Bang voor rood, geel en blauw

Vriendin M had het al vaker over haar gehad. Over natuurtherapeut F. Ze ging er, met of zonder kinderen af en toe naartoe, vooral in tijden van verdriet. Als ze bij F was geweest voelde ze zich lichter, vertelde ze. Het leek mij maar niks: chakra’s, handen die boven je lichaam zweven… Het leek mij maar alles: herstel van energiebalans, ontspanning…
Dus vorige week ging ik ook. En toen, tja en toen. Dat is moeilijk. Probeer maar eens woorden te vinden voor zielen, vage gevoelens, de dingen tussen hemel en aarde.
Van tevoren had ik een beetje gegoogeld en gelezen dat je lichaam zeven energiecentra oftewel chakra’s heeft. Ze zitten tussen je bekken en je kruin en hebben alle kleuren van de regenboog. Ik was vooral bang voor de gele, die bij je navel zit en over zelfwaardering gaat. Als het daar rommelt, bekritiseer en beoordeel je jezelf. Ook op de rode zat ik niet te wachten. Dat is de eerste, de wortelchakra en als die uit balans is kun je je angstig, rusteloos en onveilig voelen. En nu ik het er toch over heb, de blauwe zat me ook niet lekker. Die zit in je keel en gaat over communicatie. Stroomt ie niet lekker, dan ben je gevoelig voor de mening van anderen.
Tijdens de behandeling – F zette inheemse muziek op en ik moest op mijn rug op een massagetafel liggen – kreeg ik het vlak onder mijn navel heel warm, kwam er hoofdpijn opzetten en had mijn lymfoedeem-arm het zwaar te verduren.
Nadat mijn chakra’s in balans waren gebracht – ik geloof niet dat ik dit schrijf – had ik last van mijn keel. F zei weinig, maar vertelde wel dat mijn chakra’s goed openstonden en dat ze lief, mooi en een rommeltje waren. Daar kon ik het mee doen. Of beter, daar kon ik wat mee.
Thuis vertelde ik er schuchter over. Man E had het over kwakzalverij, met de zoon kwam ik in een vruchteloze discussie over religie en chakra’s terecht en op mijn verjaardagsfeest zoomde iemand in op de ethische aspecten van een natuurgenezer. Zo vond iedereen er weer van alles over. Al die meningen, ze kwamen me de keel uit.

Week

De eerste dochterloze week was voorbij. De week had vol gezeten met chakra’s, hitte, entitlement, een sterrenhemel, tickets naar Miami en gênante videobeelden uit de jaren negentig. Te veel voor één stukje.
Ik appte en spraakberichtte de dochter een paar keer per dag en vroeg man E of het niet teveel was. ‘Vraag het haar’, zei hij. Dus dat deed ik. Een paar dagen hoorde ik niks. Geen nieuws is goed nieuws. Een uitdrukking van niks. In de categorie: je moet het een plekje geven… De tijd heelt alle wonden… Echt heel veel jeuk.
Toen was het mijn verjaardag en videobelde ze. Ze kon zien hoe ik mijn cadeaus uitpakte en ik zag haar wallen onder een paar stralende ogen. Er waren vriendengroepen, een tapasstraat, karaoke, het feest van de Virgin de la Vega, de namen van alle kledingstukken in het Spaans. Er kwam een huisgenoot in beeld, een vreemde kast met vertrouwde kleding en uitzicht op een luchtkoker.
Thuis moesten we verder met de voorbereidingen voor het verjaardagsfeest, maar zij wilde niet ophangen en ik wist waarom. Het contact zou verbroken zijn, ze zou zich alleen voelen en zich afvragen wat ze daar in vredesnaam alleen in die stad te zoeken had. Maar. Ze zou zichzelf ook weer oppakken en meegaan met de andere taalschoolstudenten naar het stierengevecht. En daarna zou ze een spraakbericht sturen waarvan zij daar en wij thuis misselijk werden. Zo eindigde de eerste week en kon de volgende niet anders dan beginnen.

