Fernweh

In de laatste aflevering van Oogappels zei een van de opa’s: ‘Het is een mooi woord, heimwee, maar een vreselijk gevoel.’ Dat vond man E mooi en ik had er last van.
Heimwee is een Duits leenwoord en betekent letterlijk het pijnlijke gemis van thuis of wat algemener dat je de geborgenheid en de zekerheid van het bekende mist. Op internet vond ik ook dat Duitsers een woord voor het tegenovergestelde van heimwee hebben: Fernweh, het verlangen naar onbekende situaties. Of een beetje anders uitgelegd, de tegenzin die je kunt hebben als je bijvoorbeeld van vakantie terug naar huis moet. Jammer dat wij zo’n woord niet hebben.
Betekenis, daar gaat het niet om, het gaat over gevoel en zachte zinnen. Die had de nestverlater over heimwee geschreven. Zinnen die gingen over weten dat je ergens niet hoort, en toch blijven gelovenhopendromen dat je vindt wat je zoekt. Vriend J uit de appgroep van de eerste liefdes stuurde het nummer ‘Ik kom weer thuis’ van Isabèl Usher. Best een mooie tekst over Eastpak rugzakken, de FEBO en Johan Cruijff, maar die accent grave op de e in haar naam vond ik eelsk. Eelsk. Te mooi om maar één keer in te typen. De Nederlandse betekenis van eelsk is aanstellerig (K. ter Laan in het Nieuw Groninger Woordenboek), helaas een woord met minder ziel. En een mening die in dit stukje niet thuishoort.
Heimwee, Fernweh, wat heb je eraan? Het is zinloos te verlangen naar mensen en dingen die er niet meer zijn, plekken waar je bent geweest of graag naartoe zou willen. Het gaat alleen om nu. Er is alleen maar nu. Dat zei niet alleen een oma in Oogappels, maar ook de yin-yoga juf (had ik ook graag met een y geschreven, maar wederom ook niet op z’n plek in dit stukje) en zelfs de augurkenkoning van Amsterdam.
Nu? Nu, me reet. Nu wil ik mijn vader bellen, de nestverlater een knuffel geven en een huis in Den Andel op Funda bekijken.

Omnis comparitio claudicat

Een dikke zes weken later lag ik er weer. Op de tafel bij het chakra vrouwtje. Ze zette indianenmuziek op, tenminste het klonk als mannen die geluiden uitstootten en tegelijk ritmisch met hun hand tegen hun mond klapten. Wreef een tijdje in haar handen en deed haar chakra ding. Er gebeurde van alles: ik kreeg het warm in mijn buik, er kwam hoofpijn opzetten en mijn handen en onderarmen begonnen los te raken van de tafel. Bij volle verstand dacht ik, straks zweef ik hier à la een act van Hans Klok echt een paar centimeter boven de tafel. Er gebeurde natuurlijk ook een heleboel niks en na afloop zei het chakra vrouwtje dat ik mijn arm moest loslaten. Alsof ik dat zelf niet wist?! Twee kuikens loslaten, een eend loslaten en ook nog lichaamsdelen loslaten? Ja, duh. Rustig aan. Graag. En ook graag stap voor stap.
Ik leg even uit waarom. Kijk, eerst zat ik alleen in het nest, toen kwam man E aanvliegen, er kwam een kuiken bij en na een dikke twee jaar nog één, twintig jaar later stapte er ook nog een eend in. En nu was mijn dikke linkerarm daar ook nog bijgekomen? Alleen maar, zoals alles in dat nest, om losgelaten te worden? Oh nee, zoals elke, gaat ook deze vergelijking mank.
Hoe dan ook, ik ben natuurlijk zelf het nest. Een nest zonder kuikens, maar met een dikke linkerarm. Nou zo’n nest bedank ik voor.
Het chakra vrouwtje zei ook dat ik nog heel veel liefde te geven had en dat is mooi. Maar ik bleef nog lang bij die arm in dat nest hangen, het glas is tenslotte halfleeg. En omdat het ook nog oktober is, de maand van mijn diagnose, de maand dat we afscheid namen van mijn broer, bleef ik extra lang bij die arm hangen. Om erachter te komen dat vasthouden heel logisch is. Hoe kun je je eigen arm ook loslaten?!
Nog een uitleg: het woekerweefsel en alles wat daar destijds bij hoorde kun je zien als een hele zware, zwarte taart. Eentje die ik alleen op moest eten. Dat heb ik gedaan. Maar de kers die erop zat, die was ik vergeten. Die zag ik pas een jaar of tien later. En toen lustte ik echt niet meer. En nog steeds wil ik ’m niet opeten. Omnis comparitio claudicat. Elke vergelijking gaat mank.
Zo wordt het toch nog een ongezellig stukje. Maar het is deze keer wel één geheel. In tegenstelling tot het vorige, waarin ik per se een quote over een hond en iets in het Latijn wilde frommelen. Een beetje los zand op het einde, daar zou ik wel mee wegkomen. Nou, mooi niet. Vanuit Spanje werd ik op het matje geroepen. De nestverlater legde feilloos haar vinger op mijn zere plek. Dat is wat ze doen, kuikens, of ze nu in of buiten het nest zitten.

