Puberdochter heeft COVID. Vanaf maart noemde ik het corona, maar nu het ineens in ons huis rondwaart, heeft het virus een upgrade gekregen. Als ik heel eerlijk ben, heb ik het ook liever over gymnasium dan over vwo, sauvignon blanc in plaats van droge witte wijn. Maar dit snobisme terzijde.
Vanochtend belde de GGD haar met de uitslag. Met haar hand voor de speaker van de telefoon kwam ze vragen hoe onze huisarts heet, ik dacht nog naïef, zal wel voor een vriendin zijn die in de problemen zit of zo. Maar toen ze even later beneden kwam, bleek ze positief getest.
Puberzoon werd direct uit zijn afwasbaantje gebeld en toen begon het grote gestress: Wat nu? Hond M? Boodschappen? En de woede: thuisblijven?! Het is gvd herfstvakantie! En de angst: hoe groot is de kans dat we op de IC belanden? En het zelfmedelijden: het is al zo’n waardeloos jaar, ik heb al kanker gehad, nu ook dit nog.
Feiten hadden wij nodig om orde in de gezinschaos te scheppen, vooral man E en de puberzoon hadden daar behoefte aan. Beide gingen ze de regels van het RIVM fileren. Het ging zover dat ze zich afvroegen wat er precies bedoeld wordt met ‘contact’. Puberzoon mailde met de GGD. Hij was vanaf dinsdag niet in ‘contact’ geweest met zijn zus, dus dan golden de regels misschien niet voor hem. De GGD antwoordde verbazingwekkend snel dat contact betekent, langer dan 15 minuten op minder dan 1,5 meter afstand van de besmette persoon. Deze vorm van contact had hij met zijn zus niet gehad. Ze hadden al een dag of vier, vijf, niet meer samen aan tafel gezeten vanwege voetbal- en hockeytrainingen.
Opkomende vragen waren: Kunnen we het hem verbieden, ook al is hij bijna 18? Willen we dat überhaupt? Ook al begrijpen we heel goed dat zijn vakantie totaal verknald is? En wat heeft het voor zin? Man E begon ook al klachten te vertonen, en daarmee had hij wel ‘contact’ gehad.
Ik ging de regels zelf ook maar eens bekijken en vooral ook interpreteren. Ik las dat je toch boodschappen mag doen als je een huisgenoot bent zonder klachten. Snel de auto in, op met mondkap naar de supermarkt. Tussen de zuivel en bolletjes voelde ik me een paria. En een hamster. Gelukkig komt vanaf nu de kruidenier uit Oostzaan twee keer per week voorrijden.
Ondertussen reageerden mensen uit onze omgeving lief – ‘Kunnen we boodschappen voor jullie doen? Zullen we hond M uitlaten?’ en verontrust – ‘Quarantaine?! Oh jee, wat erg, wat zijn de klachten?’
Moest ik zelf niet ook wat banger zijn? Ik ging de kans om terecht te komen op de IC maar eens berekenen. Dat viel mee, volgens mijn berekeningen was die maar 0,03%. Man E, waarbij de E hier lineair voor de E van econometrist staat, rekende het wat beter uit en kwam op een percentage van 4, een stuk meer. Maar wat koop je daarvoor?
Na de nodige ruzie met diezelfde E over het snijden van een komkommer, het op juiste wijze aanmaken van de dressing en wie er recht had op het laatste glas wijn, liet ik samen met puberzoon hond M uit en installeerde de Wordfeud app weer op mijn telefoon.
Oh ja, bijna vergeten, de klachten van puberdochter vallen mee. Beetje keelpijn en wat snotterig. Man E laat zich morgen testen. Als die uitslag positief is, kan het gestress, zelfmedelijden, woede en angst op dag 2 weer opnieuw beginnen.
Categorie: Gezin
Stukjes over hoe je niet en wel weet hoe je wel en niet met je kinderen moet omgaan.
Curry comb

Daar reed ze, de fietskrat met een tie-wrap vast aan de voordrager. Flesje water, telefoon, ID en twee pennen in een linnen tasje erin. Ze suisde langs de Amstel, over het Rokin, het Spui op en sloeg een weg te laat rechtsaf. Snel wilde ze de eerste de beste steeg induiken, ze zag nog net hoe ie heette – Roskamsteeg – en vroeg zich ook nog een split second af wat het Engelse woord voor roskam was, maar haar voorband raakte de stoeprand. Terwijl haar fiets onderuit schoof, sprong ze zelf met een atletische boog de stoep op. De krat zat nog vast. Niets aan het handje.
