Standpunt

Voor de boekenclub lees ik Onder buren van Juli Zeh. De hoofdpersoon, een copywriter, is van Berlijn naar het platteland verhuisd en ziet in elke vliegende Vlaamse gaai de geest van haar overleden moeder. Dat past fijn in mijn straatje, maar er is ook het nodige aan te merken op het boek, zoals de mislukte Nederlandse vertaling van Über Menschen, de oorspronkelijke titel.
Met de verkiezingsuitslag nog vers in het geheugen is het onderwerp, de kloof en de brug tussen links intellectuelen en nazi’s, interessant. [Even tussendoor, ik krijg buikpijn van zo’n cliché zinnetje als ‘met de verkiezingsuitslag nog vers in het geheugen’ en toch corrigeer ik het niet en blijf ik wachten op wat er gaat gebeuren als ik het laat staan.]
Er staat een mooie verhandeling in het boek over het concept standpunt. De hoofdpersoon woont naast een nazi met wie ze soms samen eet, die haar helpt met het opknappen van haar nieuwe huis en op wiens kind ze past. Gewoon, wat buren doen. Ze vraagt zich af of ze wel of niet naast de nazi moet blijven wonen. Maar het lukt haar niet om hierover een standpunt in te nemen. ‘Zonder standpunt is er geen orde. Zonder standpunt blijft de wereld chaotisch en onbegrijpelijk, en dat doet meer pijn dan ze hebben kan. Dus doet ze wat alle verwarde zielen doen in richtingloze tijden: ze zoekt waarheid in informatie. (…) Maar is informatie hetzelfde als waarheid? (…) Je kunt informatie wenden en keren. De waarheid blijft hetzelfde. De waarheid is dat het helemaal niet uitmaakt of ze vertrekt of blijft. Omdat nazi’s niet ophouden te bestaan alleen maar omdat je niet meer naast ze woont.’
Standpunten zijn moeilijk vind ik. Vaak heb ik ze niet eens. Overal is wel wat voor te zeggen, tegen in te brengen. Mensen die hun standpunt zelfverzekerd verkondigen – waar ik jaloers op ben – hebben meer kans op confrontaties – waar ik bang voor ben.
Standpunt is een statisch woord, een stilstaand begrip: daar sta je dan met je punt. Nou gefeliciteerd. Doe mij maar een komma.

Stekje

{Brieven aan mijn vader}

Ha pap,

Je ring lag op het bureau van je kleinzoon. Daar ligt ie veel vaker – altijd als hij aan het sporten is, maar nu zag ik ’m ineens. De binnenkant spiegelglad omdat jij ’m jarenlang – wat is het ook alweer, iets van 50 jaar? – hebt gedragen. De ring is zelfs zo glad geworden, dat ie een tijdje terug is gebroken en je kleinzoon naar de juwelier is geweest om ’m weer dicht te laten smelten.
Ja pap, ik heb je te lang niet gesproken. Die kleinzoon is allang een jonge man met een brede rug, die nog veel te leren heeft en een hart vol liefde te geven heeft.
Op de dag dat ik je ring zag, zag ik ook de kamperfoelie achter in onze postzegeltuin. Toen we hier net kwamen wonen, kreeg ik ’m van jou als stekje. Meer dan twee meter hoog is ie, royaal over de pergola hangend. Zelfs zonder blaadjes en kletsnat is ie prachtig.
Ondertussen spreekt je kleindochter ook Spaans. Weet je nog dat jij ook een cursus deed omdat jullie altijd naar de Canarische Eilanden op vakantie gingen? Op zich kun je je daar in het Duits prima redden, maar toch. Ook zij is gegroeid. Steeds meer zichzelf en aan het kiezen om te studeren in Utrecht of Groningen. Drie keer raden wat jouw voorkeur heeft.
En ik? Ik schrijf door. Al best een tijdje. Vandaag typ ik alleen met rechts. Mijn linkerarm is dikker vanwege het lymfoedeem. Ik heb ’m ingezwachteld en dan wordt het wel weer wat beter, maar toch. Het maakt me verdrietig, eenzaam ook. Wat zou jij zeggen? Niet zo veel denk ik. Je kunt ook moeilijk zeggen dat het wel goed komt, want dat komt het niet. Of dat het gaat wennen, want doet het alsmaar niet. Soms als ik voor de spiegel sta zie ik een vrouw van middelbare leeftijd met best iets leuks aan, maar alles wordt verpest door een olifantenarm. Ja, ik zal het wel onnodig erger maken dan het is. Maar ik ben blij dat je even naar me wilt luisteren. Dat is genoeg.
Ik was nog naar een toneelstuk over de slavernij. Een blanke en een zwarte vrouw gaan op zoek naar hun voorouders. De zwarte blijkt een nazaat van tot slaaf gemaakten die op een plantage in Suriname moesten werken en de witte bleek een nazaat van een van de eigenaren. Ik dacht aan onze familie. Je broer die getrouwd is met een vrouw die lang geleden met haar dochtertje vanuit Suriname naar Nederland kwam. Je zoon wilde de kleur van de wang van het nichtje vegen. Dat werd ’m vergeven omdat ie verstandelijk gehandicapt was, wat je tegenwoordig denk ik niet meer zo mag noemen. En ik, die er nooit bij stil heeft gestaan hoe anders hun achtergrond, hun wortels wel niet zijn.
En weer wordt het een serieus en verdrietig stukje. Terwijl vanavond pap, ga ik met vriendin I naar de Grote Bingo Diner Show in Paradiso. Met Amsterdamse meezingers, zuur van Kesbeke, Hazes én Kerst én Guilty Pleasure Bingo, patat van de FEBO en biefstuk van Loetje. Ik doe m’n Ajax vest aan, het shirt met de drie rode Andreas kruizen van je schoonzoon en m’n Ajax samba’s. Zin om mee te gaan? Smok!