Achternaam

Logerend in het huis waar mijn vader nooit had gewoond, viel mijn oog op een bedankkaartje. Dank waarvoor, dat doet er even niet toe, het ging mij om de afzender. Dat was een vrouw met een dubbele achternaam. Ik heb nooit begrepen waarom je, als je gaat trouwen, de naam van je aanstaande man voor die van jezelf zou zetten. Ik vind, je heet nu eenmaal zus en zo en dat zegt veel over wie je bent. Waarom zou je dat veranderen? Overigens, gedachtes over waarom de vrouw wel de naam van de man zou nemen en andersom niet, zijn sowieso doodlopend. En trouwens hoe doen mensen van hetzelfde geslacht die trouwen dat?
Diep van binnen voelde ik een identiteitsdingetje opkomen. Dat zou ik kunnen gaan onderzoeken, overdenken en wat dies meer zij (hier neemt man E het toetsenbord even over). Maar dat stelde ik lekker uit tot later die dag wanneer ik mijn tweede afspraak met het chakra-vrouwtje zou hebben gehad.
Toen man E en ik ons eerste kuiken zouden krijgen, kwam het concept achternaam natuurlijk ook op tafel. Wat zou het worden? Er waren argumenten voor en tegen mijn en mans E achternaam te over. De namen zouden uitsterven, de namen waren niet mooi, zijn naam was handiger omdat nou eenmaal bijna iedereen de naam van de vader kiest, zijn naam zou een bewijs zijn van dat hij de vader was – nou je moet eens kijken op wie ze lijken. Mijn naam zou logischer zijn, het kind kwam immers letterlijk uit mij…
Wij kwamen er niet uit en omdat man E een groter hart heeft dan ik, schonk hij mij de achternaam. En dat is maar goed ook, want die past ook een stuk beter bij kuikens en nesten. Beetje flauw dit. Enfin, ik blij en als bedankje kreeg het eerste kuiken dezelfde initiaal als man E en beloofde ik dat we nooit zouden trouwen, want dat vond hij een gedoe. Ook hier bleek mijn hart weer kleiner dan dat van hem, of beter geniepiger, we trouwden toch en tot op de dag van vandaag moet ik in nieuw gezelschap luisteren naar zijn gekleurde relaas over hoe dat jaren geleden in Las Vegas in zijn werk was gegaan. Kinderen gemanipuleerd met buitensporige bruidstaartproeverijen en limo’s op de Strip. En nee, limo is hier geen afko voor limonade.
Te ver afgedwaald. Het bedankkaartje, de dubbele achternaam. En wat mij fascineerde. De meisjesnaam van de vrouw was en ik verzin dit: Pot. De man met wie ze ooit was getrouwd heette ook Pot. Ze waren van de oude stempel ging ik van uit, zij nam dus zijn achternaam aan, zette ’m voor of achter haar meisjesnaam en heette vanaf het ja-woord Pot-Pot.
‘Als je al Pot heet, waarom zou je dan nog een keer Pot gaan heten?’ schreeuwde ik naar de bedankkaart en dat zei natuurlijk weer meer over mij dan over mevrouw Pot-Pot.
Op dit punt aangekomen had ik graag een bruggetje willen maken naar een van de mooiste zinnen uit ‘Uit het leven van een hond’ wat ik aan het lezen ben, maar ik krijg de connectie niet voor elkaar. Dan maar zonder. Hoofdpersoon Henk kijkt in de ogen van zijn hond Schurk en ziet: ‘(…) de gebruikelijke weemoed, dat hondenverdriet, een onpeilbaar inzicht in de werkelijke stand van zaken (alles gaat voorbij) dat uiteindelijk de bron is van het wezenskenmerk van canis lupus familiaris: de tomeloze levenslust.’

