Terug in de tijd

Vriendin B vierde even geleden haar verjaardag in Oudeschans. Voor mij was dat het startsein om weer ’ns lekker terug in de tijd te gaan. Als cadeautje schreef ik een stukje over onze jaren van vriendschap. Het stukje was alleen voor haar bedoeld, maar belandde per ongeluk toch bij alle abonnees. De abonnees waaronder ook vriendin B vonden dat hilarisch, ik zie de humor er nu nog niet van in. Maar goed, ik las het stukje toch voor op het feest, ook al wist ze woordelijk wat erin stond.
Er waren veel mensen van decennia terug, er werden allerhande singletjes gedraaid op de pick-up, grappen gemaakt die ik al jaren niet meer had gehoord en nog even flauw waren als toen. Ik besloot niet met jan en alleman te socializen en vooral te praten met mensen waar ik echt zin in had en dus zag ik mezelf een hele tijd zitten aan een tafel met ex R, z’n broer S en ex-schoonvader A. Jammer dat ex-schoonmoeder H er niet bij was. Maar gelukkig was ze er ook weer wel, want het gevoel was hetzelfde als destijds aan de keukentafel in het grote gele huis in Oude Pekela, met een hoop geklier, flauwekul, warmte en gelach. Ik hoefde mijn ogen niet eens dicht te doen, het was echt 1986. Het enige dat ontbrak waren de broodjes met tomaat, ui, curry en mayo die H altijd maakte, nu waren er vegan hapjes. Maar dat was dus hetzelfde. Of is mayo niet vegan, want ei?
Ik dronk één glas wijn die de barman in een vies glas schonk, er zat lippenstift rondom en ik zei er niks van, maar klaagde er wel flink over. Vergelijkbaar met wat The Real Housewives of Beverly Hills en Salt Lake City (Netflix) doen. Sinds vorige week kan ik me daar echt mee meten, want man E heeft promotie gemaakt. Executive Vice President is ie. Zijn initialen zijn EWP, maar de zoon, de dochter en ik noemen hem nu EVP. Zelf boeit ‘m de nieuwe status minder, maar ik had deze blabla graag aan mijn vader willen vertellen. Die er vervolgens ook mee aan het snakken was geslagen. Dat weet ik zeker.
Goed, terug naar het feestje. Toen ik vond dat het was afgelopen, liep ik terug naar de grote parkeerplaats, even buiten het dorp. Het was aardedonker en er was niemand op straat. Ik dacht aan Amsterdam, waar het de hele nacht een soort van licht is, op elk tijdstip mensen zijn en ik terug naar huis altijd op de fiets zit. Nu stapte ik in de auto, deed het grote licht aan, zette Spotify op Yves Berendse, te hard, en reed, ook te hard, over de Oudeschanskerweg en was binnen 5 minuten thuis. Thuis bij familie R in Bellingwolde.

Hanen

‘Ik wil mie nait schoamen’, zei mijn vader in m’n hoofd. Met zo’n vieze auto naar de neven- en nichtenHaandag, dat kon echt niet. Dus was man E zo lief om door de wasstraat te rijden. Op de heenweg, in een glanzende auto zonder rotzooi op de vloer, bracht ik hem op de hoogte wie er allemaal wel en niet zouden zijn. Beginnend bij de kinderen van het oudste kind van oma Barbertje en opa Bertus, mijn vader, tot de kinderen van de jongste, mijn liefste tante H dus. Precies de twee die…
Nou ik was er dus met man E. Dan de kinderen van oom M, die kwamen helaas niet, nicht S kampte met gezondheidsproblemen en neef D’s vakantiehuis-verhuurseizoen in Griekenland was net begonnen. Jammer dat ze er niet waren, al was het alleen maar omdat ik nu de enige was die Haan heette. In het café, de escape room en het restaurant noemde het personeel ons steevast familie Haan en had ik het idee dat ik de enige was die zich aangesproken voelde.
Dan had je nog neef KR en neef B, beide met een nieuwe partner. Neef KR – die overigens tot z’n twaalfde zo genoemd werd, maar allang gewoon K heette – had in de groepsapp gevraagd of we konden melden of er nieuwe partners waren. Bleek dat iedereen nogal steady was in relaties, behalve hijzelf en z’n broer. De wisselbekers waren van hen. Ze hadden het nodige gedoe gehad met exen, maar nu oogden ze allebei blij met de nieuwe aangetrouwde nichten.
Nicht E was er ook, met haar man, ze hield een speech waarbij iedereen van de familie Haan langskwam. Dat vond ik echt mooi, want zo werd neef B, oftewel mijn broer, uitgebreid genoemd en had ze het over oom K en tante A, mijn ouders, alsof ze nog getrouwd waren. Neef M was er ook, hij zou bij ons blijven slapen, want dichtbij Schiphol dus makkelijk terug naar Zweden. Met hem praatten we op de terugweg uitgebreid bij. Ik was altijd nogal onder de indruk geweest van de verhalen van hun ouders over hen, over hoe geslaagd ze waren met meerdere huizen, een landgoed met een meer, een eigen praktijk, veel verdiend met de ontwikkeling van medische apparatuur… en dacht dat ze vonden dat het om status draaide in het leven. Maar niks was minder waar, zowel nicht E als neef M keken me verbaasd aan, vertelden eerlijke verhalen over hoe hun leven was gelopen. Bleek dat ik veel vatbaarder was voor status dan zij.
De jongste twee, neef J en nicht M waren zonder partner. Want nog jonge kinderen. Neef J was grappig als altijd. Hij zat in het team dat de escape room wel binnen de tijdslimiet had gehaald (ook al scheelde dat maar drie seconden) en kon het niet nalaten het andere team (daar zat ik in, met m’n wedstrijdmentaliteit) te dissen. Met nicht M ten slotte ging het fijn van gelakte nagels tot het missen van een ouder.
Dit stukje begint te veel op een opsomming te lijken, maar man E moest van tevoren toch echt weten voor wie hij de auto door de wasstraat had gehaald. Niemand die het zag overigens, want we stonden ergens achteraf geparkeerd en toen we weggingen wat het ook nog donker. Toch was ik blij, ik had me niet hoeven schamen.