Stoorvogel

Mijn kop spatte uit elkaar. Een soort van tegelijkertijd hield ik mij bezig met vier ingewikkelde dingen. Die ik ook nog allemaal in dit stukje moest en zou proppen. Desnoods in kromme zinnen.
Eerst was daar de discussie over waar het heen zou moeten met het land in de groepsapp van de eerste liefdes. Op de verkiezingsdag vlogen er maar liefst 126 apps waarvan één verwijderde, tussen Winschoten, Nieuw Scheemda, Amsterdam en Valencia, waarvan er twee bleven hangen. Het gedicht ‘Roeping’ van Gerard Reve dat met de kennis van nu de uitslag al goed voorspelde.
Zuster Immaculata die al vier en dertig jaar
verlamde oude mensen wast, in bed verschoont,

en eten voert,
zal nooit haar naam vermeld zien.
Maar elke ongewassen aap die met een bord: dat hij
vóór dit, of tegen dat is, het verkeer verspert,
ziet ’s avonds reeds zijn smoel op de tee vee.
Toch goed dat er een God is.

En de foto van vriendin M: haar kleinkind in de wandelwagen met op de achtergrond de middelbare school waar we elkaars eerste liefdes werden.
Het tweede wat me deed duizelen was een betoog van acteur en schrijver Ramsey Nasr over waardigheid. Iets wat de kern van ons mens-zijn is. En waar geen sprake was tijdens de slavernij, de Tweede Wereldoorlog en recenter nu in Gaza waar kinderen hun eigen naam op hun lichaam schrijven zodat ze als ze eenmaal zijn gedood geïdentificeerd kunnen worden.
Op nummer drie, het verhaal van cabaretier en filosoof Tim Franssen over de rol die waarden spelen in de democratie. Hij vindt dat politiek met een op waarden gebaseerde visie de enige manier is waarop een democratie op termijn levensvatbaar blijft. Dan hebben, wederom met de kennis van nu, 2,5 miljoen mensen gestemd op conservatieve waarden als Joods-christelijke en humanistische wortels die de dominante en leidende cultuur moeten vormen, boeren die moeten blijven boeren en geen samenwerking binnen de EU, maar nationalisme. Is natuurlijk gemakkelijk, hier achter m’n bureau wat PVV-standpunten kopiëren. Ik heb een dak van een miljoen boven mijn hoofd, ben hoog opgeleid en kan kopen, vliegen, uitgaan wat ik wil. En heb dus tijd en verstand om na te denken over klimaat en racisme. Elitair, jazeker.
De laatste hoofdbreker was de onopvouwbare kandidatenlijst waarvan ik alle namen afging, op zoek naar vogel- en andere dierenachternamen. Waarom? Omdat het mij, vanwege de combinatie van mijn eigen achternaam en die van de vrouw op wie ik heb gestemd – Haan Koekkoek – een goed idee leek voor zwevende kiezers om op iemand met een dierenachternaam te stemmen. Ongeacht de partij. Ik kwam uit op 31 achternamen met een dier erin. Veel vossen, een paar leeuwen, een schelvis en zeven vogels, waaronder de stoorvogel. Helaas geen echte vogel, maar een predikant van de vrije evangelisatie gemeente. De zondagavond is heilig voor hem en zijn vrouw lees ik in een interview. In de zin dat ze die avond vrij voor elkaar houden. Wat ze dan doen? ‘Dan kijken we een preek via YouTube, nemen we de dagen door die voor ons liggen en bidden we samen.’ Man E en ik plannen ook regelmatig zo’n dag, EI-dag heet het bij ons. ‘Dan kijken we een serie op Netflix, nemen we de dagen door die voor ons liggen en laten we samen de hond uit.’