Anders nooit

Zo ging het echt. We waren redelijk op tijd op Schiphol. Met ruimbagage van net onder de 23 kilo, een koffertje met tien kilo, een A4 schooltas die ik in 1999 in New York had gekocht en hond M. Man E parkeerde op P1, direct naast de bagagekarren. Afdeling Cow, vak 111. Het was net of ik naar Ajax ging. ‘Goed onthouden,’ zei de tienerdochter. Hond M dook de lange gang in. Op de loopband durfde ze niet. Op de roltrap evenmin. Toen we bijna bij de hal van het treinstation waren, ging ze in de welbekende houding zitten. Wel poep, geen zakjes. Man E rende terug naar de auto. De tienerdochter en ik stonden rond de poep te wachten. ‘Dat doet ie anders nooit’, zeiden man E en ik in koor.
De hal was ver. De rij was lang. De hond nerveus. Het afscheid warm.
Eenmaal in het Amsterdamse Bos probeerden we normaal te doen. Dat lukte alleen hond M. Af en toe keek een van ons op de telefoon. ‘Ze staat in de verkeerde rij!’ riep man E. ‘Het boarden is al over drie kwartier,’ ongerustte ik terug. We liepen verder, zagen niks. Hoorden ook niks, maar dat kwam omdat er op de A9 vanwege onderhoud geen auto’s reden. Bijna weer bij de auto stond er ‘Ik zit in het vliegtuig!’ in de groepsapp. Precies op dat moment begon hond M weer te poepen. ‘De opluchting’, zei man E en we lachten. Thuis in de hangmat ging het op afstand meereizen door. Het vliegtuig had drie kwartier vertraging. De koffers lieten lang op zich wachtten. De Spaanse overheid had een Civil Protection Alert gestuurd vanwege extreem risico op storm in de omgeving van Madrid. Zou de bus wel rijden? De geplande overstaptijd van vliegtuig naar bus was 2,5 uur. Zeven minuten voordat de bus vertrok stond de tienerdochter bij de halte en trokken wij een wel heel lekkere fles champagne open. ‘Alleen maar Pinot Noir, er zit geen Chardonnay in’, watertandde man E. Hij had er Franse geitenkaas en Italiaanse dipstokjes bij gekocht. Dat doet ie anders nooit.

Kwijt

Vorig jaar ben ik twee keer naar de voorstelling Gedeelde smart van Brigitte Kaandorp en Jenny Arean geweest. De eerste keer zat ik alleen in Carré en de tweede keer met moeder A. De naam van het theater is het vermelden waard want ik las net een recensie over de podcast Classy, die gaat over het ongemakkelijke fenomeen klassenverschil en hoe dat doorwerkt in iemands leven, waarbij mijn blik op het woord minderwaardigheidsgevoel bleef hangen. Een gevoel dat hoort bij én uit de provincie komen en opkijken tegen de ouders van het categoraal gymnasium én willen opscheppen dat je het zelf ook maar mooi in die grote stad gemaakt hebt en naar Carré gaan de normaalste zaak van de wereld is. Ik denk, precies waar die hele podcast over gaat. Nou ja, voer voor een ander stukje.
Brigitte zong in die voorstelling een lied over afscheid nemen van haar zoon op Schiphol waar ik om moest lachen en huilen tegelijk:
De twijfel die een moeder teistert
En ook van laat me niet alleen
Ik stortte radeloos ter aarde
Ik riep, mijn hart, toe breek het niet
Maar ja, wij komen uit de polder
Zo zingen wij hier niet

Maar de tranen stroomden mij pas echt over de wangen toen ze Let op haar zong, een lied over haar dochter:
Ik wist dat ze niet voor altijd mijn kleine meid zou zijn
Maar ik wist niet dat ik haar vandaag zo kwijt zou zijn

