Ze zal vast ergens zijn, het meisje, het dappere meisje met de blauwe pretoogjes. Het meisje dat van knutselen houdt, van honden, van melig doen met vriendinnen en van rustig aan. Heeft ze zichzelf verstopt in een zee van knuffels? Is ze meegevoerd door een allesverslindende draak? Is ze, licht als ze is, opgelost in een mist die met één veeg de horizon kan uitgummen?
De ratio doet z’n uiterste best haar op te sporen. En komt aan met strakke schema’s, strenge regels. Vanuit haar schuilplaats bestudeert het meisje het dikke draaiboek. Er staan best logische dingen in vindt ze, maar ze is te koppig om zich eraan te houden.
Ook de liefde blijft zoeken. Ook al zijn de plekken verkeerd, de momenten misplaatst en de manier waarop overhaast. De liefde is bang dat ze het meisje kwijtraakt. Bang voor de draak, voor de mist, ja misschien vreest de liefde zelfs de liefde.
Niemand, ook haar familie niet, kan haar écht vinden. Wanhopig schuimen al haar dierbaren de verstopplekken af. Ze geven alles wat ze hebben, maar het meisje geeft geen sjoege. Af en toe en echt maar voor heel even, denken ze een glimp van haar op te vangen. Maar ze hoeven maar iets te lang, iets te veel, iets te hard… of het meisje vlindert vrijwel onzichtbaar haar geheime fort weer in.
Toch fluistert het allerbinnenste binnen van het meisje dat ze gevonden wil worden. Maar hoe dan? Hoe dan? Hoe? Als de mensen die van haar houden haar durven loslaten? Als haar zelfgebouwde fort afbrokkelt? Of moet ze eerst zichzelf ontdekken? Erachter komen dat ze prachtige pretogen heeft. Dat haar vriendinnen gek op haar zijn, omdat ze zulke flauwe grappen maakt. Haar ouders van haar houden, enkel en alleen omdat er van haar maar één is. Dat ze van top tot teen echt helemaal oké is.
Als ze de liefde maar zou durven toelaten, zou ze zichzelf kunnen laten zien aan iedereen die er oog voor zou hebben.
Categorie: Van alles
Stukjes zonder enig verband.
Grimmig sprookje
Er was eens meisje dat Winnie heette. Misschien was Verliesie een betere naam geweest, maar achteraf is het altijd makkelijk praten. Het meisje werd geboren in een rijke, vooraanstaande familie, in een statig pand met een dubbele voordeur. Haar vader was zo blij dat hij na vier zonen toch nog een dochter kreeg, dat hij haar reuze verwende. Hij nam haar mee in de automobiel naar de winkelstraat in de grote stad en kocht jurkjes met ruches en stolaatjes van bont voor zijn liefste prinses.
Als eerste meisje van haar familie ging ze naar het gymnasium, daar bleef ze wel een keertje zitten, maar daar deed niemand moeilijk over. Verkering had ze ook af en toe, met echt leuke jongens daar niet van, eentje wilde zich zelfs maar wat graag met haar verloven, maar de prins op het witte paard zat er niet tussen. Tot er een knappe boerenzoon met een dikke bos krullen langskwam, die haar om verkering vroeg. Ze trouwden, ze ging op zijn boerderij in een schilderachtig dorpje wonen en al snel werden er een dochtertje en een zoontje geboren waar Winnie, inmiddels een jonge vrouw, het maar druk mee had.
Jaren ging alles goed, de kinderen zaten netjes op het vwo en de boerderij liep voorspoedig, maar toen kwam de ziekte langs. Een borst eraf en bestraling als toetje. Winnie kwam er weer bovenop en wist meteen: ‘Ja, zo zit het leven dus in elkaar.’
Haar haar werd grijs, de rimpels in haar voorhoofd dieper, de boerderij werd verkocht en samen met de boerenzoon, ondanks zijn inmiddels kale kop nog steeds een knapperd, verhuisde Winnie naar een praktisch appartement met uitzicht op een kaarsrecht kanaal. Er kwam een kleinzoon, drie kleindochters en tja, zoals dat gaat in het echte leven, het kon niet al te lang feest zijn. De ziekte diende zich weer aan. De andere borst eraf, geen toetje deze keer gelukkig. Winnie kwam er weer bovenop. Ze werd nog ouder en nog taaier. En wist nog beter hoe het echte leven in elkaar zat.
