Op herfstvakantiemaandag tien jaar geleden zat ik in de wachtkamer en probeerde de gezichtsuitdrukking van de arts met wie we een afspraak hadden te peilen. Iedere keer dat ze uit de gang kwam, de wachtkamer instapte en een andere achternaam dan de mijne riep, keek ze heel erg niet mijn kant op. Ik was als laatste aan de beurt. Dat had ze expres gedaan bleek later, dan kon het gesprek mooi uitlopen en hoefden alle vrouwen die wel goed nieuws kregen daar tenminste niet op te wachten. ‘Mevrouw Haan’, zei ze – er zat een miniem kuchje tussen die twee woorden – en ontweek zo professioneel mogelijk mijn blik. Wat verder volgde geen idee, ik had net zo goed niet naar binnen hoeven gaan.
Ik wilde naar huis. Naar de kleuterdochter en de middenbouw-zoon die met een bibber-oma met de knikkerbaan aan het spelen waren. Ik wilde sinaasappels voor ze persen. Alvast de tafel dekken voor het avondeten. En morgen met ze naar de Krakeling.
Op herfstvakantiemaandag ren ik in het Amsterdamse Bos. Na twee kilometer stap ik in een modderpoel en schiet de kramp in mijn rechterkuit. Precies op de plek waar ik dacht dat het net over was. Het begint te miezeren en mijn hardloopjack blijkt niet waterdicht. Mokum springt met haar blubberpoten op de achterbank en ik rij de stoep op, tegen een Amsterdammertje aan.
Ik wil naar huis. Naar puberzoon die op de bank About a Boy van Nick Hornby voor zijn Engelse lijst leest en naar puberdochter die haar kledingkast uitmest omdat ze in de vakantie met vriendin en kleedgeld gaat winkelen. Ik wil de afwasmachine uitruimen. Knakworsten opwarmen voor de lunch. En morgen naar Jochem Myjer.
Dank je, Ingrid. Ik kan er wat mee! Het raakt me.
LikeLike