Op

‘Nooit gedacht dat jij in dit huis de stabielste zou zijn’, zei de nestblijver. Maar zo vast voelde ik me niet, ik was alleen maar aan het wachten. Wachten op het moment dat man E het telefoongesprek met zijn zus zou beëindigen. Wachten tot ik zeker wist dat eend J alle vluchten, shuttles en koffers had gehaald. Tot het pakket met de juiste oplaadkabel bij de nestverlater was bezorgd.
Wachten tot hond M klaar was met poepen zodat ik het op kon ruimen. Wachten op het groene licht. En op de koerier die Thai kwam brengen. Wachten tot de nestverlater iets leuks op Insta zou posten. De nestblijver weer z’n normale ritme ging oppakken en het gedoe op de uni achter de rug zou zijn. Tot hond M weer rustig zou worden. En man E zichzelf.
Wachten tot ik het op zou kunnen brengen niet alle zinnen met wachten of tot te beginnen. Wachten tot ik weer zou bedenken dat in het nu leven toch het beste is. Wachten tot het vrijdag was. Wachten tot de koffie klaar was. En ik met m’n sokken in het plasje water naast de afwasmachine zou stappen. Wachten tot het zou stoppen met regenen. Tot ik de tijd zou nemen naar een uitzending van NPO Start te kijken en mijn campingvrienden B en F te appen. Ik wachtte zelfs tot ik bij de allerlaatste aflevering van het allerlaatste seizoen van Better Call Saul zou zijn aanbeland.
Eén uur wachtte ik niet. Tijdens de yin-yoga, toen ging het niet. Focus, naar binnen gekeerd en alles vergeten, kwijt en weg.
Wachten op een bevestigingsmail van de Spaanse Avanza-bus over mijn reis. Wachten op het moment dat ik een van de twee boeken voor de boekenclub zou gaan lezen. Of eerst nog zou gaan lenen. Wachten op een doelpunt van Ajax. Wachten tot ik weer zou bijpraten met vriendin O. Op de supermarktmedewerker die mijn gescande boodschappen zou komen checken. Wachten in de wachtrij van de servicedesk van de bank om de reisverzekering uit te breiden. Wachten op reacties van lezers van dit stukje die zouden zeggen dat ze echt zat van dat gewacht waren. Wachten op kerst. Op de klok voor- nee achteruit. Wachten tot ik weer kon sporten. Drinken. Wachten, wachten, wachten. Tot het zover was. Tot ik had bedacht waarom dit plaatje en deze laatste regels bij dit stukje pasten.
‘Jij hebt grijs haar, wil je dat?’
‘Ik ben niet gespierd genoeg.’
‘En ik lijk op een meisje en ik wil een groen pakje.’
‘Veliz Navidad.’
‘Ik lijk niet op haar.’
‘Feliz.’
‘No importa si.’

Doordeweeks

Man E was voor het eerst voor zijn nieuwe baan op pad naar het buitenland. Hij appte dat ie in dezelfde wijnbar zat die wij eind mei in het regenachtige land hadden ontdekt. Die wijnbar met dat logo van dat mannetje die in de stormende (geen typefout) regen onder een paraplu een glas wijn drinkt. Ik zal er denk ik nooit achter komen wat ie precies voor werk doet, maar goed doet ie het wel. Ook met de naam van zijn nieuwe werkgever heb ik moeite, het is een afkorting en een combi van Curaçao, internationaal en trustcompany. Als je het snel uitspreekt, klinkt het als sitcom en dat is niet alleen makkelijk te onthouden, ik weet ook wat dat is. Cheers, Friends.
De nestverlater had haar eerste examen, ging wel goed spraakberichtte ze, en was voor het eerst naar een Spaanse sportschool geweest. Bijna vier weken is ze weg nu en het voelt als vier jaar. Maar ook als vier minuten. Ik heb een aftelkalender gemaakt en die boven haar bureau gehangen. Elke dag is het weer een nachtje minder en stuur ik haar een foto. Helpt dat? Ja, dat helpt.
De nestblijver typ ik, maar ik vind nestbevuiler eigenlijk grappiger, nam een homp cake, ging mee met het uitlaten van hond M en vertelde over het ongewenste gedrag van een meisje dat hem was overkomen.
Zelf zocht ik een recept voor vegan glutenvrije kwarktaart en had ik, indachtig mijn chakra-sessie van een paar weken geleden, mijn eerste yin-yoga les. Een woord dat je met Wordfeud niet eens kunt leggen. Het is gericht op het versterken en versoepelen van je bindweefsel en gewrichten. Je gebruikt je lichaam niet om in een houding te komen, maar de statische houding zorgt er juist voor dat je je lichaam beter voelt. De juf had het steeds over joints, wat ik niet begreep en zei na afloop dat dat bindweefsel was, maar gelukkig wist de nestblijver het beter: gewrichten. In de yy-les ging het ook over de herfst, loslaten, meridianen en het zacht maken van je lichaam. Kwakzalverij? Nou en.