Trouwfoto Lambertus Haan en Barbertje Haan-Bosveld, Ulrum, 6 december 1939

Recyclen

Mijn eigen nest mocht dan wel leeg zijn, dat hoefde natuurlijk niet te betekenen dat anderen er geen konden bouwen. Dus haalde ik het grote stenen ei met gaten dat ik ooit bij de Welkoop in Dronten had gekocht tevoorschijn. Ik dacht nog even dat ik me had vergist en het een waterbakje voor vogels was, maar daarvoor zaten er te veel gaten in. Op verkeerde plekken ook, bleek toen ik ’m toch even onder de kraan probeerde te vullen.
De gebruiksaanwijzing drukte mijn eigenwijsheid de kop in, het ging hier om een Fiësta Nester, ‘de ideale plek voor vogels om materiaal voor hun nestje te vergaren.’ Het enige wat ik hoefde te doen was er nestmateriaal in stoppen. Ik ging op zoek naar het perfecte spul. Niks geen puntige takjes en prikkende blaadjes, lekker warm en pluizig moest het zijn. Dons? Wol?
Ha, de zachte vacht van hond M natuurlijk. Ik kamde en borstelde haar, trok de plukken haar uit de hondenverzorgingsbenodigheden en propte het in het ei. Het duurde maar even of daar kwam de eerste koolmees al aangefladderd. Hij of zij pikte in de gaten in het ei en vloog met een bekje vol vacht naar het nest in aanbouw. Af en aan ging het, met z’n tweeën nu. Allebei vlogen ze met een wolk van vacht, zowat nog groter dan hun lijfje, heen en neer.
Zeer met mezelf ingenomen zat ik ernaar te kijken. Dat was pas natuur! Dat was pas recyclen! Kon ik mooi weer een vlucht boeken.
Maar eerst dit stukje schrijven. Daarvoor kamde ik het internet nog even af op zoek naar meer info over mezennestmateriaal. Al gauw kwam ik op de site van de vogelbescherming terecht waar ik van alles las over dingen die je in zo’n ei kunt stoppen. En ook dingen die je er vooral niet moet instoppen zoals ‘haren van huisdieren die zijn behandeld met anti-vlooien- of -tekenmiddel.’ Oeps. Onderzoek naar doodsoorzaken van koolmezen had uitgewezen dat restanten van onder andere hondenharen ‘veelvuldig gevonden waren in de onderzochte mezen’. Bespoten haren kwamen met regelmaat in nesten terecht en drongen door de huid van de jonge meesjes.
Was ik zo-even nog de barmhartige Samaritaan, nu was ik de bruut verantwoordelijk voor het lege nest syndroom van twee koolmezen.

