Geheugen

De opslagcapaciteit van mijn iPhone was vol. iCloud, upgraden, reservekopie, ik haat die woorden en hoe het moet al helemaal. Maar het allerergste vind ik nog dat er, in geval van ‘geheugen vol’ bij de app Instellingen zo’n rood cirkeltje staat, die je dus alleen maar weg krijgt door iCloud, upgraden of reservekopie. Sowieso rode cirkeltjes met een cijfer erin bij de apps, dat moet niet. Het moet schoon, leeg en opgeruimd, daarom zit ik zo ongelooflijk vaak op mijn telefoon. Maar het stopt nooit.
Anyway, via seniorweb op YouTube – ik ben nog net niet zo oud dat ik JoeTjoep zeg, maar wel oud genoeg voor seniorweb – kwam ik erachter hoe ik de foto’s en video’s van de telefoon makkelijk op de laptop kreeg. Die nemen nu eenmaal het grootste gedeelte van het geheugen in. Toen alle bestanden in een nieuwe map op mijn computer stonden, kon ik de iPhone gaan opschonen. Te beginnen in 2020 om in dat jaar ook onmiddellijk weer te stoppen, want: allemaal foto’s van de laatste maanden met mijn vader. Bijna vier jaar geleden alweer. Ik zag hem in een Noors fjord, in een bus bij Strokartonfabriek De Toekomst in Scheemda, met zijn broer op het huwelijk van onze jongste neef… En foto’s van foto’s van vroeger, van zwart-wit bij de vijver met ganzen op de boerderij in Blijham, met zijn vader en broer ergens op een uitzichtpunt tot kleur met mij en mijn broertje op schoot, verliefd lachend naar moeder A. Stuk voor stuk mooie herinneringen, tot natuurlijk de onvermijdelijke foto’s van de laatste fase zich aandienden. Het prachtige witte bloemstuk met berkentakken en witte sieruien, het dansende licht door de bomen bij de kerk in Bellingwolde.
Ook al stonden ze allemaal op de laptop, hoe kon ik die foto’s nou verwijderen?
Ik scrolde verder. Vier jaar zonder. Maar mét tig vakanties in Frankrijk, een geslaagde zoon, een ingepakte Arc de Triomph, twee landskampioenschappen van Ajax (…), een dochter met een oorpiercing, een arm vol oedeem, zaalhockey, hond M met een teek, de hele echte Finse kerstman, een geslaagde dochter, Ierse uitzichten met man E, een zoon in rokkostuum, een nieuwe auto, een cruiseschip in een azuurblauwe zee, een zoon en een dochter achter de bar… Vakanties, kerst en Groningse luchten, het ging maar door.
Met hulp van alweer seniorweb selecteerde ik alle video’s en flikkerde ze in de prullenmand. Het rode cirkeltje verdween (!). En er was genoeg plek voor toekomstige foto’s van Montenegrijnse bergen, selfies van de dochter uit KopenhagenBerlijnPraagBudapestBarcelonaMadrid, het 50jarige feest van man E, kiekjes uit Thailand van de zoon en de eend, tig keer Frankrijk, de Utrechtse kamer van de dochter, de Amsterdamse van de zoon, een kerst in de zon… net zoveel tot het geheugen weer was volgelopen. En de herinneringen zonder zich nog verder hadden opgestapeld.

