Tête-à-tête

In de fluisterboot die wij ter ere van onze achtentwintigjarige verkering hadden gehuurd, verraste man E mij weer eens met zijn kennis van de Oudhollandse woordenschat. Hij dacht terug aan het publiek dat aan de kant zat tijdens het districtskampioenschap Tête-à-tête waar hij de dag ervoor bij de Bouledozers (ik verzin dit niet) in Hoorn had gespeeld. Volgens hem waren het mensen van verschillend allooi en divers pluimage. Toen we uitgelachen waren, hoorde ik hem ook nog plompverloren zeggen ‘Zijn dat geen lisdodden?’. Refererend aan een soort van gele irissen langs de oever. Man E en flora? Na al die jaren kon hij nog steeds verrassend uit de hoek komen. Thuis zocht ik het op en inderdaad, de oevers van de slootjes rondom Broek in Waterland waren bezaaid met lisdodden.
Een paar dagen ervoor was ik druk met mijn allereerste verkering uit 1984 die drie weken duurde, ook met een E. Over hem heb ik eerder een stukje geschreven, Amandelring:

Hij kwam terug met twee pilsjes in één hand. Ze nam een slok en bleef lachen, ondanks de bittere smaak in haar mond. Hij keek opzij, met ogen vol bravoure, tenminste dat hoopte ze. Zo bleven ze een tijdje staan. Aan de zijkant van de drukke dansvloer. In een paar teugen had hij z’n glas leeg, toen keek hij haar echt heel lang en veelbelovend aan. Ze wilde haar glas wegzetten, maar durfde niet te bewegen. Alles gewoon over je heen laten komen, was het laatste wat ze dacht. Zijn hoofd met het prachtige rode haar kwam dichterbij.

Samen met vriendin M, die vroeger E’s échte grote liefde was, bezocht ik de première, of beter veurstellen, van ‘Peter en Erik’. Een docu over het bijzondere verhaal van een eeneiige tweeling. Hun ongehuwde moeder staat hen na de geboorte in 1967 onder dwang af en de tweelingbroers worden tegen haar wens in gescheiden en geplaatst in twee verschillende adoptiegezinnen. De broers weten niets af van elkaars bestaan, tot hun levens bij toeval na zeventien jaar bij elkaar komen. Centraal staat de grote vraag: Waarom? Waarom zijn ze destijds uit elkaar gehaald? Op 23 en 24 mei wordt de docu uitgezonden op NPO2. Gaat dat zien! Gaat dat zien!
Naast het bizarre verhaal over de scheiding van de tweeling, bleven mij vooral de combinatie van Groningse en Amsterdamse beelden bij. De prachtige boerderij in Middelstum van Peter en de trams die langs de Amsterdamse archieven reden waar de broers een antwoord hoopten te vinden op de grote vraag. Ook opvallend was de thee. In nagenoeg alle scenes dronk de tweeling thee. Bij iedere kop keken vriendin M en ik elkaar lachend aan. Thee. Twee thee. Na afloop kon ik het niet laten een selfie met de eerste E te maken om naar de interrailende dochter te sturen. ‘Cute’, antwoordde ze.

