Afgewezen

Het was een woelige zomer geweest. De eend was weggevlogen, de dochter was nu echt het huis uit, de zoon ging over een maand verhuizen, man E werd 50 en gaf een feest waar te veel tegen zat, maar wat mij nog het meest verbijsterde was de afwijzing door de supportersvereniging van Ajax. Ik had daar gesolliciteerd als schrijver. In het bericht op Instagram stond dat ze mensen zochten die pakkende en foutloze stukjes tekst konden schrijven. Ik was ervan overtuigd dat ik de gedroomde kandidaat was, maar daar dacht de AFCA Supportersclub anders over. Ik mailde bestuurslid L, of ie misschien de afwijzing wat kon toelichten. En, ik moet zeggen, het was de beste afwijzing die ik ooit heb gehad. (Wij zijn Ajax, wij zijn de beste afwijzers.) Hij schreef dat het niets met mijn schrijfvaardigheid te maken had, maar dat ik de binding met de Supportersclub en zijn achterban meer miste dan andere kandidaten. Dat behoeft enige uitleg:
Ik had een link meegestuurd van dit blog, het stukje over Clubliefde, en daar was het misgegaan. Specifiek bij de passage: ‘En er zijn heel veel andere mensen die ook van mijn club houden. Mannen bijvoorbeeld die willen dat Marc Overmars terugkomt.’
Mijn ideeën over Overmars bleken in schril contrast te staan met die van de supportersvereniging. L had er een link bij gedaan waarin werd gepleit voor de terugkeer van Overmars. ‘Marc, wij hebben je nooit laten vallen en dat zullen we ook niet gaan doen. (…) En als mensen het veld moeten ruimen om tot een terugkeer van jou te komen, dan is dat maar zo.’
Jammer dat ik het veld al moest ruimen, nog voordat ik erop had gestaan. Maar goed, ik bedankte L voor de moeite die hij in de afwijzing had gestoken, dacht er nog even over om een dickpic mee te sturen, maar vond dat toch te flauw.
De hele toestand deed mij denken aan mijn baan als eindredacteur van het personeelsblad van Joop van den Ende, nog voor de tijd met Endemol en zonder de musicals, ook daar was geen plek voor eventuele kritische geluiden. Ex R wist het treffend te verbeelden met bovenstaande foto.
‘Eenheidsworst, die supportersclub’, schreef hij erbij.
Ik blijf bij mijn principes, maar ik blijf ook lid van de AFCASC, anders krijg ik geen kaarten voor de Europese wedstrijden.

Waalze bonen

{Gesprek met mijn vader}
Aardappelen, bieten, rogge, maar dit? Wat is dit? Jij weet vast wel hoe dit heet. Oh, het zijn tuinbonen. Dat heb ik nog nooit gezien, hier in Westerwolde. Een hele akker vol. Sowieso prachtig deze omgeving. Ik vraag me af of we hier ooit wel eens samen zijn geweest. Die theetuin, ken je die? Vanuit Bellingwolde rij je langs het hertenkamp – dat is er nog steeds! -helemaal door Vriescheloo en dan nog een klein stukje en dan ben je d’r. Net alsof je thuis op vakantie bent.
Het was zo’n mooie dag vandaag pap, daar was ik ook wel aan toe. Na dat feest van je schoonzoon. Met 35 mensen over de vloer en alles zelf gedaan en geregeld (je schoonzoon hoestend en ik herstellend van een griep) en geen afwasmachine en een verstopte gootsteen en ook niet echt mooi weer.
We hadden die zangeres weer gevraagd die er ook was met ons 1-jarig huwelijk. Smartlappen leren, met glijers en een snik. Was echt superleuk. Had jij toen ook uit volle borst meegedaan of stond je lekker achteraf te roken? Ik herinner me het niet meer.
Het was een mooi feest, met een speech, heerlijke pulled pork, een winnend Nederlands elftal, blije gasten, je kleindochter die meer dan tientallen cocktails maakte en een lachende kleinzoon. Gelukkig.
En nu zit ik hier bij je steen met je te praten. Tuinbonen zijn het dus. Hoe zeg je dat in het Gronings? Waikschilde bonen of Waalze bonen? En had ik je al verteld dat ze er niet meer is? Ja inderdaad, dat maakt mijn leven een stuk gemakkelijker. Ook al trek ik nu vaker de zorgmantel voor mama aan. Maar af en toe hang ik ‘m ook aan de kapstok hoor.
Het is gek, zo laat ‘s avonds ben ik hier op het kerkhof nog nooit geweest. Dus dan liggen jullie hier ook gewoon? Ook als het donker wordt?
Je man en ik zagen net een ree, hij leek wel oranje. Hij liep op z’n dooie gemak door het weiland dat achter de tuin ligt. Wij keken en barbecueden, zaten bij de houtkachel, lachten en praatten. En ook over jou.