Tipi

{Brieven aan mijn broer}

Lieve broer,

Een tijdje heb ik niet aan je gedacht, maar afgelopen week was je er echt. Ik was bij mama thuis, waar iets heel geks gebeurde. Mama’s vrouw kon niet meer leven. Net als jij eigenlijk, zoveel jaar geleden. Ze zat in de stoel die nog van mama’s moeder, oma Grietje, was geweest en mama zat dicht naast haar. Al haar kinderen waren er ook, die ken je vast nog wel van toen we vroeger in de Waalstraat kwamen. En ook nog kleinkinderen, die zijn nieuw voor jou.
Langzaam stopte ze met leven, ik zag het niet, maar hoorde mama huilen en keek strak naar het plankje in de boekenkast waarop jouw foto’s staan. Je horloge, je gestipte bretels, een cassettebandje van Herman van Veen en je blauwe portemonnee. Op de ene foto vier je je 30e verjaardag, zelfs een corsage heb je op en op de andere zit je te puzzelen met de bretels aan. Hupselen zou papa zeggen. Nou, zo konden we mooi samen mama troosten. Want het was allemaal erg verdrietig.
Langzaam ging iedereen weg en bleven mama en ik achter. We wachtten een tijdje op mensen die mama’s vrouw kwamen halen om haar in orde te maken. Mama wilde graag dat ze in een roze-meisjesbaby-kleur deken in een rieten mand kwam te liggen, dat hadden ze nog samen uitgezocht, en daar zijn speciale mensen voor die dat regelen. Toen dat klaar was, ze kwamen met een zwarte-roet-kleur Mercedes bus, zuchtte mama diep. Ze pakte een sigaar uit haar leren kokertje, stak ’m midden in de kamer aan en zei: ‘Dit moet nu even.’ Ik zat meteen in de rook en we lachten allebei hard. En toen dronken we nog te veel wijn en port en was het erg gezellig.
Een paar dagen later kwam er een grote bus voorrijden, ook een Mercedes, maar een grijze-duif-kleur. Daar gingen we met echt heel veel mensen in. Wat had jij dat ook geweldig gevonden! Het was net of we met z’n allen naar de dierentuin in Emmen gingen. Je zwager E hielp ook mee de mand van de trap af en in de bus te tillen. Dat ging allemaal best lastig, een beetje net als toen ze papa over de hekjes van zijn dakterras de lift in moesten tillen.
De bus reed dwars door Amsterdam en alle kleinkinderen van mama en haar vrouw, er waren er zeven, zongen keihard mee met de Kauwgomballen-boom.
Midden in het tuintje van m’n ouwe malle oom
Staat een kauwgomballenboom
Een echte kauwgomballenboom

Je kent ze allemaal niet, maar vroeger gingen je neef E en je nicht L vaak met kleindochters R en K bij de oma’s logeren. Ze hadden elkaar al heel lang niet meer gezien, maar begonnen direct te praten over de oma-weekenden van lang geleden. Over hoe ze samen in bad hadden gezeten, gespeeld in kartonnen huisjes, stiekem lippenstift van de oma’s hadden opgedaan…
Nou ja, toen waren we in een soort van kerk. Mama was heel moe en ging in een hoekje een kop thee drinken met een koekje. Er kwamen heel veel mensen met bloemen en alle kleinkinderen knipten de stelen van de bloemen af en legden ze netjes in de mand op de roze deken. Heel mooi was dat. Ze staken ook allemaal een kaars aan voor hun oma. Er gingen telefoons af, de muziek was eerst te zacht en duurde langer dan dat mama had afgesproken, die was daar kwaad over, maar gelukkig ging het later goed.
Mama hield een heel verhaal over haar liefde, en dat was mooi. Ik stond achter haar en voelde me goed in mijn nieuwe lichtblauwe-lucht-kleur pak. De hapjes waren heerlijk, er was zalm en eiersalade en heel veel bitterballen met mosterd. Er was ook cola, maar die hadden ze niet op tafel gezet. Dat was voor jou dan wel jammer, maar oké. Weet je wie er ook waren? Onze kippenoom, en papa’s man natuurlijk en onze lieve nichtjes H en M, met hun hele fijne mannen. En ook nog de vrouw van de dominee van vroeger, die was echt heel lief, en begon direct te praten over oma Barbertje.
De borrel was afgelopen en we gingen weer de bus in, vlak langs mama’s oude huis reden we. Toen ging de mand op een kar en liepen we naar een soort van tent, in Amsterdam noemen ze dat de tipi, en daar lieten we de mand met mama’s vrouw erin achter. Mama huilde toen echt heel erg, net als toen met jou. Maar ze was weer blij toen ze in onze achtertuin zat te roken en heel veel eten van je zwager E kreeg.
Vandaag ging ik even kijken hoe het met haar was. Af en toe huilde ze, maar ze had ook zin om vanmiddag naar de kapper te gaan en cashewnootjes te kopen.
Zo, nou weet je hoe het gegaan is. Dag lieve broer. Kus van je zus.

