Op de openbare weg mag hij nog niet rijden, hij is pas dertien. Maar hier op het erf en op het land doet hij het wel. Samen met zijn vader koppelt hij de vlakmaker aan de trekker. Vanuit de schuur rijdt hij het land op, zijn ogen glimmen. ‘Niet te dicht langs de kanten, jongen’, roept zijn vader hem nog na.
Binnen is zijn moeder bezig met z’n jongere broer. Ze kleedt hem aan – de pyjamajas uit doen kan hij zelf – en haalt nieuw drinken voor hem. Tevreden gaat de jongste broer weer liggen in het bed dat in de kamer staat en kijkt op z’n tablet.
De grond is vlak genoeg. Hij zet de rode Case trekker in de schuur en loopt de boerderij in. Op het Kabouter Plop dekbed kliert en lacht hij wat met zijn broer. Soms kan hij met hem buitenspelen op de trampoline of zwemmen, maar dat is niet zo vaak. ‘Mijn moeder kan goed met hem praten, maar ik kan hem beter verstaan.’
In zijn eigen kamer speelt hij een videospel waarbij hij boer is en trekkers en machines koopt. Daarmee bewerkt hij het land om geld te verdienen. Van alle spellen die hij heeft, speelt hij dit spel het allermeest. Hij heeft al 8 miljoen verdiend. Natuurlijk wordt hij later boer, net als zijn vader en zijn opa. En zijn broertje gaat dan naar een huis voor kinderen net als hij. Daar kunnen ze wonen, koken, alles doen.
Hij gaat verder met oogsten op de Playstation, de combine scheidt de korrels van het stro. Dat wilde hij wel heel graag, samen met zijn broer een boerderij.
Categorie: Van alles
Stukjes zonder enig verband.
Schouders
Mompelend komen de mensen binnen, maar de dochter kijkt niet om. Ze zit in het midden op de voorste rij, tussen haar man en haar broer en staart naar de kaarsen, de foto, het roze rozenhart op de kist. Haar frêle schouders zijn gestoken in een mosterdgele blouse van satijn. Ze heeft altijd al gevoel voor stijl gehad, net als haar moeder.
Als iedereen zit, valt de stilte in. Dan begint de spreekster te vertellen over de tijd dat de moeder een klein braaf meisje was. Het kastanjebruine halflange haar van de dochter wiegt een beetje heen en weer. Af en toe draait haar hoofd naar links, naar haar man en trekken haar schouders zich lichtjes samen.
‘Ik lijk het hoe te zien, maar het waarom maakt dat de haren mij te berge rijzen’, citeert de spreekster uit een raak gedicht. De rechterschouder van de dochter buigt naar haar broer.
Het verhaal vertelt verder over het geleefde leven van een lieve, zorgzame maar ook angstige vrouw. De dochter draait haar hoofd wat schuin. Het zonlicht schijnt op het diamanten oorringetje, de weerkaatsing aait haar wang. De namen van haar drie kinderen klinken en hoe blij oma met ze was. Alle drie kijken ze even opzij, naar hun moeder. De dochter spant haar schouders nog wat aan.
‘Pak mijn hand en voel het stromen, de liefde die ik bij me draag, ik vraag je…’ klinkt er uit de luidsprekers. Haar schouders zakken een stukje lager, een eindje dieper tot ze haar hoofd laat rusten op de schouder van haar man. Een schouder die voor even het dubbele moet dragen.
Nog een lied, nog een woord en dan is alles gezegd. Voorbij. De mensen schuifelen één voor één langs voor een laatste groet. De dochter staat rechtop en ondergaat de stoet. Met een keel die slikt. Gevouwen handen waar ze hard in knijpt. En ogen die naar binnen kijken. Pas als iedereen is langsgelopen, ontspannen de mosterdgele satijnen schouders zich. Haar zorg als dochter is voltooid.
Eerste citaat uit gedicht ‘ Zandloper’ van Jean Pierre Rawie
Tweede citaat uit ‘Breng me naar het water’, Marco Borsato
Gekster
Kan iemand ook te lang dood zijn? Het overlijden van mijn broer is inmiddels zo lang geleden, dat ik denk dat ik zijn hele bestaan misschien wel heb verzonnen. Maar zijn foto’s staan toch echt boven in de gang op lange planken aan de muur. En een paar weken geleden ben ik toch echt met mijn vader bij zijn graf geweest. De aarde waaronder hij ligt, begint te verzakken. Ik vroeg mijn vader nog of we daar niet wat aan moesten doen, maar hij zei dat ik dat maar moest regelen als hij er naast lag. Daar konden wij allebei om grijnzen.
Maar goed, nu hebben we een gehandicapte ekster in de tuin en daardoor staat mijn broer ineens weer midden in mijn leven. De ekster heeft geen staart, hij vliegt als een kip en wipt wankel, met een afwijking naar links, ik denk omdat zijn rechterpootje in een hele vreemde hoek staat. En zijn zwart-witte veren missen niet alleen alle glans, ze staan ook nog eens wijduit, waardoor de gebrekkige ekster op Oliver Hardy lijkt.
Het evenwicht van mijn broer was ook niet best. Als mijn moeder ’s avonds zijn stallaarzen uittrok, moest hij daar altijd bij zitten – op de drempel van de karnhuisdeur – omdat hij op één been niet kon blijven staan.
