Vier

Een tafeltje met bekers en een kan water, een doos tissues en vier poefjes. Vier kinderhoofdjes, twee donker en twee blond, kijken naar de foto van hun oma. Het oudste jongetje in een net overhemdje, serieus en wijs. Het meisje bedachtzaam, met natte ogen, haar haar in een rommelige visgraatvlecht. Het kleinste donkere jongetje zit met zijn armen rond zijn vaders been, achterstevoren op de poef. En de allerjongste, een boefje met warrig blond haar kan niet wachten tot hij een van de vier kaarsen aan mag steken.
Hun opa spreekt over dijken en doorgangen, en hoe dapper en definitief het is om naar de andere kant te gaan. De vader van de blonde twee schetst een jeugd zonder kleerscheuren, een onvoorwaardelijke moeder, een oma die voorlas en knutselde. De moeder van de donkerharige jochies huilt om haar allerliefste moeder en vraagt zich af wie ze nu moet bellen als ze het even niet meer weet. ‘Goed gedaan, mama’, zegt een van haar zoontjes als ze klaar is. Op de foto’s die tijdens de muziek worden vertoond, zien de vier kleinkinderen hun oma veranderen van zwart-wit klein meisje, jonge vrouw in oranje en bruine tinten naar de oma in kleur, die ze zo goed kennen.
Dan is het zover.
Er moet geplast, gesnoept, gespeeld, gedronken, gerend. Bij opa thuis, staren de twee blonde en de twee donkere hoofdjes nog even naar een scherm met gele Minions. Heel moe zijn ze, maar ook opgetogen. Zo laat als vandaag, zijn ze nog nooit naar bed gegaan.

Eén gedachte over “Vier”

Plaats een reactie