Dit alles raasde door mijn hoofd en dat terwijl de verkiezingsuitslag nog moest komen. Maar dat gaf niet. Want toen ik bij schoonzus L op bezoek was, wist ik weer hoe het allemaal zat. Schoorvoetend vroeg ze me of ze mijn litteken mocht zien. Staand in mijn ontblote bovenlijf keek in haar ogen. Dat was waardevol en weerloos.

Publiek

‘Ik sta hier al meer dan 25 jaar op het podium, maar ik waan me nog jong’, zei de soloviolist in het Concertgebouw. Toen begon ze aan haar toegift, iets zonder thema of melodie met Aurora als titel. Ik was daar met moeder A, het concert was een verlaat verjaardagscadeau voor mij. Zoals gebruikelijk klierden we in de garderobe met de mouwen van de jas en ruzieden we in de zaal over de armleuningen. Ze vertelde mij dat in een van de stukken de melodie van een sinterklaaslied te horen was en inderdaad:
Sint-Nicolaas, Sint-Nicolaas
brengt ons vanavond een bezoek
en strooit dan wat lekkers

In de een of andere hoek.
Het concert was mooi, vol golvende violen, maar toch leidden randzaken mij af. Zoals die soloviolist die zich jong waande. Mooi vond ik dat. Je verbeelden dat je jong bent.
De eerste violist zat op twee op elkaar gestapelde stoelen. En ik kon niet goed bedenken waarom dat was. Wilde ze opvallen? Was het per ongeluk? Had ze een of ander lichamelijk ongemak? Ook staarde ik een tijdje naar de paal waarachter we zaten. ‘Beperkt zicht’, zei moeder A. Goedkoper, maar dat gaf niks.
Verder hield ik me tijdens het concert lang bezig met gedachtes over het publiek. Veel mensen waren oud, wit en verantwoord en hadden parels en de geblokte broekrokken bedacht ik er voor het gemak zelf bij. Een tijd geleden was ik met de zoon naar Merijn Scholten, daar was ook verantwoord publiek, ouder dan hij, jonger dan ik, links, hip, Randstedelijk en hoogopgeleid. Laatst in de Arena, zat ik tussen alle leeftijden, alle opleidingsniveaus, meerdere culturen, voornamelijk mannen. Publiek was er ook toen ik dit weekend naar de band van mijn oude liefde ging. Mensen die ik uit mijn jeugd ken, die allemaal oud zijn geworden, behalve ik zelf dan. En komende vrijdag, bij een voorstelling over de slavernij, zal er weer publiek zijn, ik gok bruin en wit, politiek correct – daarom wilde man E ook niet mee – zonder zelfspot en humorloos. Ik kan het me permitteren om in wat voor publiek dan ook te zitten. Links te stemmen en linkse hobby’s te hebben. Vier keer per jaar te vliegen en weinig vlees te eten. Omdat ik me intelligent waan.
Ineens drong de melodie van Beethovens sinterklaaslied weer tot me door en thuis zocht ik de tekst op. Er bleek nog een tweede couplet te zijn, van ver voor de Zwarte Pieten-discussie.
Stoute kind’ren, zegt hij,
krijgen knorren, zegt hij,
of een zakje, zegt hij, met wat zout.
Want je weet wel, zegt hij, dat Sint-Nicolaas,
zegt hij, van die stoute kind’ren heel niet houdt.