Wedstrijdje

In de huur-Skoda op weg van Žabljak naar Perast zat ik een wedstrijdje te doen. Alleen. Man E deed niet mee. Van alle auto’s die we onderweg zagen, moest ik de plaats waar ze vandaan kwamen goed hebben. De Montenegrijnse kentekens begonnen met een afkorting van de plaats van herkomst: KO Kotor, PG Podgorica, BU Budva, HN Herceg Novi. Ik genoot van het wedstrijdje, ik had alles goed en alles wat ik niet wist telde niet, want die auto’s kwamen uit Bosnië en Herzegovina, Servië, Kroatië…
Het was best een lang tripje want haarspeldbochten en werk aan de weg, dus we zetten de playlist ‘Nederlands’ van man E aan. Daar schalde StAD al door de speakers: Hou roar je ook binnen, t is beter as gewoon.
En Jeroen van Merwijk, ook prachtig: Je komt er, het is niet anders, steeds meer achter in je leven, niets is voor altijd.
Maar toen stak het mes toe, Bram Vermeulen zong:
Het is een wedstrijd
Die je niet winnen kan
Het is een wedstrijd
Die niemand winnen kan
Papa, kijk dan
Papa, kijk dan naar mij

Maar papa keek niet naar mij, hij keek naar zijn zoon. 55 jaar en ik liep er voor de 555e keer tegenaan. Oh ja… dáár kwam dat competitieve vandaan. Winnen is belangrijker dan meedoen.
Ondertussen hadden we onze bestemming, de baai van Kotor, bereikt. Een kleine vijf jaar geleden was ik daar ook met diezelfde papa. We voeren toen van het grote schip met een tender naar de kade en vandaar met een klein bootje naar het beroemde eilandje met de kerk met de knalblauwe koepel in Perast. In de smorende hitte lunchten we op het mooiste zeeterras ooit. Na het eten rustte papa uit in de schaduw van de kerk en ik ging shoppen. Er was een boerin uit de bergen met zelfgebreide schapenwollen mutsen en handschoenen die ik niet kocht. Spijt.
De eerste avond zaten man E en ik op ons privé strandje in de baai, we dronken wijn uit de omgeving en aten net gevangen garnalen en dorade van de grill. Ik staarde de bocht om, daar waar de cruiseschepen aanmeerden. Daar zaten we, pap en ik, op het bovenste dek met een glas witte wijn en een baco. We proostten en hij keek naar mij.
‘s Nachts deed ik weer een wedstrijdje, deze keer was wondroos mijn tegenstander. Na een dikke 48 uur won ik, met behulp van mijn antibiotica vrienden. Oké, ik had valsgespeeld, maar het alternatief was geen optie.
Op dag drie reden we naar Perast. ‘BR Bar,’ zei man E, toen hij het kenteken van de geparkeerde auto naast ons zag. De boerin was er niet, het terras nog wel.

Tête-à-tête

In de fluisterboot die wij ter ere van onze achtentwintigjarige verkering hadden gehuurd, verraste man E mij weer eens met zijn kennis van de Oudhollandse woordenschat. Hij dacht terug aan het publiek dat aan de kant zat tijdens het districtskampioenschap Tête-à-tête waar hij de dag ervoor bij de Bouledozers (ik verzin dit niet) in Hoorn had gespeeld. Volgens hem waren het mensen van verschillend allooi en divers pluimage. Toen we uitgelachen waren, hoorde ik hem ook nog plompverloren zeggen ‘Zijn dat geen lisdodden?’. Refererend aan een soort van gele irissen langs de oever. Man E en flora? Na al die jaren kon hij nog steeds verrassend uit de hoek komen. Thuis zocht ik het op en inderdaad, de oevers van de slootjes rondom Broek in Waterland waren bezaaid met lisdodden.
Een paar dagen ervoor was ik druk met mijn allereerste verkering uit 1984 die drie weken duurde, ook met een E. Over hem heb ik eerder een stukje geschreven, Amandelring:

