Boulodrome

Afgelopen weekend ging ik voor het eerst kijken bij man E die zijn laatste wedstrijd voor de NPC speelde, de Nationale Petanque Competitie. Vroeg in de ochtend was hij al vertrokken, een competitiewedstrijd neemt al snel de hele dag in beslag en vlak voor de laatste wedstrijd van die dag kwam ook ik aan bij PUK (Petanque Union Kennemerland), waar het bord ‘Boulodrome’, mij rechtsaf wees. Het zou die dag niet de laatste keer zijn dat ik verbaasd mijn wenkbrauwen op trok. De boulodrome van PUK bleek de grootste jeu-de-boules hal van Nederland te zijn. In het midden van de hal liep een betegeld looppad met aan weerszijden vele vierkante meters met grind, grind en nog eens grind. Beide helften waren verdeeld in drie vakken en in ieder van die drie vakken waren drie partijen gaande. Wat erop neer kwam dat er tegelijk 96 mensen stonden te jeu de boulen. Er werden mensen gewisseld, tactieken veranderd, vonken schoten van de weggeschoten ballen af. Ik had deze bezigheid van man E toch echt onderschat. Coach T legde de kneepjes van het spel uit: schieten (om een bal van de tegenstander proberen ver weg van de but te krijgen), plaatsen (je eigen bal dichtbij de but proberen te krijgen), triplet (drie tegen drie), doublet (twee tegen twee), mène (werpronde), er ging een wereld voor mij open. Het team van man E verloor, maar dat gaf niks want de tweede plaats in de een-na-hoogste divisie was allang veiliggesteld.
Om bij te komen van alle indrukken vermaakte ik mij met de leukste namen van andere petanque clubs zoals daar waren de Gooiers uit het Gooi, de Boule de Boel, Mooie Boule, Kets Up… nee dan toch liever de club PUK van man E, ook al kreeg ik een woedeaanval tijdens het luisteren naar hun clublied dat was gebaseerd op een lied van een club uit 010.

Pukkers, Pukkers wat gaan we doen vandaag,
wij gaan winnen alleen met hoeveel is de vraag.

Overigens had ik wel een geanimeerd gesprek met een supporter uit die contreien die feilloos de vinger op de zere Ajax plek wist te leggen.
Het eerste team was kampioen van Nederland geworden, kreeg een kampioensshirt met rood-wit-blauwe vlag en al, een knoert van een beker, een taart met een foto van het winnende team en er was Chinees voor iedereen.
Ik hoorde van verschillende mensen dat het gat tussen team 1 en team 2 groot was en vroeg me af waar dat niveauverschil vandaan kwam. De petanquers die ik erover sprak, vertelden dat het met leeftijd te maken had – alhoewel er in het eerste ook een meisje van 18 zat – en met hoeveel en vaak je traint. Maar misschien hielp het ook wel dat je een bepaald karakter had dat ervoor zorgde dat je je mentaal in alle omstandigheden goed kon blijven focussen. Wat voor karakter dat dan precies was, werd er helaas niet bij verteld.
De berg babi pangang was op, het bier bleef rijkelijk vloeien en ik hoorde man E het hardst lachen van iedereen. Ik was blij dat ik zijn wereld een keer had meegemaakt, blij dat hij zich daar zo in thuis voelde en blij dat we samen weer naar huis gingen.

