Ouders

‘Als we nou voor het concert samen naar zijn graf gaan’, had ze hem gevraagd.
‘Da’s goud’, antwoordde hij.
Waren ze daar ooit samen wel weer geweest? En hoelang was het nu geleden dat hij was overleden?
‘Moeten we wel ’n bloumke mitnemen’, zei hij en trok zijn jas aan om naar de bloemist in het winkelcentrum tegenover zijn huis te gaan. Terwijl zij op hem wachtte speelde ze wat flarden van vroeger op de piano in de huiskamer. Een beetje Bach, een beetje Mozart, het zat er nog wel in, maar het was ver weg.
Met drie rode rozen stapten ze in zijn auto. Een kwartiertje rijden was het, maar het voelde als een lang verleden. Aan deze straat hadden ze samen hun leven opgebouwd, in dat huis waren hun dochter en hun zoon geboren, daar had hij de boerderij van zijn vader overgenomen. Daar was ook de verwijdering ontstaan en was zij uiteindelijk vertrokken.
De herfst kleurde de begraafplaats okergeel. Net als negentien jaar geleden.
Langzaam liepen ze het pad af, richting de steen. Ze twijfelde of ze zijn hand kon vastpakken en stak toen haar arm door de zijne.
‘Moi mien jong’, zei hij en legde voorzichtig twee rozen op het graf. Eén van hem en één van zijn dochter.
‘Ach lieverd’, zei zij en legde haar roos naast die van haar dochter.

2 gedachten over “Ouders”

Geef een reactie op Dikkie van Dommelen Reactie annuleren