Hij kwam terug met twee pilsjes in één hand. Ze nam een slok en bleef lachen, ondanks de bittere smaak in haar mond. Hij keek opzij, met ogen vol bravoure, tenminste dat hoopte ze. Zo bleven ze een tijdje staan. Aan de zijkant van de drukke dansvloer. In een paar teugen had hij z’n glas leeg, toen keek hij haar echt heel lang en veelbelovend aan. Ze wilde haar glas wegzetten, maar durfde niet te bewegen. Alles gewoon over je heen laten komen, was het laatste wat ze dacht. Zijn hoofd met het prachtige rode haar kwam dichterbij.

Samen met vriendin M, die vroeger E’s échte grote liefde was, bezocht ik de première, of beter veurstellen, van ‘Peter en Erik’. Een docu over het bijzondere verhaal van een eeneiige tweeling. Hun ongehuwde moeder staat hen na de geboorte in 1967 onder dwang af en de tweelingbroers worden tegen haar wens in gescheiden en geplaatst in twee verschillende adoptiegezinnen. De broers weten niets af van elkaars bestaan, tot hun levens bij toeval na zeventien jaar bij elkaar komen. Centraal staat de grote vraag: Waarom? Waarom zijn ze destijds uit elkaar gehaald? Op 23 en 24 mei wordt de docu uitgezonden op NPO2. Gaat dat zien! Gaat dat zien!
Naast het bizarre verhaal over de scheiding van de tweeling, bleven mij vooral de combinatie van Groningse en Amsterdamse beelden bij. De prachtige boerderij in Middelstum van Peter en de trams die langs de Amsterdamse archieven reden waar de broers een antwoord hoopten te vinden op de grote vraag. Ook opvallend was de thee. In nagenoeg alle scenes dronk de tweeling thee. Bij iedere kop keken vriendin M en ik elkaar lachend aan. Thee. Twee thee. Na afloop kon ik het niet laten een selfie met de eerste E te maken om naar de interrailende dochter te sturen. ‘Cute’, antwoordde ze.

Volwassenachtig

Op 4 mei liep ik een rondje langs de akkers aan de Nieuweweg en het B.L. Tijdenskanaal in Bellingwolde. Na 7 kilometer kwam ik hijgend op de begraafplaats aan. Het was bijna vier jaar geleden, ik wilde de grote rode beuk graag weer eens zien en nou ja gewoon het was er de tijd voor. Voorzichtig ging ik op de rand van het graf ertegenover zitten. De bomen erachter straalden in frisgroen, in de velden ernaast wuifde vers gras. De woorden op de stenen – vader, verbonden, broer, gehecht – bonkten in mijn hoofd. Hier lag de helft van ons oude gezin. Dat waren er echt te veel. Dat vond mijn vader ook, maar ik moest het er van hem maar mee doen. ‘Most moar mit dien moeke op pad goan’, hoorde ik ineens in mijn hoofd.
Ik wilde langer op deze geruststellende plek blijven, ook nog even bij oma Barbertje langs, maar door het hardlopen speelden mijn darmen op. Toen ik de Kerkweg weer op rende, vloog er een Vlaamse gaai langs.
’s Avonds thuis op de bank zapte ik langs het Jeugdjournaal waarin Izak Salomons, 2 jaar toen de Tweede Wereldoorlog begon, vertelde wat hij in die tijd had meegemaakt. Gedeporteerd naar Westerbork, Bergen-Belsen. Koolraapsoep had hij nooit meer gegeten. Dat er ook nu nog elke dag wordt gevochten, daar begreep hij niks van. Kinderachtig vond hij niet het juiste woord om te omschrijven hoe de mensen nog steeds met elkaar omgaan. Kinderen zouden zich immers nooit zo gedragen. Volwassenachtig, dát was pas erg.
De volgende dag vertelde de zoon dat tijdens de derde helft van de wedstrijd Heidrunn – Gerstenat (10-2) de tv in de kantine tegen acht uur switchte van Girona – Barcelona (4-2) naar de Dodenherdenking op de Dam. Tientallen lallende twintigers waren tot tweeënhalve minuut over acht stil geweest. Het had meer indruk gemaakt zei hij, dan al die jaren dat ie thuis met ons op de bank naar de plechtigheid moest kijken. Vond ik nogal kinderachtig.