Kinkermoeder

Lang, lang geleden was er eens een vrouw die mijn moeder ‘Kinkermoeder’ noemde. Daarmee doelde ze op de relatie die moeder A en ik hebben. De Kinkerstraat in Amsterdam Oud-West was een echte arbeidersbuurt met een sterk buurtgevoel. De huizen waren klein, stonden dicht bij elkaar en de sociale controle was groot. De zonen traden in het voetspoor van hun vaders, de dochters deden hun moeders na. Kinkermoeders en -dochters dronken vaak samen koffie, gingen samen naar de Ten Katemarkt, hadden dezelfde kledingsmaak, hun huizen lagen vlak bij elkaar en natuurlijk paste de Kinkeroma op de Kinkerkleinkinderen. Tenminste, ik denk dat het er in die buurt zo aan toe ging.
In dat verre, verre verleden voelde ik mij aangesproken en vroeg ik mij af of ik wel zelf keuzes maakte of gemakshalve maar alles kopieerde van moeder A?
In therapie leerde ik veel bij en weinig af. Ik kwam erachter dat ik moeder A op een voetstuk had geplaatst. En dat het gezonder zou zijn als ik haar daarvan af zou halen. Met de nodige ruzies, verwijten en het bijbehorende verdriet lukte dat. Ik schopte de pilaar omver, zette haar met beide benen op de grond en hield haar tegen als ze er weer op wilde klimmen. We gingen graag samen uit eten, dronken nog liever een borrel, koesterden allebei weinig ambitie, hadden dezelfde slappe lach, kregen allebei kanker (en nee, die grap ga ik niet maken) en verheugden ons op het gezamenlijk zomerleven in Frankrijk.
Jaren en jaren bij de psycholoog om erachter te komen dat ik nooit Kinkerdochter ben genoemd en toch blij ben dat ik er één ben.

Dispuut

Als je altijd hebt geroepen dat je zo’n hekel hebt aan disputen en je zoon wordt er lid van, wat doe je dan? Nou, eerst maar eens hoofdschuddend het witte dispuutshemd met geborduurd logo in de wasmachine stoppen. Dan nadenken wat je bezwaren zijn en waar die vandaan komen. En tot slot is het misschien wel een goed idee om naar de beweegredenen van de zoon te luisteren. Zonder vooringenomenheid. Moeilijk, moeilijk.
In de jaren tachtig was het in linkse alfakringen not done om bij een studentenvereniging te gaan. In mijn beleving stond dat gelijk aan kak, zuipen, rechts, corpsballen. Zulke nieuwe vrienden hoefde ik echt niet. Dat had ook met mijn eigen schijterigheid te maken, want veel van die mensen kwamen uit de enge Randstad en stel dat ik niet gevraagd zou worden bij een dispuut, wat voor loser zou ik dan zijn? En ontgroenen? Dat nooit. Wie liet zich nou vrijwillig vernederen?
Nou ja, de bloedeigen zoon dus. Maar dat viel echt reuze mee, bezwoer hij. Niet alle activiteiten waren verplicht en van echte vernederingen was geen sprake. Het was gewoon een hoop lol, modder, nachtelijke wandelingen en bier geweest. Bovendien hoefde hij vrouwen niet op bangalijsten te plaatsen of sperma-emmers te noemen, geen ganzen in z’n kamer te huisvesten en was hij niet geschopt noch geslagen. ‘Je creëert echt een band met elkaar als je samen moet afzien’, zei hij. ‘Mijn dispuut heeft respect voor elkaar en anderen.’ Ik probeerde dat te geloven.
Hij was dan ook geen lid geworden van een dispuut van het échte koor, zoals het Groningse Vindicat atque Polit, ‘handhaaft en beschaaft’ of het Amsterdamse A.S.C. Honestum petimus usque, ‘wij streven naar het edele’ of Minerva uit Leiden, Virtusconcordiafides, ‘deugd, eensgezindheid, trouw’. Hij hoorde gewoon bij dispuut Heidrunn, ‘op d’uwe!’ – van studentenroeivereniging Skøll, ‘niets anders dan je eigen talent en motivatie mag je verhinderen het hoogst haalbare uit jezelf te halen’.
Toen ik het overhemd de wasmachine inpropte nam ik het zwartrode borduurwerkje eens goed in me op. Een tekening van een geit en de namen van het dispuut en de roeivereniging. Waar kwam die geit vandaan? En wat een vreemde naam, Heidrunn. Wiki wist te melden dat het dispuut de naam verkeerd gespeld had. Het was Heiðrun, een magische geit uit de Noordse mythologie. Uit de spenen van Heiðrun vloeide honingwijn en daarmee vulde de geit iedere dag een vat (toch jammer dat het geen emmer was) groot genoeg om alle gesneuvelde krijgers uit het Walhalla dronken te voeren. Met als pluspunt dat ze aan die wijn geen kater over hielden.
Ja, dat was een duidelijk disputen-verhaal, maar vanwaar die verkeerde spelling? De zoon had geen idee waar die extra n vandaan kwam En die gekke d dan? Wie weet was de ð te moeilijk om op de hemden en dassen te borduren.
Skøll, zocht ik nog even op, was ook een figuur uit de Noordse mythologie, een wolf. En net als Heiðrun, verkeerd gespeld. De naam van de wolf is Sköll, Skol is een internationaal biermerk en ‘skål’ is Noors voor proost.
Maar goed, dat zal dat dispuut vast allemaal gemekker vinden.

