnen gooien. Mannen die supporters worden genoemd door de media.
Misschien kan de geest van Rinus Michels ons redden? De zoon van JC? Of de vader van Daley Blind? Ik weet het even niet meer en bovendien, hond M wil naar buiten. Ik trek mijn witroodwitte vest aan en loop de deur uit. ‘Ajax!’, roept een van onze buurjongetjes. ‘Ja’, zeg ik, ‘ik ben nog steeds supporter. En jij?’
‘Tuurlijk’, lacht hij. ‘Altijd.’

Vier eerste liefdes

De groepsapp was de lucht nog niet in en de twee mannen die vroeger onze eerste liefdes geweest waren begonnen al te jennen. De een wilde niet te veel gezeur en gedoe, de ander vegetarisch of misschien beter niet uit eten maar naar een parenclub.
Ik ging in de regelstand: restaurant reserveren en zorgen dat ik zelf vervoer had van en naar het oost-groningse provinciestadje waar we alle vier onze jeugd hadden geleefd. Had ik die regelrol een kleine veertig jaar geleden ook al? Of was ik veranderd?
Het geregel werkte wel, want alle eerste liefdes konden leven met de keuze van het restaurant en het bijbehorende menu: voorgerecht ‘Verrassing van de Sjef’, soep ‘Verrassing van de Sjef’, tussengerecht ‘Verrassing van de Sjef’ en als hoofdgerecht ‘Verrassing van de Sjef’. Kaas en dessert, beide geen ‘Verrassing van de Sjef’. Spoiler: kaas hebben we niet gehad, bij het dessert zat onder andere rabarber wat me aan mijn oma Barbertje deed denken.
Ondertussen bleef het druk in de groepsapp: er werd gevraagd om een stukje, kledingadvies en of iemand nog een plaattenspeler wilde (kaartje op het advertentieprikbord bij de plaatselijke Plus). Zelf postte ik foto’s van ons eindexamenreisje naar België, de diploma-uitreiking waar mijn eerste liefde een snor droeg en een groepsportret van de klas van 1986. Nagenoeg de hele rechterkant van de groepsfoto werd niet herkend. De mensen die we nog wel kenden waren maatschappelijk geslaagd: een tandarts, een notaris, een beroepsmilitair, iemand die 26 medewerkers onder zich had… Eentje bleek inmiddels al overleden, aan borstkanker. Ja, dat krijg je.
De avond voor het weerzien ging ik sporten met mijn fitnessclubje en vertelde ik tijdens het heffen van de gewichten over mijn plannen voor het weekend. Mijn medesporters reageerden apart: ‘Nou wat spannend zeg’, ‘Kijk maar uit dat je niet weer verliefd wordt’, ‘Gaan jullie in een hotel logeren?’ Ik begreep de grappen wel, maar miste de clou.
Op de avond zelf was alles heel gewoon. Het ging over de kinderen, variërend van airospace engineering, educación primaria, eindexamenstress, cosplay, groep 7, zwanger, klassenvertegenwoordiger, studentenroeivereniging… Er was iets spiritueels gaande in Boven-Pekel, Pep Guardiola zou van de mannenliefde zijn en moest je nou wel of niet een zitmaaier aanschaffen. Dit bracht ons op de mooiste advertentieslogan uit de oost-groningse geschiedenis: ‘Grasmaaien is m’n hobby, meubels verkopen m’n vak’, van een vader van een oud-klasgenoot. Aan de orde kwam ook nog welke bagage je meeneemt als je op vakantie gaat. Drie weken naar de VS kon prima met alleen handbagage. Juist een extra koffer als back-up met snorkelspullen en shampoo was misschien beter. En de vraag was of de koffers überhaupt wel uitgepakt werden als je op de bestemming was aangekomen. Eentje ging wel open, maar werd niet uitgepakt, zodat je zo snel mogelijk weer naar huis zou kunnen.
Ajax kwam aan bod, over 010 werd gezwegen of althans daar heb ik geen actieve herinnering aan, GIJS Groningen, Donar, de F1. De muziek van de een, het gebrek aan schrijven van de ander, er waren politieke carrières met voorkeurstemmen en lijstduwers, een soort van reisbureau, er waren zorgen, kinderen bij verschillende moeders, een overleden echtgenoot. Het leek verdorie het gewone leven wel.
De kok kwam bij elke gang uitgebreid vertellen wat er op onze borden lag en ook al leek het of we alle vier serieus luisterden, niemand die ook maar een ingrediënt had onthouden. Als vrouwelijke helft van het gezelschap gingen wij uiteraard tegelijk naar het toilet om bij te praten hoe we de avond vonden.
Toen het restaurant verlaten was en alle verhalen op , vroeg mijn eerste liefde of we nu dan naar het hotel gingen.
De volgende ochtend werd ik laat wakker en stonden er 78 berichten in de groepsapp. Toen voelde ik me pas echt weer achttien. Er werd nog uitgebreid aandacht besteed aan ons bezoek aan een vakantiehuisje in Sellingen in 1988. Jammer genoeg waren de herinneringen daarover wazig, het was iets met Amerikaanse soldaten, een andere vriend van vroeger die op de motor was had gezegd: ‘Nou goan de loeken dicht.’ Het verhaal vertelt helaas niet waarom die luiken dicht gingen. Maar ik denk dat het te maken had met het verlies van het Nederlands elftal van Rusland dat weekend (12 juni 1988).
In de groepsapp ging het er flink aan toe: er werden tips over koffiezetapparaten uitgewisseld, iemand zat een sexfilm te kijken, tickets naar Istanbul, Bangkok, Laos en Singapore werden geboekt en er werd advies gevraagd over wel of niet naar de F1 te gaan. Ik appte nog of het wat minder kon met dat gespam, maar nee, het was geen spam, het was intellectuele groepsseks. Dus ging het gewoon door met oude verhuisberichten die bewaard waren, irritatie over de eigen juichgebaartjes van de huidige generatie voetballers en de staking van de vakbond FNV tegen de vakbond FNV.
Het was beter om het allemaal maar wat passief over me heen te laten komen en na te denken over of we nu juist wel of niet waren veranderd in al die jaren. Mensen zeggen dat altijd zo nadrukkelijk: ‘Jij? Nee, niks veranderd.’ Maar weet je na al die tijd nog hoe je zelf was op je 18e, laat staan hoe de anderen in elkaar zaten? En in hoeverre kennen we elkaar nu, nu we zowat veertig jaar later zijn? Hier kwam ik niet uit. Ik kon de luiken maar beter dichtdoen en de deur openlaten.