Toen bleek dat ze een groot risico liep om de ziekte opnieuw te krijgen, kon ze dat er ook nog wel bij hebben. Diep zuchtend, dat wel. Voor de zekerheid liet ze al haar vrouwelijke organen weghalen en leefde verder. Alsof ze onkruid was, wat niet kon vergaan. Ze verging ook niet. Zelfs niet toen de ziekte tegen alle regels van de logica in, zich toch in haar weggehaalde lichaamsdelen had genesteld. En toen? Niemand die het weet.
Het is nu vooraf en vooraf is het moeilijk praten. Of Winnie nog lang en gelukkig zal leven, wie zal het zeggen? Eén ding is zeker: haar ouders hebben haar precies de juiste naam gegeven.
Amandelring
Ze had die avond langer voor de spiegel gestaan dan anders. Het haar met groene zeep omhoog. Een blauw oogpotlood, wat eyeliner, of zou hij daar niet van houden? En welk t-shirt zou ze aan doen? Van Doe Maar? Of toch gewoon een zwarte? Als hij dat maar niet te alternatief vond. Ze was al een tijdje heimelijk verliefd op hem, nou ja, haar vriendinnen wisten het natuurlijk wel. En het was uit tussen hem en Susan. Ze wist heus wel dat zij zijn grote liefde was, maar toch. Toen ze rond half elf de trap van het café op liep om op de eerste verdieping naar de dansvloer te gaan, was hij er al. Haar vriendinnen stootten haar aan, kijk daar. Ze kreeg een hoofd als een boei. Vlakbij de bar stond hij, met z’n prachtige rode haar en een kwajongensblik in zijn ogen. Omdat ze niet wist waar ze haar armen en benen moest laten, begon ze zich uit te sloven op de dansvloer. ‘Come back and stay’ van Paul Young, ‘Big in Japan’ van Alphaville. Bij elk nummer iets dichter bij hem in de buurt. Keek hij nu naar haar? Lachte hij? Of leek het maar zo? Toen de laatste tonen van ‘Do you wanna hold me’ van Bow Wow Wow klonken, trok hij voorzichtig aan haar arm. Of ze ook een pilsje wilde? Z’n stem kwam net boven de keiharde muziek uit. Ze had nog nooit bier gedronken, maar antwoordde zo stoer en nonchalant mogelijk: ‘Ja, lekker.’ Hij liep naar de bar en zij keek hem na. Aan de andere kant van de dansvloer stonden haar vriendinnen te seinen en te joelen. Ze voelde zich opgelaten. Zou het nu dan eindelijk gebeuren? Die eerste zoen waar ze zo naar verlangde en waar ze zo tegenop zag. Monique, haar vriendin met de meeste ervaring, had haar er van alles over verteld: hoe je je tong moest bewegen, dat je je hoofd wat schuin moest houden en dat je ook kon oefenen op je eigen arm, maar dat had ze niet gedaan.
Hij kwam terug met twee pilsjes in één hand. Misschien had ze liever boven met hem willen zitten, waar de muziek wat zachter was, maar zo was het ook goed. Hij leunde een beetje tegen haar aan, gaf haar het glas en proostte. Ze nam een slok en bleef lachen, ondanks de bittere smaak in haar mond. Hij keek opzij, met ogen vol bravoure, tenminste dat hoopte ze. Zo bleven ze een tijdje staan. Aan de zijkant van de drukke dansvloer. In een paar teugen had hij z’n glas leeg, toen keek hij haar echt heel lang en veelbelovend aan. Ze wilde haar glas wegzetten, maar durfde niet te bewegen. Alles gewoon over je heen laten komen, was het laatste wat ze dacht. Hij legde zijn linkerarm over haar schouder en trok haar zachtjes naar zich toe. Met zijn rechterhand raakte hij heel even haar wang aan. De vriendinnen waren weg, de dansvloer leek leeg en het geluid van de muziek was verdwenen. Zijn hoofd met het prachtige rode haar kwam dichterbij. Zijn lippen op die van haar. Eerst proefde ze alleen maar bier, maar al gauw was ze dat vergeten. En was er alleen het spel dat de tongen speelden. Toen ze elkaar eindelijk loslieten, had ze haar glas bier nog steeds vast. Ze nam een stevige slok. Het smaakte naar meer.