Tobberij

Kwalen, aandoeningen, ziektes en gebreken. Het werd te mantelzorgerig in m’n omgeving. Elke ochtend, direct na het wakker worden, vroeg man E me z’n sokken aan te doen. Iets met wervels, spieren, pezen en pijnscheuten in z’n onderrug. De rest van de dag bewoog ie stinnend en poestend door het huis. En jengelde maar door over welke spier nu weer niet goed zat, welke oefening daar precies tegen hielp en of ik z’n veters nog ff wilde strikken. In huize HV was maar één onderwerp van gesprek mogelijk. Oh nee, twee. Mijn geklaag over moeder A was er ook nog. Ze belde te vaak, hoezo had ze geen energie en geen melk in huis voor in m’n koffie? Waarom zegde ze van alles af, waaronder een avondje Remko Vrijdag. Aan de andere kant, dat was misschien maar beter. ‘Vrijdag Doemsdag’ bleek een vreemde show over de laatste mens op aarde na weer een pandemie. De typetjes waren onderhoudend, het leuk-doen-tussen-de-schuifdeuren gehalte te hoog. Pluspuntje: ik had twee stoelen en zat vlak voor Frits Sissing en Cor Bakker.
Lopend met hond M langs de Weespertrekvaart, bedacht ik dat het natuurlijk niet aan man E en moeder A lag. Maar aan mij. Dat doet het altijd. Ik zat niet goed in m’n vel en dus zette ik me af tegen de mensen waar ik het meest van houd. Waarom? Ja, wist ik het maar.
Wat zou mijn vader tegen me zeggen, als ik ’m m’n tobberij vertelde? Niks waarschijnlijk. ‘Niet goed in je vel zitten’ daar kon ie weinig mee. Hij zou me gewoon een glas wijn inschenken en trots aan z’n man vertellen dat de kleinzoon z’n rijbewijs had gehaald. In ain moal.
En dus volgde ik z’n advies op en ging gewoon verder. Ik las deel II van ‘Over de berekening van de ruimte’ van Solvej Balle uit (over een vrouw die gevangen zit in de tijd), bestelde direct deel III en IV, kocht een schreeuwend dure zomerjas en stortte me op de 125e verjaardag van m’n club. Zou ik dinsdag naar de Dam gaan om het te vieren (laten we er een onvergetelijk en waardig feest van maken) en of naar de Entrada voor de wedstrijd tegen AZ om het jubileumjaar in te luiden (hard knalvuurwerk kun je thuislaten)? De post bracht een fraai verjaardagscadeau (iets dat jou aantrekt als een magneet en iets dat je bij je draagt) en ik keek naar de persco voorafgaand aan de wedstrijd tegen Eintracht Frankfurt waarin Klaassen vertelde dat z’n dochter zondag voor de aftrap tegen PEC Zwolle was geboren. Hij had nog een stuk van de wedstrijd kunnen zien. Ik zat gelijk wat beter in m’n vel.

Schattig

In Nederland gebruiken 400.000 mensen compressiehulpmiddelen oftewel steunkousen. Dat is, mits ik het goed heb uitgerekend, 1 op de 500. Logisch dat je die mensen nooit tegenkomt. Tot afgelopen zaterdag, toen hadden ze zich en masse verzameld in Ede-Wageningen. Hoera, het was lymfoedeemdag. En dat werd gevierd met echt superlekkere notenkoeken en ook nog een congres. Een dikke driehonderd mensen waren erop afgekomen. Patiënten kon je herkennen aan een roze bandje en natuurlijk aan gezwollen armen of benen (en naar ik later leerde, opgezette vagina’s of scrotums, maar dat kon je natuurlijk niet zien), professionals hadden een geel bandje om en er waren ook mensen met een blauw bandje rond hun pols. Vrijwilligers, bleek bij navraag.
Nog nooit had ik in één ruimte zoveel vrouwen met armkousen gezien. Sommige droegen links én rechts een kous of handschoenen die de vingers helemaal bedekten, ik kwam handschoenen tegen die op de muis van de hand en aan de onderkant verdikt waren met speciaal druk materiaal… Alleen al het zien dat het nog veel erger kon, was het de-hele-dag-binnen-zitten-terwijl-het-buiten-voorjaarsweer-was waard.
Inhoudelijk was het ook de moeite waard. Verpleegkundigen vertelden uitgebreid over het belang van zelfmanagement en leefstijl. Dermatologen en plastisch chirurgen praatten over de impact van wondroos en het effect van lymfevaten-transplantaties. Over dat laatste waren ze het overigens niet eens. Maar toch leerde ik een hoop en prees ik mezelf steeds gelukkiger. Zeker toen er een foto langskwam van een vrouw die zo’n dik been had, dat ze niet eens een kous aankon.
In de pauze liep ik langs de standjes met compressiemateriaal. Ik kwam zorgverlener A tegen die jarenlang zo fijn naar me had geluisterd terwijl ze ondertussen mijn arm masseerde. En zag een pop met een armsteunkousje, beensteunkousje en ook nog een steunrompertje aan. Superschattig vond ik het, tot de standhouder vertelde dat ook baby’s wondroos en oedeem kunnen krijgen. Aan de andere kant, misschien moest ik mijn eigen oedeemarmpje en -handje wel als schattig gaan zien.
In de trein terug naar huis bleek dat twee dingen waren blijven hangen. Eén, je moest de aandoening lymfoedeem los zien van de ziekte kanker. Mentaal dan.
Twee, ik hoorde een mooie oneliner: lymfoedeem, het verborgen neveneffect van kanker waar niemand over praat. Op het lijf van m’n blog geschreven.