Onze club

Het was drie keer de heenweg, in een lange optocht ging het, een rood-witte streep van fietsers richting de Johan Cruyff Boulevard. Het was het aan elkaar vastknopen van de fietsen tegen een lantaarnpaal. Het staan tussen boomlange jonge mannen voor de draaihekjes van ingang Zuid. De blikjes Heineken en de sigarettenrook. De altijd vrije dameswc’s. Het gekriebel van de sjaal. De eerste blik op het overdonderende stadion op de trap richting rij 8. De zenuwen om op tijd te zijn, te laat en te lang moeten wachten. Het was de aanvoerder on fire. Nanananana nana nana na na na.
Het waren de gemoedelijke Schotten. Het gejuich na de goals van Álvarez, Berghuis, Kudus en Bergwijn. De spreekkoren van de F-Side. En het antwoord van de fans aan de overkant. Het waren de stewards, de bardames en de Italiaanse en Engelse politie.
Het was de zindering, het doven van de lichten, het gewapper van tienduizenden vlaggetjes en de anthem vlak voor de wedstrijd. Het waren de halve liters en de witte wijn. Het biergooien en het gescheld. Het waren de drie kleine vogeltjes in de rust.
Het waren de ME-bussen, de honden, het vuurwerk en de grimmigheid op de tribune tijdens de wedstrijd tegen Napoli. Het was de vuist in de lucht van de tienerzoon na het doelpunt van Kudus. Het was de collectieve verbijstering over de Napolitaanse doelpuntenregen. De rode kaart voor de aanvoerder. Het striemende fluitgeluid tegen de thuisclub.
Het was het geld van mijn vader, het honende, digitale commentaar uit Groningen, de apps vol spelinzicht van mijn gelijkgestemde buurvrouw en de complimenten van onze voetbalvriend uit Glasgow.
Het was de hoop in het eerste half uur tegen Liverpool. Het lichaam van Brobbey, de reddingen van Pasveer en de onvrede over Blind. Over Taylor. Het was die eikel van een Núñez. Weer. Het waren maar tien minuten. Het was mijn verwarring over de rugnummers en de minuten waarin er gescoord werd. Het gezamenlijk chagrijn. Het tergende tijd rekken en het ‘even voor de stroom aan’.
Het was het negentig minuten lang. En dat drie keer. Het was de terugweg in een vrolijke, verbouwereerde en gelaten optocht, een rood-witte streep van fietsers richting huis. Het waren man E en de tienerdochter thuis wachtend op de bank, de nabeschouwing nog op het scherm. ‘Mam, broer, hoe was het?’
Het is onze club.

Tevergeefs

Nee, ik wil niet dat je te dichtbij komt. Dat je alleen maar zendt, zendt en nog eens zendt en dat ik dat allemaal op moet vangen. Dat alles wat je doet, zegt en vraagt zich op mij richt. Dat je als een zuignap aan me vastplakt. Dat ik stik, terwijl jij alleen maar aardig doet. Ik wil niks vertellen als je toch niet luistert. Iets met je delen als je toch alleen maar over jezelf praat. En als een olifant in mijn porseleinkast ronddendert.
Ik begrijp niet dat je niet luistert als ik zeg dat ik even tijd nodig heb. Of ruimte. Of gewoon even niet wil of kan. Ik snap niet dat je niet voelt wat ik voel. Steken in mijn borst, een klomp in mijn maag, schouders die strak van de spanning staan en een hoofd wat kolkt en bruist en barst.
Ik snap vooral ook niet dat het mij niet lukt het je duidelijk te maken. Of ik je nu probeer te negeren, om de tuin te leiden, mezelf onzichtbaar probeer te maken of juist te overschreeuwen, of ik verdwijn, met gestrekt been tegen je inga… Het lukt me niet.
Ik snap ook niet dat ik na tig keer tevergeefs mijn grenzen aangeven, het gewoon nog een keer probeer. En nog een keer. Terwijl jij alles uit liefde doet en met de beste bedoelingen.