Volwassenachtig

Op 4 mei liep ik een rondje langs de akkers aan de Nieuweweg en het B.L. Tijdenskanaal in Bellingwolde. Na 7 kilometer kwam ik hijgend op de begraafplaats aan. Het was bijna vier jaar geleden, ik wilde de grote rode beuk graag weer eens zien en nou ja gewoon het was er de tijd voor. Voorzichtig ging ik op de rand van het graf ertegenover zitten. De bomen erachter straalden in frisgroen, in de velden ernaast wuifde vers gras. De woorden op de stenen – vader, verbonden, broer, gehecht – bonkten in mijn hoofd. Hier lag de helft van ons oude gezin. Dat waren er echt te veel. Dat vond mijn vader ook, maar ik moest het er van hem maar mee doen. ‘Most moar mit dien moeke op pad goan’, hoorde ik ineens in mijn hoofd.
Ik wilde langer op deze geruststellende plek blijven, ook nog even bij oma Barbertje langs, maar door het hardlopen speelden mijn darmen op. Toen ik de Kerkweg weer op rende, vloog er een Vlaamse gaai langs.
’s Avonds thuis op de bank zapte ik langs het Jeugdjournaal waarin Izak Salomons, 2 jaar toen de Tweede Wereldoorlog begon, vertelde wat hij in die tijd had meegemaakt. Gedeporteerd naar Westerbork, Bergen-Belsen. Koolraapsoep had hij nooit meer gegeten. Dat er ook nu nog elke dag wordt gevochten, daar begreep hij niks van. Kinderachtig vond hij niet het juiste woord om te omschrijven hoe de mensen nog steeds met elkaar omgaan. Kinderen zouden zich immers nooit zo gedragen. Volwassenachtig, dát was pas erg.
De volgende dag vertelde de zoon dat tijdens de derde helft van de wedstrijd Heidrunn – Gerstenat (10-2) de tv in de kantine tegen acht uur switchte van Girona – Barcelona (4-2) naar de Dodenherdenking op de Dam. Tientallen lallende twintigers waren tot tweeënhalve minuut over acht stil geweest. Het had meer indruk gemaakt zei hij, dan al die jaren dat ie thuis met ons op de bank naar de plechtigheid moest kijken. Vond ik nogal kinderachtig.

Boulodrome

Afgelopen weekend ging ik voor het eerst kijken bij man E die zijn laatste wedstrijd voor de NPC speelde, de Nationale Petanque Competitie. Vroeg in de ochtend was hij al vertrokken, een competitiewedstrijd neemt al snel de hele dag in beslag en vlak voor de laatste wedstrijd van die dag kwam ook ik aan bij PUK (Petanque Union Kennemerland), waar het bord ‘Boulodrome’, mij rechtsaf wees. Het zou die dag niet de laatste keer zijn dat ik verbaasd mijn wenkbrauwen op trok. De boulodrome van PUK bleek de grootste jeu-de-boules hal van Nederland te zijn. In het midden van de hal liep een betegeld looppad met aan weerszijden vele vierkante meters met grind, grind en nog eens grind. Beide helften waren verdeeld in drie vakken en in ieder van die drie vakken waren drie partijen gaande. Wat erop neer kwam dat er tegelijk 96 mensen stonden te jeu de boulen. Er werden mensen gewisseld, tactieken veranderd, vonken schoten van de weggeschoten ballen af. Ik had deze bezigheid van man E toch echt onderschat. Coach T legde de kneepjes van het spel uit: schieten (om een bal van de tegenstander proberen ver weg van de but te krijgen), plaatsen (je eigen bal dichtbij de but proberen te krijgen), triplet (drie tegen drie), doublet (twee tegen twee), mène (werpronde), er ging een wereld voor mij open. Het team van man E verloor, maar dat gaf niks want de tweede plaats in de een-na-hoogste divisie was allang veiliggesteld.
Om bij te komen van alle indrukken vermaakte ik mij met de leukste namen van andere petanque clubs zoals daar waren de Gooiers uit het Gooi, de Boule de Boel, Mooie Boule, Kets Up… nee dan toch liever de club PUK van man E, ook al kreeg ik een woedeaanval tijdens het luisteren naar hun clublied dat was gebaseerd op een lied van een club uit 010.

Pukkers, Pukkers wat gaan we doen vandaag,
wij gaan winnen alleen met hoeveel is de vraag.

