Sfeer

{Brieven aan mijn vader}

Ha pap,

Ik was van plan dit stukje te schrijven achter je oude bureau. Maar dat kan niet, er ligt te veel troep op, onder en in. Dan maar vlak ernaast aan de tafel die je ooit wit hebt geverfd en die hier en daar butsen vertoont, afgebladderde stukjes verf. Op weg in de auto hiernaartoe, had ik daar een nostalgisch idee bij, bij je bureau. De plek waar jij altijd de administratie van de boerderij deed, ‘gebroeders’ stond er op alle afschriften van de ABN. De plek waar jouw vader altijd de administratie van de boerderij deed.
Uit het raam naast de erker zie ik vanuit een ander perspectief de grote witte boerderij waar ik ook altijd op uitkeek als ik bij oma Barbertje was. Ik denk, de bomen die eromheen staan zijn meters hoger geworden. Gek toch, pap, dat alles zich een soort van herhaalt? Jij hebt hier nooit gewoond, maar ik vind van wel. Overal staan je spullen. Het luiliggende bankstel waar hond M nu wel op mag liggen, de marmeren tafel met de keiharde punten, oh wat vond ik dat eng toen de nestblijver en -verlater nog klein waren, het Perzische kleed, de foto van de Japanse esdoorn. Natuurlijk zijn er ook andere dingen bijgekomen, maar de sfeer is van jou.
Nu je kleindochter in Spanje zit, je kleinzoon alweer derdejaars is – een eend heeft, dat heb ik je nog helemaal niet verteld?! En die eend gaat ook nog op een cruiseschip werken en drie keer raden wie er een week op dat schip gaat zitten. Zal ook wel nostalgie zijn, denk ik. Dat geloof je toch niet, pap. Dat ik toch nog een keer weer een cruise ga maken. Wat? Tuurlijk gaat de nestblijver ook mee. En drie keer raden wie dit tripje gaat betalen? Ik zie je lachen en ook een beetje met je hoofd schudden, een combinatie tussen trots en mot dat nou.
Ja, je kleindochter, ze doet het goed pap. Ze kookt, ze leert het verschil tussen de imperfecto en de indefinido, verslaapt zich, sport, eet tapas, bezoekt musea, hangt in de stad, zoekt, kan het niet vinden, maar vaak ook wel. Als ik me ongerust maak, maak ik mezelf wijs dat oma Barbertje op haar past.
Maar goed, nu mijn nestwerk erop zit, zit ik hier, in ons noorden. Nog wat onwennig en eigenlijk geen idee. Te doen wat goed voor me is? Weet jij het?Dikke smok van je dochter.

Vleugeltjes

{Brieven aan mijn vader en oma}

Ha pap, oma,

Toen ze nog geen week weg was, was het voor mij al tijd om mijn heil bij jullie te zoeken. Bovendien, ik was toch in de buurt en moest hond M uitlaten.
Zijspoor: het is maar welk narratief je voor je verhaal gebruikt. Narratief is sowieso een ongrijpbaar iets. Want hoe vertel je een verhaal, vanuit welke invalshoek schrijf je iets op? Zeg je: de ouders namen hun kinderen mee naar de demonstratie om ze te laten zien hoe belangrijk het is dat de overheid met fossiele subsidies stopt. Of: de politie pakte de ouders van de kinderen die bij de demonstratie waren op, omdat ze hun kinderen in gevaar brachten in verband met de waterkanonnen en schakelde Veilig Thuis in. Wie het weet mag het zeggen.
Ondertussen liep ik op de paadjes en rende hond M over de graven. Ik vond dat eigenlijk niet kunnen, maar niemand die het zag. Alhoewel ik me afvraag, pap, oma, of jullie dat wel oké vinden? Ik denk het niet.
Tegenover je, pap, ligt ene J. Ik vraag altijd of ik even op zijn steen mag zitten. En dan zegt J ja. Ik had een heel verhaal voor je klaar over je kleindochter. Gemis, loslaten, maar er kwam niks van. Ik zat alleen maar. Zag het maisveld, de zonnestralen tussen de oude eiken, van die vleugeltjes die uit de bomen naar beneden cirkelen. Ik hoorde insecten zoemen, vogels fladderden. En hond M lag lekker op het mos. Jij zei ook niks. Lag alleen maar.
Op weg naar jou, oma, liep ik om de grote, rode beuk die in het midden staat. Bovenin begon de herfst al te komen. Voor jou had ik geen verhaal, maar ik was nog niet bij je en ik wist: jij let op haar. Op je achterkleindochter. Net zoals je vroeger op mij lette.
Ik lijnde hond M toch maar aan en kriskraste tussen de stenen door jullie leven uit. Op naar Amsterdam, naar man E, naar de zoon en het bureau van de dochter. Maar eerst nog even langs de kaasautomaat. Ik weet niet of je weet wat dat is pap, oma jij zeker niet. Aan de Tweekarspelenweg, jullie wel bekend, is een boerderij met kaasmakerij. In een grote muur met allemaal kleine hokjes liggen achter deurtjes stukken kaas. Je kiest een stuk, tikt het nummer van het hokje in, betaalt en dan gaat het deurtje open. De kaas smaakt heel lekker en is niet duur. Net wat voor jullie.
Het was fijn pap, oma, tot de volgende keer, smok.