Boulodrome

Afgelopen weekend ging ik voor het eerst kijken bij man E die zijn laatste wedstrijd voor de NPC speelde, de Nationale Petanque Competitie. Vroeg in de ochtend was hij al vertrokken, een competitiewedstrijd neemt al snel de hele dag in beslag en vlak voor de laatste wedstrijd van die dag kwam ook ik aan bij PUK (Petanque Union Kennemerland), waar het bord ‘Boulodrome’, mij rechtsaf wees. Het zou die dag niet de laatste keer zijn dat ik verbaasd mijn wenkbrauwen op trok. De boulodrome van PUK bleek de grootste jeu-de-boules hal van Nederland te zijn. In het midden van de hal liep een betegeld looppad met aan weerszijden vele vierkante meters met grind, grind en nog eens grind. Beide helften waren verdeeld in drie vakken en in ieder van die drie vakken waren drie partijen gaande. Wat erop neer kwam dat er tegelijk 96 mensen stonden te jeu de boulen. Er werden mensen gewisseld, tactieken veranderd, vonken schoten van de weggeschoten ballen af. Ik had deze bezigheid van man E toch echt onderschat. Coach T legde de kneepjes van het spel uit: schieten (om een bal van de tegenstander proberen ver weg van de but te krijgen), plaatsen (je eigen bal dichtbij de but proberen te krijgen), triplet (drie tegen drie), doublet (twee tegen twee), mène (werpronde), er ging een wereld voor mij open. Het team van man E verloor, maar dat gaf niks want de tweede plaats in de een-na-hoogste divisie was allang veiliggesteld.
Om bij te komen van alle indrukken vermaakte ik mij met de leukste namen van andere petanque clubs zoals daar waren de Gooiers uit het Gooi, de Boule de Boel, Mooie Boule, Kets Up… nee dan toch liever de club PUK van man E, ook al kreeg ik een woedeaanval tijdens het luisteren naar hun clublied dat was gebaseerd op een lied van een club uit 010.

Pukkers, Pukkers wat gaan we doen vandaag,
wij gaan winnen alleen met hoeveel is de vraag.

Overigens had ik wel een geanimeerd gesprek met een supporter uit die contreien die feilloos de vinger op de zere Ajax plek wist te leggen.
Het eerste team was kampioen van Nederland geworden, kreeg een kampioensshirt met rood-wit-blauwe vlag en al, een knoert van een beker, een taart met een foto van het winnende team en er was Chinees voor iedereen.
Ik hoorde van verschillende mensen dat het gat tussen team 1 en team 2 groot was en vroeg me af waar dat niveauverschil vandaan kwam. De petanquers die ik erover sprak, vertelden dat het met leeftijd te maken had – alhoewel er in het eerste ook een meisje van 18 zat – en met hoeveel en vaak je traint. Maar misschien hielp het ook wel dat je een bepaald karakter had dat ervoor zorgde dat je je mentaal in alle omstandigheden goed kon blijven focussen. Wat voor karakter dat dan precies was, werd er helaas niet bij verteld.
De berg babi pangang was op, het bier bleef rijkelijk vloeien en ik hoorde man E het hardst lachen van iedereen. Ik was blij dat ik zijn wereld een keer had meegemaakt, blij dat hij zich daar zo in thuis voelde en blij dat we samen weer naar huis gingen.

Kinkermoeder

Lang, lang geleden was er eens een vrouw die mijn moeder ‘Kinkermoeder’ noemde. Daarmee doelde ze op de relatie die moeder A en ik hebben. De Kinkerstraat in Amsterdam Oud-West was een echte arbeidersbuurt met een sterk buurtgevoel. De huizen waren klein, stonden dicht bij elkaar en de sociale controle was groot. De zonen traden in het voetspoor van hun vaders, de dochters deden hun moeders na. Kinkermoeders en -dochters dronken vaak samen koffie, gingen samen naar de Ten Katemarkt, hadden dezelfde kledingsmaak, hun huizen lagen vlak bij elkaar en natuurlijk paste de Kinkeroma op de Kinkerkleinkinderen. Tenminste, ik denk dat het er in die buurt zo aan toe ging.
In dat verre, verre verleden voelde ik mij aangesproken en vroeg ik mij af of ik wel zelf keuzes maakte of gemakshalve maar alles kopieerde van moeder A?
In therapie leerde ik veel bij en weinig af. Ik kwam erachter dat ik moeder A op een voetstuk had geplaatst. En dat het gezonder zou zijn als ik haar daarvan af zou halen. Met de nodige ruzies, verwijten en het bijbehorende verdriet lukte dat. Ik schopte de pilaar omver, zette haar met beide benen op de grond en hield haar tegen als ze er weer op wilde klimmen. We gingen graag samen uit eten, dronken nog liever een borrel, koesterden allebei weinig ambitie, hadden dezelfde slappe lach, kregen allebei kanker (en nee, die grap ga ik niet maken) en verheugden ons op het gezamenlijk zomerleven in Frankrijk.
Jaren en jaren bij de psycholoog om erachter te komen dat ik nooit Kinkerdochter ben genoemd en toch blij ben dat ik er één ben.