Haar moeder, die een stukje achter haar fietste, zag het razendsnel en in slow motion gebeuren. Het deed haar denken aan haar geboorte, net iets meer dan 15 jaar geleden. Ook toen was het net alsof ze met een krachtige boog de aarde op sprong. Oogjes dicht, vuistjes geklemd.
Net zo zou ze nu het examen maken, daar vertrouwde de moeder op. ‘You are ready’, had de docent gezegd en de moeder herhaalde het nog maar eens: ‘Je hoeft maar drie woorden onthouden.’ De dochter rolde met haar ogen en verdween het gebouw in waar het Cambridge English examen op haar lag te wachten.
Ik ben er helemaal niet klaar voor, dacht de moeder terwijl ze door de stille stad naar huis fietste. Grip krijgen, weer iets om los te laten.
Glunderen

Hemelvaartsdag ben je alweer jarig, broer, 49 zou je deze keer worden. Weet je nog je laatste verjaardag, toen je dertig werd? Wat een feest was dat. Omdat jij nooit zou afstuderen, trouwen of een kind krijgen, had mama bedacht om ter ere van je dertigste verjaardag een heuse receptie te geven. En natuurlijk ook omdat je zo gek was op gezelligheid.
Met de leiding van het tehuis waar je woonde, was je van tevoren naar de kapper geweest, je wangen waren glad, papa had je lekkerroek opgedaan, je had je horloge om en natuurlijk droeg je je mooiste kleren. Een hip vest en een bruine broek met een groen shirt. Groen & broen of gruin & bruin, dat verhaspelde Gronings-Nederlands, daar lachen we thuis nog altijd om.
Op mijn werk had ik een officiële uitnodiging gemaakt. JARIG! stond er boven een afbeelding van koe die een taart uitscheet. ‘Mag niet’, zei je grijnzend toen je de kaart zag en je sloeg je handen voor je mond.
Boshotel Ruyghe Venne in Westerbork had een speciale zaal met een terras voor je gereserveerd. Bij de ingang stond een bord met je naam erop, daar poseerde je trots voor, ook al had je geen idee wat er stond. Mama had een corsage met een witte roos voor je gekocht, die papa je voorzichtig opspeldde, met het steeltje omlaag, zoals het hoort bij mannen.
Als een koning zat je op het terras, met uitzicht op de parkeerplaats en wie er ook uit de auto stapte, bij iedere gast glunderde je van onder tot boven.
Op de tafel naast je groeide de stapel cadeaus: niet alleen koeienpuzzels met heel veel stukjes, maar ook koeienkussens, koeienschilderijen, koeienmokken en een zwart-wit gevlekte pet die nu in de kamer van je neef hangt. Je nicht bewaart haar sieraden trouwens in het koeienladekastje dat je kreeg. Maar het mooiste cadeau was een mok met een man in een zwembroek erop. Als je een warme drank in de mok goot, ging z’n broek naar beneden en zag je z’n… Ja, ik weet het. Mag niet.
Je mocht op de stoel staan, papa hield je goed vast, en al je favorieten zongen ‘Lang zal je leven’. De cola en de cassis werden aangesleept, er was taart en chips en bitterballen, het hield niet op. Je werd gefilmd, gefotografeerd, voor eeuwig vastgelegd.
Wat een feest was het hè? Volgend jaar als je 50 wordt, moeten we het nog maar een keertje overdoen.
Kip zonder kop
Met een stuk kippengaas probeer ik het pas gezaaide gras in ons postzegeltuintje te beschermen tegen het gegraaf van Mokum. Voordat de hond in ons leven kwam, hielden wij drie kippen: Plof, Kriel en Stres. Ik mis ze nu ik mijn rechter wijsvinger aan de uiteinden van het gaas snijd. Dat onbekommerde gescharrel, het kneuterige getok, het gefladder als ze een zandbad namen…
Mijn opa Lambertus hield ook kippen. Voor de eieren en het vlees. Als ze na een jaar of twee, drie te weinig eieren legden, slachtte hij ze zelf. Zonder een kik te geven, draaide hij de nutteloze kip de nek om. Om daarna met een ferme haal van zijn bijl haar kop eraf te hakken. Door de kieren tussen mijn vingers die ik voor mijn ogen hield, keek ik toe.