Niet storen aub

Het nest was nog niet eens een week vol of ik stoorde me alweer. Om te beginnen aan man E. Terwijl ik bezig was met het verven van de muur van mijn nieuwe werkplek  – Stone Blue van Farrrow & Ball, echt verf voor de Volt stemmende elite – wilde hij het hebben over onze financiën, zoals daar zijn de vaste lasten, de inflatie, de pensioenopbouw, de ziektekosten, het maandbedrag, alles keurig netjes in vakjes op Excelsheets gerangschikt. Hij had natuurlijk weer eens gelijk, maar ik had er geen zin in en bovendien, geconcentreerd want geen verf proberen te morsen op de plint van de houten vloer. Voordat hij afdroop maakte hij nog een snedige opmerking over mijn bouwvakkersdecolleté. Iets wat me echt zou moeten storen, maar dat deed het dan weer niet.
Een paar dagen later, voor het eerst schrijvend aan die verse werkplek, stoorde de zoon. Hij had hulp nodig om de broek van zijn pinguïn-pak dat ie afgelopen weekend naar het gala aan had gehad netjes op de naden op te vouwen en ook nog over het knaapje te hangen. De dochter – alhoewel echt blij dat ze terug is hoor – was ook een stoorzender. Ik kon niet echt iets specifieks ontdekken wat me stoorde, maar alleen dat was al genoeg.
Dan was er nog een scala aan gestoor in de marge: moeder A die me niet snel genoeg terugappte en toen ze dat eindelijk wel deed geen enkele emoticon gebruikte – dat doet ze anders nooit – en ik me daar weer over op ging lopen winden. Ik stoorde me ook flink aan de pijn in mijn enkel – paar weken geleden dubbelgeklapt. Aan het spel van Ajax tegen Brighton (Almere City met z’n volgepakte gezellige stadionnetje sla ik gemakshalve even over), met name de labbekakkerigheid van aanvoerder B. Kan die man zo snel mogelijk naar de zandbak en daar zonder last van principes zoveel mogelijk oliedollars bij elkaar harken. En er was nog meer: de hoofddoek van boer Haico van BZV, de klitten in de vacht van hond M, het glansspoel-bijvullen-lampje van de afwasmachine dat al dagen knipperde en niemand die ook maar iets ondernam.
Honderd (!) kinderen die tijdens het eten aanbelden, heel snel en binnensmonds en vals en allemaal hetzelfde lied zongen en dan in de bak met snoep graaiden – een van onze helse buurmeisjes pakte zelfs 2 (!) stukjes chocola.
Alleen tijdens de yin yoga werd ik niet gestoord. Behalve door al mijn gedachtes, die maar niet ophielden, maar de juf zei dat gedachtes verzinnen nu eenmaal de taak van je hoofd is. En dat je daar geen enkele invloed op hebt. Ook wel weer geruststellend. Dus gelukkig raasde het daar alweer over invallen waar je niks aan hebt: als je als ongeboren baby kon kiezen, bij wie zou je dan in de buik willen zitten? Waarom stond er altijd overal niet storen aub en nooit storen aub? Wat zei het eigenlijk over mij dat ik drie weken te laat was geboren? Waarom trokken de onzichtbare navelstrengen tussen mij en de zoon en de dochter soms te hard en soms helemaal niet?
Uiteindelijk stoorde ik me natuurlijk weer het meest aan mezelf. Aan oude patronen waar ik meteen in verviel nu het nest weer vol was, de hele fles wijn die weer eens op moest, met de pepernoten – melk, wit, puur en gewoon – erachteraan, al mijn onhaalbare plannen voor kerst en oud & nieuw, dat ik zou willen dat andere mensen bepaalde dingen maar niet over mij zouden denken…
Geërgerd keek ik naar de memorabilia die ik achter mijn beeldscherm had opgehangen. ’t Is nait aal doage kovvie mit kouke stond er op een kaart.