En al ligt de wereld open
Als je haar ziet lopen
Let op haar
Ze is wijs, ze is verstandig
Maar toch ook nog wat onhandig
Dus let op haar

Ja. Dus. Ik nog een keer naar dat theater waarvan ik de naam genoeg heb genoemd, samen met moeder A, om dat lied nog een keer live te horen. Weer die wangen met die tranen.
Gisteren, bij een post met tien tranentrekkende foto’s van de van-baby-naar-tienerdochter op Instagram, plakte ik die muziek er vetter dan vet onder. En ja, ik weet hoe dat moet een reel maken met muziek. Tenminste dat denk ik. En ja, ik doe mijn best om dit stukje wat luchtiger te maken, maar het lukt even niet. Sterker nog, ik ga het nog wat aandikken:
Het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis, zo’n veertien jaar geleden. Zes keer, om de veertien dagen, gaan man E en ik naar de afdeling dagbehandeling. Er zijn daar grijze bedden en rode stoelen met veelal kale mensen erin. Er is een inpandige apotheek waar mensen in maanpakken rondlopen. Af en toe komt er iemand uit om een in blauw plastic gehulde verpleegkundige een zak met wit vloeibaar spul of een spuit met rood vloeibaar spul te brengen. Ik zit vijf keer op een grijs bed en één keer in een rode stoel. Uit mijn linkerarm hangt een slang. En ik denk, stond ik alvast maar op Schiphol.

Sneu

Het echte missen gaat in september beginnen, maar nu is ze ook weg. Anderhalve week, met een vriendin, interrail pas, een ID, duizend bladzijden en mijn oude zonnebril.
In onze gezinsapp zie ik een rave in Zürich langskomen, uitzichten vanuit de trein op de Alpen, koffie en kuikens in een Italiaans vakantiehuis. Overigens is het gebruik van die gezinsapp niet zo eenvoudig als het lijkt. Als gezin hebben wij vijf groepen: dochter en ouders, zoon en ouders, moeder en kinderen, vader en kinderen en dus de app waar we alle vier in zitten. Natuurlijk appen we elkaar ook nog één op één. En er is nog een iets uitgebreidere familieapp waarin ook oma A en opa R in zitten. Na meer dan twintig jaar blijft opa R een vreemde benaming, maar ik kan nu even niets beters bedenken en de insteek van dit stukje – en ook van de komende stukjes – is de relatie tussen moeder en dochter en het halflege nestsyndroom, dus dan is opa een prima rol en ik dwaal nu echt te ver af. Punt is: wanneer welke app te gebruiken? Echt leuke foto’s halen de familieapp, meer dagelijkse dingen worden in de groepsapp gezet, zaken die de zoon niets aan gaan komen in de dochter-ouders app en vice versa. Alleen met de dochter app ik over ‘wanneer gaan we samen naar Barbie’, ‘kijk wat een schattig hondje’, ‘weet jij nog een leuke caption voor m’n post?’ Maar voor je het weet gaat het ineens over een reisverzekering of een haalbreng-vraag en weet man E van niets. Terwijl hij het wel moet oplossen. Gedoe. Gezeik. Net als deze hele alinea trouwens.
Ondertussen overweeg ik dit jaar mijn verjaardag te vieren. Samen met man E heb ik afgelopen zomer drie verjaardagen georganiseerd, dus ik wil misschien zelf dan ook wel aan de beurt zijn. Twee: ik heb echt heel veel leuke oranje, paarse, witte, gele en blauwe lampionnen bewaard. Drie: vriendin Y bracht mij op het idee (met buikpijn) verschillende vrienden toch maar eens allemaal tegelijk uit te nodigen. Drie A: ik hou van cadeaus uitpakken. En vier: ik wil iedereen laten zien dat ondanks het halflege nest, mijn leven heus wel doorgaat. Sneu en bijna 55. Ook een prima omschrijving over hoe ik mij als moeder van twee volwassen kinderen voel. Gelukkig heb ik al m’n appgroepen nog.