Publiek

‘Ik sta hier al meer dan 25 jaar op het podium, maar ik waan me nog jong’, zei de soloviolist in het Concertgebouw. Toen begon ze aan haar toegift, iets zonder thema of melodie met Aurora als titel. Ik was daar met moeder A, het concert was een verlaat verjaardagscadeau voor mij. Zoals gebruikelijk klierden we in de garderobe met de mouwen van de jas en ruzieden we in de zaal over de armleuningen. Ze vertelde mij dat in een van de stukken de melodie van een sinterklaaslied te horen was en inderdaad:
Sint-Nicolaas, Sint-Nicolaas
brengt ons vanavond een bezoek
en strooit dan wat lekkers

In de een of andere hoek.
Het concert was mooi, vol golvende violen, maar toch leidden randzaken mij af. Zoals die soloviolist die zich jong waande. Mooi vond ik dat. Je verbeelden dat je jong bent.
De eerste violist zat op twee op elkaar gestapelde stoelen. En ik kon niet goed bedenken waarom dat was. Wilde ze opvallen? Was het per ongeluk? Had ze een of ander lichamelijk ongemak? Ook staarde ik een tijdje naar de paal waarachter we zaten. ‘Beperkt zicht’, zei moeder A. Goedkoper, maar dat gaf niks.
Verder hield ik me tijdens het concert lang bezig met gedachtes over het publiek. Veel mensen waren oud, wit en verantwoord en hadden parels en de geblokte broekrokken bedacht ik er voor het gemak zelf bij. Een tijd geleden was ik met de zoon naar Merijn Scholten, daar was ook verantwoord publiek, ouder dan hij, jonger dan ik, links, hip, Randstedelijk en hoogopgeleid. Laatst in de Arena, zat ik tussen alle leeftijden, alle opleidingsniveaus, meerdere culturen, voornamelijk mannen. Publiek was er ook toen ik dit weekend naar de band van mijn oude liefde ging. Mensen die ik uit mijn jeugd ken, die allemaal oud zijn geworden, behalve ik zelf dan. En komende vrijdag, bij een voorstelling over de slavernij, zal er weer publiek zijn, ik gok bruin en wit, politiek correct – daarom wilde man E ook niet mee – zonder zelfspot en humorloos. Ik kan het me permitteren om in wat voor publiek dan ook te zitten. Links te stemmen en linkse hobby’s te hebben. Vier keer per jaar te vliegen en weinig vlees te eten. Omdat ik me intelligent waan.
Ineens drong de melodie van Beethovens sinterklaaslied weer tot me door en thuis zocht ik de tekst op. Er bleek nog een tweede couplet te zijn, van ver voor de Zwarte Pieten-discussie.
Stoute kind’ren, zegt hij,
krijgen knorren, zegt hij,
of een zakje, zegt hij, met wat zout.
Want je weet wel, zegt hij, dat Sint-Nicolaas,
zegt hij, van die stoute kind’ren heel niet houdt.