Badjas

Het moest en het zou. Nu het nog kon. Samen naar het kerkhof. En dan? Met zijn tweeën kijken naar twee stenen? Nog een keer fysiek met zijn vieren samen?
Ik vroeg man E waarom. Hij zei iets van krampachtig het oude gezin bij elkaar houden. Ik vroeg mijn moeder waarom. Zij herkende de behoefte niet zo. We waren de auto nog niet uitgestapt of ze haalde een sigaar uit haar koker. Het waaide. Ik ging met mijn rug in de wind staan en sloeg mijn armen zo dicht mogelijk om haar felrood gejaste schouders. Ze vroeg of ik de aansteker wilde aandoen. Toen we bij de graven stonden woei de rook in mijn gezicht. We lachten en ik ging toch maar aan de andere kant staan. Moest er een selfie komen? Nee. Of ja. Toch wel. Technisch was ie goed gelukt met dank aan de lessen van tienerdochter, maar we stonden er allebei mat op. Met een stukje zerk in het midden.
Mijn vader en mijn broer lagen onder een dikke bladerdeken. Er zweefde een beeld mijn hoofd in. De keukentafel, mijn vader aan de koffie, in een boerenbont kopje, met de Winschoter Courant. Mijn broer met een puzzel en Robert Long in de cassetterecorder. Of zit ik dat nu te verzinnen?
Een paar uur daarvoor was ik wakker geworden in mijn geboortedorp. In het huis van mijn vaders man. Ik weet niet hoe ik ’m moet noemen. Nieuwe broer? Bonusvader? Gay best friend? Hij is mijn familie.
De badjas van mijn vader hing klaar op de stoel in de logeerkamer. Toen ik de dag ervoor mijn tas inpakte dacht ik er al aan. Ik hoefde mijn dikke trui en joggingbroek niet meenemen. De jas mag ik altijd aan. In de rechterzak zitten nog steeds twee boerenzakdoeken. In het begin zat er ook nog een stukje keukenrol in, maar dat heb ik weggegooid. De zakdoeken haal ik er uit, de lange mouwen stroop ik op. Ik kruip ermee op de bank en ontbijt erin. En na het douchen trek ik ’m over mijn blote lijf weer aan. Als ik ben aangekleed, stop ik de zakdoeken weer terug en hang de jas over de stoel.
Mijn moeder en ik reden terug. Net als gisteren, ergerden we ons aan de vlaggen. Kilometers op-de-kop-vlaggen in Groningen, Friesland en Flevoland. We smeedden plannen om ze samen op te ruimen. Een aanhangwagen lenen, over de vluchtstrook rijden, de palen uit de grond trekken, de vlaggen losknippen, ze stuk voor stuk rood-wit-blauw ophangen?
Het moest en het zou. Ik vond het belangrijk.