In de weg

In de mistige regen liep ik met hond M langs de Amstel. In mijn oren klonken de stemmen van Gijs Groenteman en Coen Verbraak. Vooral die laatste heb ik hoog zitten, maar een interviewer die een interviewer interviewt, mwah. Wel wist Verbraak de kern van het leven prachtig te definiëren: ‘Leven is jezelf in de weg zitten.’ Groenteman voegde daaraan toe: ‘En dat je probeert dat te overwinnen.’ Daar werd ik kriegelig van.
Een paar weken eerder had ik met het clubje van de eerste liefdes gegeten. De gesprekken van die avond – over Omtzigt en Wilders, ijshockeyclub GIJS, de liefdeslevens van onze kinderen, Ajax, gezinsopstellingen – kon je zo onder de noemer ‘jezelf in de weg zitten’ zetten. Maar waar het om ging was dat we daar alle vier enorm om konden lachen. Maar goed, dat was een avond uit, met een gedeeld verleden van zowat veertig jaar, wijn en sushi, of kloeten zoals ex R. deze Japanse delicatesse noemde.
In het dagelijks leven ligt het anders. Dan is het net alsof het makkelijker is om jezelf in de weg te zitten, dan om middenin het leven te staan. Op internet kwam ik erachter dat dat met zelfsabotage (ieks) te maken heeft. De hele therapeutische riedel werd afgedraaid: faalangst, uitstelgedrag, onzekerheid, perfectionisme zorgen er allemaal voor dat je jezelf in de wegstaat. Met direct de oplossingen-reut erachteraan: maak een plan, word je bewust, stap voor stap, praat erover, zoek een accountability partner (WTF?).
Deze theorie liet ik voor wat ie was, liever een goed voorbeeld uit de praktijk: in de herfst van vorig jaar heb ik een fotolijstje, bestaande uit twee glasplaatjes gekocht. Daartussen heb ik vijf veertjes van Vlaamse gaaien gestopt. Dat had ik uiteraard eerst uitgesteld, maar uiteindelijk ging ik met een pincet en handschoenen aan de slag om de veertjes in de juiste volgorde, op de juiste afstand van elkaar en op de juiste hoogte op het ene glasplaatje te leggen. Even niet te hard uitademen, een onverwachte beweging maken en of man E, de zoon en de dochter ook stil wilden zijn en zitten. Dat gebeurde natuurlijk allemaal niet. Daarna moest het andere glasplaatje er bovenop gelegd worden, waarbij alle vijf de veertjes zich niet mochten verroeren en moest het geheel in het frame worden geschoven.
Echt lang stond het lijstje met de perfect gepositioneerde veertjes te shinen in de woonkamer. Tot de zoon zei dat er vlekken op het glas zaten. Ik ging gelijk aan de poets en in minder dan geen tijd zaten de veertjes chaotisch achter het schone glas. Dat was met kerst denk ik. En sindsdien, iedere keer als ik het lijstje zie, en dat is zeker drie keer per dag, denk ik, maak het nou in orde. Maar ho maar. Dat kun je jezelf in de weg zitten noemen. Maar dat hele proces wat ik hierboven heb beschreven, hoe noem je dat dan?