Niet storen aub

Het nest was nog niet eens een week vol of ik stoorde me alweer. Om te beginnen aan man E. Terwijl ik bezig was met het verven van de muur van mijn nieuwe werkplek  – Stone Blue van Farrrow & Ball, echt verf voor de Volt stemmende elite – wilde hij het hebben over onze financiën, zoals daar zijn de vaste lasten, de inflatie, de pensioenopbouw, de ziektekosten, het maandbedrag, alles keurig netjes in vakjes op Excelsheets gerangschikt. Hij had natuurlijk weer eens gelijk, maar ik had er geen zin in en bovendien, geconcentreerd want geen verf proberen te morsen op de plint van de houten vloer. Voordat hij afdroop maakte hij nog een snedige opmerking over mijn bouwvakkersdecolleté. Iets wat me echt zou moeten storen, maar dat deed het dan weer niet.
Een paar dagen later, voor het eerst schrijvend aan die verse werkplek, stoorde de zoon. Hij had hulp nodig om de broek van zijn pinguïn-pak dat ie afgelopen weekend naar het gala aan had gehad netjes op de naden op te vouwen en ook nog over het knaapje te hangen. De dochter – alhoewel echt blij dat ze terug is hoor – was ook een stoorzender. Ik kon niet echt iets specifieks ontdekken wat me stoorde, maar alleen dat was al genoeg.
Dan was er nog een scala aan gestoor in de marge: moeder A die me niet snel genoeg terugappte en toen ze dat eindelijk wel deed geen enkele emoticon gebruikte – dat doet ze anders nooit – en ik me daar weer over op ging lopen winden. Ik stoorde me ook flink aan de pijn in mijn enkel – paar weken geleden dubbelgeklapt. Aan het spel van Ajax tegen Brighton (Almere City met z’n volgepakte gezellige stadionnetje sla ik gemakshalve even over), met name de labbekakkerigheid van aanvoerder B. Kan die man zo snel mogelijk naar de zandbak en daar zonder last van principes zoveel mogelijk oliedollars bij elkaar harken. En er was nog meer: de hoofddoek van boer Haico van BZV, de klitten in de vacht van hond M, het glansspoel-bijvullen-lampje van de afwasmachine dat al dagen knipperde en niemand die ook maar iets ondernam.
Honderd (!) kinderen die tijdens het eten aanbelden, heel snel en binnensmonds en vals en allemaal hetzelfde lied zongen en dan in de bak met snoep graaiden – een van onze helse buurmeisjes pakte zelfs 2 (!) stukjes chocola.
Alleen tijdens de yin yoga werd ik niet gestoord. Behalve door al mijn gedachtes, die maar niet ophielden, maar de juf zei dat gedachtes verzinnen nu eenmaal de taak van je hoofd is. En dat je daar geen enkele invloed op hebt. Ook wel weer geruststellend. Dus gelukkig raasde het daar alweer over invallen waar je niks aan hebt: als je als ongeboren baby kon kiezen, bij wie zou je dan in de buik willen zitten? Waarom stond er altijd overal niet storen aub en nooit storen aub? Wat zei het eigenlijk over mij dat ik drie weken te laat was geboren? Waarom trokken de onzichtbare navelstrengen tussen mij en de zoon en de dochter soms te hard en soms helemaal niet?
Uiteindelijk stoorde ik me natuurlijk weer het meest aan mezelf. Aan oude patronen waar ik meteen in verviel nu het nest weer vol was, de hele fles wijn die weer eens op moest, met de pepernoten – melk, wit, puur en gewoon – erachteraan, al mijn onhaalbare plannen voor kerst en oud & nieuw, dat ik zou willen dat andere mensen bepaalde dingen maar niet over mij zouden denken…
Geërgerd keek ik naar de memorabilia die ik achter mijn beeldscherm had opgehangen. ’t Is nait aal doage kovvie mit kouke stond er op een kaart.

Hoop in bange dagen

Man E had het allemaal weer eens goed op een rijtje. Ik haat dat rijtje, maar heb het te vaak ook hard nodig. In duidelijke, vriendelijke taal legde hij mij weer eens uit hoe de mens in het algemeen en het leven in het bijzonder in elkaar steken. Altijd is één plus één twee. Oorzaak hoort bij gevolg. Op gedrag volgt consequentie. Na actie komt reactie. Risico’s, afwegingen en scenario’s horen bij het leven. Nou oké, dat laatste dat begreep ik nog wel.
‘Je went overal aan’, zegt hij vaak. Of ‘het komt goed’. En de ergste: ‘Valt wel mee.’ Ja, als je net ontspannen uit de yin yoga-klas loopt of een fles wijn achter de kiezen hebt, dan valt het wel mee. Een beetje.
Het is soms moeilijk elkaar hierin te vinden, terwijl ik mij tegelijkertijd geen betere man had kunnen wensen. Hij zet de boel in perspectief, probeert naar mijn chaos te luisteren, laat me los als ik zwelg in zelfmedelijden en laat in de kletterende regen hond M uit als ik geen zin heb. Hij haalt me waar vandaan ook op en brengt me waarheen dan ook toe. Is er altijd voor de kinderen en weet dan ook nog de goede dingen tegen ze te zeggen. En kan ook nog eens ontzettend goed koken.
Jammer dat we daarom bijna nooit uit eten gaan, wil ik schrijven, maar ik zou deze negatieve gedachte niet eens moeten hebben.
Ik weet niet zeker of ie me hoop kan geven als mijn gedachten vastzitten. Maar daar heb ik gelukkig Ajax weer voor. Sinds gisteren. En de groepsapp van de vier eerste liefdes (‘Leuk, die discussies over clubs in het rechterrijtje’), de uitspraken van augurkenkoning Oos Kesbeke (‘Als ik gemekker wil horen, koop ik wel een geit’), de fantasie die ik met de nestverlater had op een terras op de Plaza Mayor (er liepen twee mensen voorbij met een reusachtige golfplaat tussen hen in, lekkage? pannetjes? kippenhok?) en het ochtendritueel met de nestblijver (ik maak koffie en hij snijdt een homp cake af).
En ik hoop natuurlijk dat man E dit weer een mooi stukje vindt.