Dispuut

Als je altijd hebt geroepen dat je zo’n hekel hebt aan disputen en je zoon wordt er lid van, wat doe je dan? Nou, eerst maar eens hoofdschuddend het witte dispuutshemd met geborduurd logo in de wasmachine stoppen. Dan nadenken wat je bezwaren zijn en waar die vandaan komen. En tot slot is het misschien wel een goed idee om naar de beweegredenen van de zoon te luisteren. Zonder vooringenomenheid. Moeilijk, moeilijk.
In de jaren tachtig was het in linkse alfakringen not done om bij een studentenvereniging te gaan. In mijn beleving stond dat gelijk aan kak, zuipen, rechts, corpsballen. Zulke nieuwe vrienden hoefde ik echt niet. Dat had ook met mijn eigen schijterigheid te maken, want veel van die mensen kwamen uit de enge Randstad en stel dat ik niet gevraagd zou worden bij een dispuut, wat voor loser zou ik dan zijn? En ontgroenen? Dat nooit. Wie liet zich nou vrijwillig vernederen?
Nou ja, de bloedeigen zoon dus. Maar dat viel echt reuze mee, bezwoer hij. Niet alle activiteiten waren verplicht en van echte vernederingen was geen sprake. Het was gewoon een hoop lol, modder, nachtelijke wandelingen en bier geweest. Bovendien hoefde hij vrouwen niet op bangalijsten te plaatsen of sperma-emmers te noemen, geen ganzen in z’n kamer te huisvesten en was hij niet geschopt noch geslagen. ‘Je creëert echt een band met elkaar als je samen moet afzien’, zei hij. ‘Mijn dispuut heeft respect voor elkaar en anderen.’ Ik probeerde dat te geloven.
Hij was dan ook geen lid geworden van een dispuut van het échte koor, zoals het Groningse Vindicat atque Polit, ‘handhaaft en beschaaft’ of het Amsterdamse A.S.C. Honestum petimus usque, ‘wij streven naar het edele’ of Minerva uit Leiden, Virtusconcordiafides, ‘deugd, eensgezindheid, trouw’. Hij hoorde gewoon bij dispuut Heidrunn, ‘op d’uwe!’ – van studentenroeivereniging Skøll, ‘niets anders dan je eigen talent en motivatie mag je verhinderen het hoogst haalbare uit jezelf te halen’.
Toen ik het overhemd de wasmachine inpropte nam ik het zwartrode borduurwerkje eens goed in me op. Een tekening van een geit en de namen van het dispuut en de roeivereniging. Waar kwam die geit vandaan? En wat een vreemde naam, Heidrunn. Wiki wist te melden dat het dispuut de naam verkeerd gespeld had. Het was Heiðrun, een magische geit uit de Noordse mythologie. Uit de spenen van Heiðrun vloeide honingwijn en daarmee vulde de geit iedere dag een vat (toch jammer dat het geen emmer was) groot genoeg om alle gesneuvelde krijgers uit het Walhalla dronken te voeren. Met als pluspunt dat ze aan die wijn geen kater over hielden.
Ja, dat was een duidelijk disputen-verhaal, maar vanwaar die verkeerde spelling? De zoon had geen idee waar die extra n vandaan kwam En die gekke d dan? Wie weet was de ð te moeilijk om op de hemden en dassen te borduren.
Skøll, zocht ik nog even op, was ook een figuur uit de Noordse mythologie, een wolf. En net als Heiðrun, verkeerd gespeld. De naam van de wolf is Sköll, Skol is een internationaal biermerk en ‘skål’ is Noors voor proost.
Maar goed, dat zal dat dispuut vast allemaal gemekker vinden.