Na het ontbijt gooien puberzoon, puberdochter en ik onze broodkruimels de tuin in, in de hoop dat Gekster, zoals we hem hebben genoemd, weer langs komt. Ook mijn broer was altijd te paaien met chocola, een stuk kroepoek of een bord paprijst met bruine suiker en kaneel, dus wie weet.
En ja hoor, daar komt Gekster aan. Puberdochter en ik zetten meteen Netflix-serie Queer Eye, waarin vijf hysterische gays adviseren over mode, kapsels, eten, design en cultuur, op pauze en kijken ademloos toe hoe Gekster steeds driester naar de kruimels kreupelt. Terwijl andere eksters hun snavel volproppen met kruimels en wegvliegen, eet Gekster de broodkorsten op z’n gemak in de tuin op. Gewoon net zo lang tot alles op is en zeker niet bezig met andere vogels die wellicht alles willen afpakken. Broerlief ten voeten uit.
Inmiddels heeft ook hond Mokum lucht gekregen van ons nieuwe huisdier. Maar als Gekster in de tuin rondscharrelt, moet Mokum binnen blijven. Ik ben veel te blij dat ik mijn broer weer terug heb.
Lege koffer
Hij heeft de sleutel nog. Heeft ze nooit teruggevraagd en hij was te gekrenkt om ’m terug te geven. Hoe lang is het geleden dat hij hier is geweest. Bijna anderhalf jaar? Kom ’s middags maar, dan ben ik er niet, stond er in haar app.
Zijn naam staat nog op de voordeur, onder die van haar. Heeft ze niet weggehaald, vindt hij niks voor haar. Door het raam naast de voordeur ziet hij zijn koffer al klaarstaan. Vol butsen en krassen van hun gezamenlijke reizen. Ze wil zeker niet dat ik verder het huis in ga, vult hij in.
Hij draait de sleutel twee keer naar rechts, veegt zijn voeten op de droogloopmat en kijkt discreet de gang in. Alsof hij hier eigenlijk niet mag zijn, een vreemde op bekend terrein of een bekende op vreemd terrein, daar komt hij zo gauw niet uit. De deurklink naar de woonkamer maakt nog hetzelfde krakende piepje, in een van de vierkante tegeltjes boven het aanrecht herkent hij de barst, de fluwelen gordijnen die hij haar gunde zijn net niet helemaal open… Maar er zijn ook dingen veranderd, op de plek boven de bank, waar altijd een uitvergroting hing van hun schaduwen op een palmbomenstrand, hangt nu een zwart-wit portret van twee ineengestrengelde handen.
Er is een ander. Plompverloren had ze het gezegd. En voor hij het wist, zat hij op een flatje aan de andere kant van de stad. Tussen de dozen. Hij dacht dat hij alles had meegenomen, maar in zijn verdriet was hij de berging in de parkeergarage vergeten. In wandrekken van vloer tot plafond had zij daar al hun reisspullen opgeborgen. Altijd maar onderweg, daar willen zijn waar je niet bent, het was meer haar ding geweest dan het zijne. Maar nu moet hij echt op reis. Hij is uitgenodigd om naar Blackpool te komen, om zijn nieuwste trucs te promoten op een groot goochelaarscongres. Hij vindt het nog steeds moeilijk te geloven, dat dat zijn werk is, goocheltrucs verzinnen. Alhoewel hij zich altijd thuis heeft gevoeld in de wereld van de magie.
Hij hangt de foto ietsje scheef en laat de deurklink nog één keer piep-kraken. Dan tilt hij de koffer op. Deur op slot. Sleutel door de bus. De hoek om. De koffer bungelt in zijn hand. Even geen bagage.
Met de wijzers in de weer
Dat hij in zijn laatste dagen zit, dat idee heeft hij. Op zijn vaste bankje in het park, met uitzicht op ontluikend geel-paars-wit, haalt de oude man een leren etui en een doosje lucifers uit zijn binnenzak. Mijn vaste dagelijkse pretje, denkt hij bij zichzelf en trekt aan de sigaar totdat de punt flink gloeit. Wie weet heeft hij van alles onder de leden, wie weet ook niet. Maar nu, hier, in de eerste zonnestralen van het jaar die z’n oude botten opwarmen, is alles goed. Langzaam blaast hij een wolk rook uit. Zijn hond, die hij Focus heeft genoemd om hem eraan te herinneren wat belangrijk is, ligt een eindje verderop aan een tak te kluiven. Zodra hij de tabak ruikt, komt hij aangekwispeld en vlijt zich tussen de twee voeten van de oude baas. Een van z’n lange oren valt over de veters.
De dagen worden langer, mijmert de oude man, dat gedoe met de klok komt er weer aan. Misschien is het wel de laatste keer dat ik met de wijzers in de weer moet.
Vroeger, toen was hij daar niet mee bezig, met de tijd. Al die dagen die hij beleefd heeft, verslonden, verspild en verdrongen, ze zijn allemaal oud. Ineens komt er een Groningse uitdrukking bij hem boven: ’n Olle van doagen. Ja, dat ben ik, herhaalt hij naar niemand in het bijzonder, ik bin ’n olle van doagen.
De hond staat op, omdat hij een bal in het vizier heeft gekregen. Hij zet een paar stappen, maar bedenkt zich en gaat weer bij de baas liggen.
De oude man blaast nog eens diep uit. Traag waait de wolk een kale trompetboom in en lost op tussen de takken. Oud, ja dat is hij zeker, maar der dagen zat? Nee, dat is hij alleszins niet. Laat ze maar komen die dagen, glimlacht hij, pretjes heeft hij nog genoeg.