Coupeuse

In het vliegtuig naar Madrid en vanaf daar de bus naar Salamanca beleefde ik dezelfde reis als de nestverlater. Heel die route had zij ook gedaan, alleen, ik kon het me niet voorstellen. Toen ik er bijna was probeerde ik me niet langer alleen maar te verheugen, maar in het nu te zijn. Het nu van vlak voordat hét komen gaat. Ik telde de kilometers af, ik had er al een dikke 1700 op zitten, maar die laatste 41, die schoten maar niet op. Eindelijk zag ik de torens van La Catedral Vieja of Nueva, daar wil ik vanaf zijn. Dat was dus de stad die al die tijd op haar had gepast.
Toen ze me drie dagen later weer terugbracht naar het busstation voelde de omhelzing net als toen ik aankwam, warm en met tranen. Dus wat was het verschil? Wat was het probleem? Nou, het hele loslaten kon weer van vooraf aan beginnen.
Gelukkig had de nestblijver een verzoek, of ik de bretels van zijn Lederhose die hij die avond tijdens de biercantus aan moest, langer kon maken. Ik dacht dat ik dat wel kon en stopte al mijn aandacht er direct in, om maar niet te hoeven denken aan wat ik van een biercantus vond en wat het eigenlijk was. Op internet stond een uitleg:
‘De biercantus is een leuk en sociaal evenement waarbij de deelnemers zich kunnen uitleven en een leuke tijd hebben met vrienden. Het is ook een goede manier om traditionele studentenliederen te leren (…) Het is echter belangrijk op te merken dat de biercantus gevaarlijk kan zijn als de deelnemers niet verantwoord drinken. Het is belangrijk uw grenzen te kennen en nooit te drinken en te rijden. Het is ook belangrijk de regels van de biercantus te respecteren en andere deelnemers tijdens het evenement niet te storen.’
Terwijl ik met naald en draad aan het prutsen was, vond ik natuurlijk van alles van Oktoberfesten, dirndls en estafette atten. Het verlengen van de bretels mislukte jammerlijk. En toen ik probeerde de Lederhose in oude staat te herstellen, want geleend, ging dat ook mis, want bretels kruislings in plaats van recht weer vastgenaaid. De nestblijver tornde de heleboel weer los en liet me precies zien hoe het dan wel weer vastgemaakt moest worden. Ik hield mij maar vast aan het gedicht van Pablo Neruda dat de nestverlater had gevonden:
Podrán cortar todas las flores,
pero no podrán detener la primavera.
Ook al zouden ze alle bloemen plukken,
de lente zullen ze niet kunnen tegenhouden.

Futuro perfecto

De nestverlater stuurde me een Spaans stukje tekst ter vertaling. Over twintig jaar zal ze kinderpsycholoog zijn en een mooi huis hebben op het platteland met een omheinde tuin waarin haar huisdieren zullen rondrennen. Ze zal Frans en Spaans kunnen spreken en de hele wereld over reizen om die talen te kunnen gebruiken. Ze zal haar familie vaak zien en voor ze koken en ze zal gelukkig zijn. Het ging hier om te laten zien dat ze het gebruik van de futuro beheerst, maar ik zat te peinzen wat als ze écht 38 zou zijn. Zou ze haar werk leuk vinden? Kinderen hebben? En een hondje? Hoe vaak zou ik haar zien? Wat voor band zouden we hebben? Zou ik überhaupt nog leven? Een paar regels tekst en ik ging er in gedachten compleet mee aan de haal.
Ja, dat heb je met schrijfstukjes, één persoon schrijft ze en meerdere personen lezen ze. Een wereld van verschil. De schrijver heeft er wel of geen bedoeling mee en de lezer interpreteert het op eigen wijze.
Over twintig uur zal ik haar weer zien. Ze zal met haar logeerkoffertje bij het busstation staan te wachten. Ze zal me omhelzen en druk beginnen te praten over alles. Ze zal bij me in de Airbnb intrekken. Me haar kamer, haar school, haar supermarkt en lievelingscafeetje, haar Plaza Mayor, tapas- en cocktailbars en het paella restaurant waar ze in haar beste Spaans al een tafel voor ons heeft gereserveerd (mi madre va a visitar el fin de semana, of zoiets, ik beheers de futuro echt niet meer) laten zien. Ze zal, zoals haar naam, stralen, en er zullen ook donkere dingen zijn. En na drie dagen zal ze me op datzelfde busstation weer uitzwaaien.
In gedachten heb ik met haar het hele weekend al beleefd. Voltooid toekomende tijd. Futuro perfecto.

Tekening Luis Mendo