Overigens had ik wel een geanimeerd gesprek met een supporter uit die contreien die feilloos de vinger op de zere Ajax plek wist te leggen.
Het eerste team was kampioen van Nederland geworden, kreeg een kampioensshirt met rood-wit-blauwe vlag en al, een knoert van een beker, een taart met een foto van het winnende team en er was Chinees voor iedereen.
Ik hoorde van verschillende mensen dat het gat tussen team 1 en team 2 groot was en vroeg me af waar dat niveauverschil vandaan kwam. De petanquers die ik erover sprak, vertelden dat het met leeftijd te maken had – alhoewel er in het eerste ook een meisje van 18 zat – en met hoeveel en vaak je traint. Maar misschien hielp het ook wel dat je een bepaald karakter had dat ervoor zorgde dat je je mentaal in alle omstandigheden goed kon blijven focussen. Wat voor karakter dat dan precies was, werd er helaas niet bij verteld.
De berg babi pangang was op, het bier bleef rijkelijk vloeien en ik hoorde man E het hardst lachen van iedereen. Ik was blij dat ik zijn wereld een keer had meegemaakt, blij dat hij zich daar zo in thuis voelde en blij dat we samen weer naar huis gingen.

Dispuut

Als je altijd hebt geroepen dat je zo’n hekel hebt aan disputen en je zoon wordt er lid van, wat doe je dan? Nou, eerst maar eens hoofdschuddend het witte dispuutshemd met geborduurd logo in de wasmachine stoppen. Dan nadenken wat je bezwaren zijn en waar die vandaan komen. En tot slot is het misschien wel een goed idee om naar de beweegredenen van de zoon te luisteren. Zonder vooringenomenheid. Moeilijk, moeilijk.
In de jaren tachtig was het in linkse alfakringen not done om bij een studentenvereniging te gaan. In mijn beleving stond dat gelijk aan kak, zuipen, rechts, corpsballen. Zulke nieuwe vrienden hoefde ik echt niet. Dat had ook met mijn eigen schijterigheid te maken, want veel van die mensen kwamen uit de enge Randstad en stel dat ik niet gevraagd zou worden bij een dispuut, wat voor loser zou ik dan zijn? En ontgroenen? Dat nooit. Wie liet zich nou vrijwillig vernederen?
Nou ja, de bloedeigen zoon dus. Maar dat viel echt reuze mee, bezwoer hij. Niet alle activiteiten waren verplicht en van echte vernederingen was geen sprake. Het was gewoon een hoop lol, modder, nachtelijke wandelingen en bier geweest. Bovendien hoefde hij vrouwen niet op bangalijsten te plaatsen of sperma-emmers te noemen, geen ganzen in z’n kamer te huisvesten en was hij niet geschopt noch geslagen. ‘Je creëert echt een band met elkaar als je samen moet afzien’, zei hij. ‘Mijn dispuut heeft respect voor elkaar en anderen.’ Ik probeerde dat te geloven.
Hij was dan ook geen lid geworden van een dispuut van het échte koor, zoals het Groningse Vindicat atque Polit, ‘handhaaft en beschaaft’ of het Amsterdamse A.S.C. Honestum petimus usque, ‘wij streven naar het edele’ of Minerva uit Leiden, Virtusconcordiafides, ‘deugd, eensgezindheid, trouw’. Hij hoorde gewoon bij dispuut Heidrunn, ‘op d’uwe!’ – van studentenroeivereniging Skøll, ‘niets anders dan je eigen talent en motivatie mag je verhinderen het hoogst haalbare uit jezelf te halen’.
Toen ik het overhemd de wasmachine inpropte nam ik het zwartrode borduurwerkje eens goed in me op. Een tekening van een geit en de namen van het dispuut en de roeivereniging. Waar kwam die geit vandaan? En wat een vreemde naam, Heidrunn. Wiki wist te melden dat het dispuut de naam verkeerd gespeld had. Het was Heiðrun, een magische geit uit de Noordse mythologie. Uit de spenen van Heiðrun vloeide honingwijn en daarmee vulde de geit iedere dag een vat (toch jammer dat het geen emmer was) groot genoeg om alle gesneuvelde krijgers uit het Walhalla dronken te voeren. Met als pluspunt dat ze aan die wijn geen kater over hielden.
Ja, dat was een duidelijk disputen-verhaal, maar vanwaar die verkeerde spelling? De zoon had geen idee waar die extra n vandaan kwam En die gekke d dan? Wie weet was de ð te moeilijk om op de hemden en dassen te borduren.
Skøll, zocht ik nog even op, was ook een figuur uit de Noordse mythologie, een wolf. En net als Heiðrun, verkeerd gespeld. De naam van de wolf is Sköll, Skol is een internationaal biermerk en ‘skål’ is Noors voor proost.
Maar goed, dat zal dat dispuut vast allemaal gemekker vinden.