Hij dompelde de vogel niet direct ondersteboven in een emmer water, maar zette haar eerst nog even op de grond. Heel soms liep de kip zonder kop nog wat spastisch rond, maar vaker zeeg ze direct ineen. Mijn opa verzekerde mij dat de kip geen pijn meer had en verdronk haar dan in de emmer. Ik haalde mijn handen voor mijn gezicht vandaan, maar vertrouwen deed ik het niet. Druipend hing opa de kip op de kop in de deurpost tussen de stal van de kalveren en de vaarzen. In het midden zaten twee haken waarin hij boontje-touw had gehangen. Er zat een ingewikkelde knoop in die mijn opa met één ruk los en vast kon maken. De kippenpoten pasten er exact in. Met haast wiskundige precisie haalde hij het vel van het dier los en stroopte het verenpak van de kip. Dan kon het uitsnijden van de onderdelen beginnen. Met één jaap sneed hij de kip in de lengte doormidden en pulkte met zijn blote handen maag, hart en lever eruit. Het orgaanvlees nam hij zelf mee naar huis, dat vond hij het lekkerst. En een poot voor oma Barbertje. De rest van de kale kip drukte hij mij in de handen. Lekker vond ik, zeker met sperziebonen en zelfgemaakte appelmoes.
Mijn vinger bloedt best hard. Door de open tuindeur vraag ik puberzoon en -dochter om een schaar. Ze horen me niet, allebei op hun eigen iPad verdiept in een eigen aflevering van Game of Thrones. Dan pruts ik zelf een stuk keukenrol om mijn vinger en haal een schaar uit de la waarmee ik een reep pleister afknip. Altijd te breed of te smal. En anders wel scheef geplakt. Er kleeft bloed aan de schaar, op de la zitten rode vegen en ik heb ook nog een beetje gemorst op de kipfilets die op het aanrecht liggen te ontdooien.
Slappe hap
Op weg naar een ouderborrel van puberdochters klas. Ik had ook gewoon lekker thuis kunnen blijven, maar ik vond dat ik moest. De luwte uit, de wereld in. Ik fiets langzaam en om, onder het Rijksmuseum door. Ik weet niet hoe ik me moet verhouden tot maatschappelijk succesvolle mensen, wil graag mijn vooroordelen over Amsterdamse gymnasium-ouders bevestigd zien en vind het tegelijk een prestatie van mezelf dat ik er één geworden ben. Van dat soort tegenstrijdige gedachtes had mijn boer nooit last. Ik vraag me af hoe hij zo’n borrel had aangepakt. Nog voor ik de museumtunnel uit ben, weet ik het al, hij zou gewoon zichzelf zijn.
Ik zet mijn fiets op slot aan zo’n ding wat ze een nietje noemen, vlak voor het imponerende huis waar ik moet zijn en bel zo gewichtig mogelijk aan.
‘Bring your own bottle’ stond er in de e-mail, dus ik heb verse munt meegenomen. Waarvan ik bij aankomst, het hele kookeiland staat vol gekurkte flessen, toch spijt heb. Nadat de gastheer mijn bosjes munt in een glas water heeft gezet, stuur ik mezelf naar een groepje medemoeders. Ze praten over de verschillen tussen de hoofdstedelijke gymnasia, waar al hun kinderen op zitten en anders zijzelf wel vroeger. Dat is alvast een vooroordeel dat klopt, denk ik verheugd. Wintersportverhalen uit de voorjaarsvakantie passeren, de bekende klaagzangen over schermgebruik worden afgewisseld met het beantwoorden van apps. Meepraten doe ik niet, laat staan mezelf zijn. Een tijd lang staar ik vertwijfeld naar het anderhalf meter lange, bordeauxrode gasfornuis, tot een vrouw met een te grote gouden ketting vraagt wat ik doe.
‘Ik kijk naar het fornuis’, hoor ik mezelf zeggen, ‘en ik ben bang dat iemand mij vraagt wat voor werk ik doe. Ik zou liever thuis met een zak Engels drop Netflix liggen te kijken, maar ik heb mijzelf opgedragen deze borrel als een project te zien en ben nog niet geslaagd.’
De vrouw haalt haar telefoon tevoorschijn en laat mij de Telegraaf app zien. ‘Ik werk voor die krant’, fluistert ze, ‘maar dat durf ik hier niet hardop te zeggen.’ Ze blijkt ook op een boekenclub te zitten en van slappe hap te houden, schenkt onze wijnglazen barstensvol, is bang dat haar oudste zoon blowt, vindt haar jongste zoon stoffig, wat precies bij die school past en zo wordt het toch nog gezellig.
Als ik naar huis ga, vraagt de gastheer me of ik de munt weer mee wil. Geef je die flessen dan ook terug, wil ik antwoorden, maar ik bedank beleefd. Had mijn broer vast anders aangepakt.