Je bent er

{Brieven aan mijn vader}

Ik heb je lang niet geschreven papa, maar daar is niet echt een reden voor. Het is alweer oktober, de maand dat je 82 wordt, dat je zoon er al 22 jaar niet meer is, mijn kanker 13 jaar geleden. Dat de bladeren. Dat de wind, de regen en het donker.
Vorige week was het eindelijk zo ver. Man E en ik gingen bij Danny op bezoek. We zouden er in november 2020 al heen, maar vanwege corona werd het uitgesteld, verschoven en ook nog verzet. Van tevoren had ik de merchandise met de magnolia al op Instagram uitgezocht en voor de zoveelste keer geluisterd naar ‘You’re always there tomorrow’ en ‘Do you think it was easy, saying goodbye’. Die man hoeft zijn mond maar open te doen en ja inderdaad, here we go.
Ik kan je vertellen over zijn paarse pak en zwart glimmende schoenen, de Sinatra-achtige blazers, het gospelkoor, de aanzwellende violen, de superstrakke rock & roll van The Devil’s Son. Maar het ging maar om één ding en dat was jij. Je was er. Je zat naast me op de bank, met je arm om me heen, lachte tijdens het Chinees eten naar je kleinkinderen, liep achter je rollator, vroeg man E hoe dat nou zat met dat witwassen en de bank, je pootte violen, keek liefdevol en hoofdschuddend naar je man ‘Wat e nou weer kocht het’, je melkte de koeien, lag in je kist en liep hand in hand met je zoon door de Zwanestraat. Je was er.
En vanmiddag ben je er weer. Als ik naar de documentaire Cow kijk, anderhalf uur lang een koe bestuderen. Benieuwd hoe jij de film zou vinden. Zondag zal je er ook zijn, dan ga ik met man E naar een concert van Albatros, waarin je man ook zingt. Het is in de Magnuskerk, waar we afscheid van je hebben genomen. Het is de eerste keer sinds. En ik verheug me erop. Dat jij er bent. Dat we nieuwe herinneringen maken.

Stilstaan

{Brieven aan mijn vader}

Je huis is zo goed als verkocht, pap. Waar moet je nu wonen? Ga je mee met je man? Naar een mooie, rustige plek in Westerwolde? Liefst met oeverloos uitzicht over de velden? Of terug naar Zoutkamp waar je wieg stond in het dubbele huis aan de Grachtstraat? De pachtboerderij in Blijham misschien, waar je in je kinderjaren met je broer en drie zussen woonde? Waar je sierduiven hield, naar de boeren- en middenstandersgymnastiekclub ging, piano speelde en je vader hielp met de graanoogst… Of je gaat weer op kamers, of beter gezegd, in de kost want je kreeg er ’s middags een bord warm eten, aan het Hoge der Aa in Stad.
De boerderij in Bellingwolde dan? Daar heb je twee keer gewoond, eerst met je oude gezin en later toen je ouders gingen verhuizen en jij en je broer het bedrijf overnamen, trok je er met je nieuwe gezin in. Het was maar twee huizen verwijderd van het huis wat je kocht voor 26.000 gulden en waar wij zijn geboren.
Terug naar je ex-vrouw kan ook, maar ik denk niet dat dat een goed idee is. Alleen Amsterdam al… Bij mij thuis is dan ook geen optie. Ik mot er nait aan denken, in zoo’n grode stad.
En Noord-Drenthe, is dat wat? Weer in het mooie huis met het rieten dak? Waar je barbecuede op het terras naast de vijver met je kleinkinderen? Nee, te veel werk die tuin denk ik. Misschien wil je wel gewoon in het oude postkantoor blijven. Je hebt dat altijd een prachtig huis gevonden, behalve die trap dan…
Ik maak me druk over waar je nu moet wonen, maar ik vergeet helemaal te vertellen dat je man ’t hoes nait verschoten het. Echt, de prijs is goed, sowieso meer dan 26.000 gulden, en daarmee kan hij weer verder.
Maar ik wil graag nog een tijdje stilstaan. Voordat de dozen komen, het opruimen begint en al je spullen ook door mijn handen gaan. De strippenkaarten die je nog bewaard hebt, ook al heb je nog nooit een GADO-bus van binnen gezien. Het diploma van de Middelbare Landbouwschool, de foto’s die ik je voor het digitale tijdperk gaf van je kleinkinderen, netjes bij elkaar in een envelop. Je roze poloshirt, je bril, je portglazen, je badjas, de bloempotten, het gereedschap dat nog uit de boerderij komt, je sigaretten…  
Misschien moet je gewoon bij je zoon blijven. Daar waar je altijd zult zijn, samen in het land van de baauwten en de boerderijen.