Net geen drie weken zou haar eerste echte verkering duren. Toen ze op een donderdagochtend naar school fietste, vond ze in het gras naast de weg een portemonnee. Met 20 gulden. Ze haalde het geld eruit, ook al knaagde haar geweten. Op het schoolplein nodigde ze haar vrienden allemaal uit om in de grote pauze mee te gaan naar het café. Zij trakteerde. Susan, Monique en Jasper bestelden koffie en cola, maar hij hoefde niks en zij kreeg buikpijn. Toen ze haar koffie op had, vroeg hij of ze even mee naar buiten ging. De knoop in haar maag werd nog groter. Ze liepen een stukje over het plein en stopten bij de kerk. Daar kwam het hoge woord eruit. Hij wilde niet meer. Natuurlijk wist ze het, ze had het al die tijd geweten. Het was Susan, het zou altijd Susan zijn. Ze begreep het, maar pijn deed het wel. Na de pauze ging ze nog naar Engels, maar toen ze het laatste uur wiskunde had, kon ze zich niet langer goed houden en meldde zich af bij de conciërge. Het was ver, de twaalf kilometer alleen op de fiets naar huis. Er leek geen einde te komen aan de rechte wegen. De brug over het kanaal was veel steiler dan anders. Ook nog tegenwind. Of verbeeldde ze zich dat?
Haar ouders zaten in de keuken koffie te drinken. Waarom ze nu al thuis was? Hortend en stotend kwam het verdriet eruit. Hij wilde niet meer. Om toch of omdat. Ze wist het niet. Het maakte ook niet uit. Er zat nog één amandelring in de trommel. ‘Die is voor jou,’ zei haar moeder.
De moeder de vrouw
Alle belangrijke vrouwen in mijn leven zijn in juni jarig. Gisteren puberdochter, vandaag mijn moeder en een dikke week geleden oma Barbertje. Een oma, een moeder, een vrouw die alleen maar luisterde. Mij altijd opving en nog vaker begreep. En al haar meningen voor zich hield. Ze zei ‘Hai hai kind toch’, als ik het moeilijk had en ‘Even deurzetten’ als het echt niet anders kon.
Mijn moeder met wie ik het hardst in mijn broek kan plassen van het lachen is het tegenovergestelde verhaal. Zij is het levend bewijs dat het ook anders kan. Maar of het werkt?
Van puberdochter valt het meest te leren. Op haar verjaardag ging ze bij haar beste vriendin die in het ziekenhuis ligt op bezoek om het te vieren. Ze kwam lachend thuis en keek mij niet begrijpend aan toen ik bezorgd vroeg hoe het was geweest. ‘Dûh, superleuk natuurlijk’, zei ze en dook achter de iPad. Of ze nu samen thuis in een puberkamer hangen of op een ziekenhuisbed chillen, het maakt haar niet uit. Ik weet niet of ze het ooit wil of kan worden, maar wat een moeder zal zij zijn.
In boekenland maken schrijvers zich boos over het thema van de Boekenweek van volgend jaar: De moeder de vrouw. ‘Waarom wordt de vrouw geïdentificeerd met de moeder en niet met bijvoorbeeld de huisarts of de postbode?’ vragen bijna 300 schrijvers zich af.
Ik vraag mij af waarom niet.
Imponerend
De website van het kunstfestival in onze wijk staat sinds kort online. Je kunt kijken op www.somerlustfestijn.nl maar ik heb liever niet dat je dat doet. Het is een mooie site, daar niet van en alles staat erop, maar een foto van mij ontbreekt. En mijn jaartal is verkeerd, 1968 moet het zijn. Dit is het jaar dat ik 50 word. Dat weet toch iedereen?! Wat ik niet ga vieren, maar dat is weer een heel ander verhaal.
Als een van de deelnemers van het festival mag ik meedoen aan de Literaire Salon waarvan alleen al de hoofdletters mij imponeren. Aan het ‘boekenpraatje’ doen ook schrijvers mee die echte boeken hebben gepubliceerd. Ik zou trots willen zijn, maar focus mij liever op het feit dat zij wel op tijd een foto hebben ingeleverd en ik niet. Dat is vast ook de reden dat zij wel gepubliceerd hebben en ik niet. Om het goed te maken, mailde ik vanmorgen nog voor het ontbijt, (‘Maham, waar zijn de boterhammen,’ puberden de kinderen erop los) een foto naar de organisatie. Met nog haar van vorig jaar, maar goed.
Onder de foto’s staan korte stukjes over de schrijvers, bij de ene lees ik dat zijn verhalenbundel goed ontvangen is. Ik heb mijn stukje zelf geschreven en neem aan dat de echte schrijvers dat ook hebben gedaan. Je kunt dus over jezelf schrijven dat je boek goed ontvangen is. Mocht dat bij mij zover komen, dan ga ik dat natuurlijk niet doen. Dan heb ik het over de tikfouten die er toch nog in staan, een personage wat net niet goed genoeg is uitgewerkt, een saaie verhaallijn… Het is maar hoe je het bekijkt.