Bloedkoraal

Ha papa, ik was toch al van plan deze week bij je langs te gaan. Ik wilde je vertellen dat we een steen voor je hebben uitgezocht, een steen uit een of andere Oostenrijkse berg, net als die van je zoon, en de tekst wordt ook mooi, ja laat dat maar aan mij over. We moeten het nog wel even hebben over de kosten, maar dat komt wel.
Maar nu is er dit. En had ik gewild dat je naast me zou zitten, maar ja wat heb je in dit leven te willen? Dus heb ik spullen gepakt van oma, een schortje dat ze ooit geborduurd heeft en een gehaakt zakje dat bedoeld was, denk ik, om walnoten in te bewaren voor het neutenschaiten met Pasen. Alle spullen om me heen gelegd, de blauwwitte kralen erbovenop. En de rode bloedkoralen die ik van je zusje heb gekregen vloekend omgedaan, omdat ik door de tranen de sluiting niet goed dicht kreeg. Ook nog het lijntje dat ik met jou en oma heb weg.
Ik heb geprobeerd hoop te halen uit een vlinder op de armleuning van de tuinbank, uit witte rozen die zich laten schikken, de vanzelfsprekendheid van de blik van mijn hond… Maar nee. Niks van dat alles.
Dus vanmiddag ga ik bij je langs en dan ga ik in je armen vallen en dan ga jij iets zeggen als ‘Zolang de kippen maar blijven broeden, komt het allemaal wel goed.’

Tante en nicht

Dezelfde slaapkamer.
En dezelfde dikke grijze sokken.
Allebei naar dezelfde basisschool.
Dezelfde humor.
Hetzelfde kapsel, allebei een bril.
Dezelfde smaak, in sieraden, schilderijen, bloemen en behang.
Dezelfde liefde van en voor haar moeder, mijn oma.
Allebei een man die van kippen houdt.
Elk een zoon.
Elk een dochter.
Geen wonder dat haar broer, mijn vader onze namen altijd door elkaar haalde.

De jongste en de oudste

Ha oma, ik weet wel zeker dat je toekijkt. Dan zie je ons zitten, je jongste dochter en je oudste kleindochter. In een tuin met vijf makke kippen, een vijver met waterlelies en een border vol witte chrysanten. Je dochter, almaar brozer, zet een doosje op de tuintafel. Ze vindt het fijn om alles weg te geven, zegt ze en haalt het deksel eraf. Brede armbanden, losse kralen, sieraden met een verhaal, in goud en nep goud. Je kleindochter hapert. Wat doet het ertoe welke ze krijgt, welke ze mooi vindt. Het gaat om het gebaar.
Ondertussen maakt je schoonzoon thee en spoort zijn vrouw aan een slok te nemen. Hij plukt een biscuitkruimel van haar t-shirt. Zijn de kippen ook weer blij. Eén kip is vernoemd naar je jongste achterkleinzoon, spierwit is ie. Het zou mooi zijn als ie zich als haantje zou gedragen, maar dat doet ie niet.
Je kleindochter is eruit, ze kiest een dunne armband die goed past bij de laatste armband die ze samen met haar vader kocht. Een tijdje houden tante en nicht elkaars handen vast. Het is stil. Het is goed zo. Dat vind jij toch ook, oma?

Curry comb

undefined

Daar reed ze, de fietskrat met een tie-wrap vast aan de voordrager. Flesje water, telefoon, ID en twee pennen in een linnen tasje erin. Ze suisde langs de Amstel, over het Rokin, het Spui op en sloeg een weg te laat rechtsaf. Snel wilde ze de eerste de beste steeg induiken, ze zag nog net hoe ie heette – Roskamsteeg – en vroeg zich ook nog een split second af wat het Engelse woord voor roskam was, maar haar voorband raakte de stoeprand. Terwijl haar fiets onderuit schoof, sprong ze zelf met een atletische boog de stoep op. De krat zat nog vast. Niets aan het handje.
Haar moeder, die een stukje achter haar fietste, zag het razendsnel en in slow motion gebeuren. Het deed haar denken aan haar geboorte, net iets meer dan 15 jaar geleden. Ook toen was het net alsof ze met een krachtige boog de aarde op sprong. Oogjes dicht, vuistjes geklemd.
Net zo zou ze nu het examen maken, daar vertrouwde de moeder op.  ‘You are ready’, had de docent gezegd en de moeder herhaalde het nog maar eens: ‘Je hoeft maar drie woorden onthouden.’ De dochter rolde met haar ogen en verdween het gebouw in waar het Cambridge English examen op haar lag te wachten.
Ik ben er helemaal niet klaar voor, dacht de moeder terwijl ze door de stille stad naar huis fietste. Grip krijgen, weer iets om los te laten.

Genoeg geweest

{Brieven aan mijn vader}

Het is meer dan een maand nu, pap, je bent lang genoeg weggeweest. Het is tijd dat je me weer belt, dat je moeizaam en opgetogen uit de bank opstaat om me te omhelzen als ik langskom. Ja, het is zelfs tijd dat je me het gevoel geeft dat ik, wat dan ook, niet goed doe.
Ik weet het heus wel pap. Ik was er nota bene zelf bij. Ik heb gevoeld dat je langzaam kouder werd, geholpen om je je nieuwe blauwe trui aan te doen. Alle mensen gezien die afscheid van je kwamen nemen, huilend, respectvol, in de war. Eigenhandig de deksel dicht geschroefd. Toegekeken hoe je met kist en al over het terrashek de hal in werd getakeld, de lift in. Het gat gezien waarin je langzaam verdween en er zelf een hand aarde opgegooid. Ik ben nog weer terug geweest om te kijken of het gat wel helemaal dicht was. En in je huis gecheckt of je er misschien toch nog was. Maar je zat zelfs niet in je rookhok.
Het duurt te lang, pap. Het is tijd dat je me even vertelt wat ik met die dode blaadjes van de Japanse es moet doen, zegt wat je van mijn nieuwe jumpsuit vindt, vraagt of ik een kop thee voor in je wil schenken, ja met een beetje suiker ja, dat we toch nog een keer op een cruise gaan samen, Noorwegen hè? Dat je me belt om me te vragen hoe het met de toetsweek van je kleinzoon gaat, dat ik je kan vertellen dat je kleindochter in de hockeyselectie zit en je schoonzoon zo blij is met zijn nieuwe barbecue. Dat je hoofdschuddend luistert naar mijn verhaal over hoe ik samen met mijn vriendin een hondenaandelijn-bord uit het Amsterdamse Bos heb meegenomen. Gewoon dat, pap. Kom op. Zo moeilijk is het toch niet?