In de weg

In de mistige regen liep ik met hond M langs de Amstel. In mijn oren klonken de stemmen van Gijs Groenteman en Coen Verbraak. Vooral die laatste heb ik hoog zitten, maar een interviewer die een interviewer interviewt, mwah. Wel wist Verbraak de kern van het leven prachtig te definiëren: ‘Leven is jezelf in de weg zitten.’ Groenteman voegde daaraan toe: ‘En dat je probeert dat te overwinnen.’ Daar werd ik kriegelig van.
Een paar weken eerder had ik met het clubje van de eerste liefdes gegeten. De gesprekken van die avond – over Omtzigt en Wilders, ijshockeyclub GIJS, de liefdeslevens van onze kinderen, Ajax, gezinsopstellingen – kon je zo onder de noemer ‘jezelf in de weg zitten’ zetten. Maar waar het om ging was dat we daar alle vier enorm om konden lachen. Maar goed, dat was een avond uit, met een gedeeld verleden van zowat veertig jaar, wijn en sushi, of kloeten zoals ex R. deze Japanse delicatesse noemde.
In het dagelijks leven ligt het anders. Dan is het net alsof het makkelijker is om jezelf in de weg te zitten, dan om middenin het leven te staan. Op internet kwam ik erachter dat dat met zelfsabotage (ieks) te maken heeft. De hele therapeutische riedel werd afgedraaid: faalangst, uitstelgedrag, onzekerheid, perfectionisme zorgen er allemaal voor dat je jezelf in de wegstaat. Met direct de oplossingen-reut erachteraan: maak een plan, word je bewust, stap voor stap, praat erover, zoek een accountability partner (WTF?).
Deze theorie liet ik voor wat ie was, liever een goed voorbeeld uit de praktijk: in de herfst van vorig jaar heb ik een fotolijstje, bestaande uit twee glasplaatjes gekocht. Daartussen heb ik vijf veertjes van Vlaamse gaaien gestopt. Dat had ik uiteraard eerst uitgesteld, maar uiteindelijk ging ik met een pincet en handschoenen aan de slag om de veertjes in de juiste volgorde, op de juiste afstand van elkaar en op de juiste hoogte op het ene glasplaatje te leggen. Even niet te hard uitademen, een onverwachte beweging maken en of man E, de zoon en de dochter ook stil wilden zijn en zitten. Dat gebeurde natuurlijk allemaal niet. Daarna moest het andere glasplaatje er bovenop gelegd worden, waarbij alle vijf de veertjes zich niet mochten verroeren en moest het geheel in het frame worden geschoven.
Echt lang stond het lijstje met de perfect gepositioneerde veertjes te shinen in de woonkamer. Tot de zoon zei dat er vlekken op het glas zaten. Ik ging gelijk aan de poets en in minder dan geen tijd zaten de veertjes chaotisch achter het schone glas. Dat was met kerst denk ik. En sindsdien, iedere keer als ik het lijstje zie, en dat is zeker drie keer per dag, denk ik, maak het nou in orde. Maar ho maar. Dat kun je jezelf in de weg zitten noemen. Maar dat hele proces wat ik hierboven heb beschreven, hoe noem je dat dan?