Op het schip

{Brieven aan mijn vader}

Lieve pap,

Sinds eind november vorig jaar heb ik je niet meer geschreven. Het lijkt alsof de gaten tussen onze contactmomenten groter worden, dieper. Dat wil ik niet, maar dat is wat de tijd doet.
Net als zovele brieven, begint ook deze weer met je zegelring. Deze keer lag ie op een nachtkastje in downtown Miami. Je kleinzoon lag ernaast, zijn jetlag weg te slapen. Het was zover, het vage plan dat vriendin M en ik in het voorjaar vorig jaar hadden geopperd, was werkelijkheid. We gingen samen met haar dochter en jouw kleinzoon op bezoek bij de eend die al maanden aan het werk was op een cruiseschip. Weet je het verhaal van je kleinzoon en de eend nog? Ze hadden geen relatie, het was geen scharrel, of een date of geen idee hoe ik het moest/mocht noemen. Man E bleef maar roepen: ‘If it looks like a duck, swims like a duck, and quacks like a duck, then it probably is a duck.’ Dus vanaf dat moment was liefde J tot eend omgedoopt. En we zouden een hele week met dit bijzondere gezelschap van vijf van alles gaan beleven op het schip.
Ik kan je vertellen over de vrolijk gekleurde vissen die ik al snorkelend zag in Mexico of over de legu- en pelikanen, het azuurblauwe water aan het strand van Honduras, de fietstocht langs de kust van Cozumel, de harde muziek op alle decks en gelukkig het eigen balkon, het geschreeuw van de ongeveer 5500 Amerikanen die ook op het schip zaten en wederom gelukkig het eigen balkon, de man met het ‘Trump 2024 Make liberals cry again’-shirt, de groep bachelors met de ‘Blame it on the drinking package’-shirts en gelukkig het gezin met de shirts ‘I love my two mums family’. En over een boek waarover ik op de heenweg in het vliegtuig een recensie las (Stiff van Mary Roach) en waarvan de eerste zinnen luiden: ‘The way I see it being dead is not terribly far off from being on a cruise ship. Most of your time is spent lying on your back. The brain has shut down. The flesh begins to soften. Nothing much new happens, and nothing is expected of you.’ Over de jonge liefde die ik tussen de zoon en de eend zag, de mooie gesprekken die ik met vriendin M had en hoe ik genoten heb van haar dochters, hoe ik heb kunnen leren van de dynamiek binnen een ander gezin en hoe hard we alles wat we maar wilden hardop konden zeggen, want de enige Nederlanders op het schip.
Maar ik beperk me tot de dingen waarvan ik denk dat jij ze het leukst had gevonden. Daar gaan we.
We kregen crew family-passen en mochten een kijkje nemen in de crew bar waar alles de helft goedkoper was, we liepen door het crewrestaurant, langs de kleedkamers en ook hebben we de hut van de eend gezien. Ik voelde mij een VIP ook al was dat nergens op gebaseerd.
Elke show van de eend zaten we front row. Er lagen bordjes ‘reserved’ op de beste stoelen en medewerkers die we niet kenden riepen al van een afstand: ‘Family of the duck? Hi, how are you, sóó nice to see you.’ Na afloop van een van de shows spraken we ook even met zanger D, de beste vriend van de eend, zeker weten – knipoog – dat je hem leuk had gevonden, pap. Dat blijf ik magisch vinden, het ene moment staat zo iemand in vol ornaat te shinen op het podium, het andere zit ie zonder make-up en in een trainingspak tegenover je en zegt ie lachend ‘Oh my God, you are so tall. And hot’, tegen je kleinzoon.
En wat had jij gelachen om de glitterbroeken van vriendin M en mij. Tijdens de dansworkshop ‘Rolling on the river’, gegeven door de eend, hadden we ze aangetrokken. Van tevoren dachten we nog, mmm beetje overdressed wellicht, maar what little did we know.
Ook leuk, je kleinzoon werd 21 op het schip en mocht voor de tweede keer in zijn leven officieel alcohol drinken. Hij kreeg tijdens zijn verjaardagsdiner een extra toetje en de obers en serveersters gingen voor hem zingen. Weet je nog dat ze dat destijds op mijn verjaardag op ons schip in Noorwegen ook voor mij deden? Gênant maar toch leuk.
Af en toe zat ik alleen op het balkon, met een glas veel te dure Torresella, dan staarde ik naar de eindeloze zee, voelde de deining van de golven en snoof de geur van het zilte water op. Dat was fijn pap.
Sorry voor al het Engels, ik weet dat je kennis daarvan zozo is, maar ik denk dat je het allemaal wel ongeveer begrijpt. En ik beloof, volgende keer gewoon weer meer in het Gronings.
Oh ja, nog even snakken, je kleindochter heeft een baan bij een theatercafé, afgelopen weekend vroeg Alex Klaassen haar om een glas water.