Berghuizen ’76

Eindelijk, eindelijk was het kerstvakantie en brachten haar ouders haar naar het oude, tochtige maar o zo gezellige huis in Berghuizen. Alles was daar anders dan thuis, spannend ook. Haar oom en tante – de stumperds werden ze in de familie genoemd, maar dat had het nichtje nooit begrepen – deden leuke, nieuwe dingen met haar. Ze waren meester en juf, misschien kwam het daar wel van. Samen met haar tante, die knoepergoed kon handwerken, ging ze een wandkleed maken. Ze knipten vogels uit oranje en bruine vilt, naaiden er oogjes van pailletjes op en maakten de vogels vast op jute. Het nichtje deed alles een beetje scheef, ‘Scheetje beef’ zei haar oom altijd, maar dat gaf niks. Soms stapten ze met z’n drieën de eend in, op weg naar Meppel of Hoogeveen en dan zongen haar oom en tante keihard mee met ‘Een heel gelukkig kerstfeest, voor jou, voor mij, voor iedereen’. Eenmaal in de stad aangekomen, gingen ze bij een cafeetje in de winkelstraat wat drinken en kreeg het nichtje appeltaart met slagroom.
Op de dag dat het nichtje weer naar huis zou gaan, het was 31 december, lag er een pak sneeuw van een meter. Haar ouders vonden het te gevaarlijk om haar op te halen. En zo moest ze met Oud en Nieuw wel in Berghuizen blijven! Midden in de nacht, vlak voor 12 uur, zou haar oom haar wakker maken. Voor deze ene keer mocht ze in hun grote bed in slaap vallen. Ze droomde van kerstbomen, van taarten en van vogels. In haar schemerslaap drongen langzaam geluiden door. Haar oom floot zachtjes, steeds een beetje harder, tot het nichtje wakker werd. Ze sprong uit bed, brrr, de vloer was ijskoud aan haar voeten. Snel trok ze haar grijze wollen sokken aan. Had oma voor haar gebreid, haar oom en tante hadden precies dezelfde, maar dan wat groter. Dat vond ze stiekem nog het leukst van alles.

Onwrikbaar

Berusten, dat is wat je doet. Dat heb je je hele leven toch ook al gedaan, pap? Waarom zou je nu ineens iets anders doen. Ik kijk naar je op de bank, hoe je ademt of je hoest of zucht. Of je ogen open zijn of waterig of van vermoeidheid dicht.
Ik geloof het niet, van ons vier zou jij het echt niet krijgen. Mama, daar zijn we inmiddels aan gewend, zij heeft het al zo vaak te horen gekregen en van je zoon, mijn broer, hebben we het altijd wel geweten. Oké, dat ik het kreeg, dat was een verrassing. Maar jij? Je bent een boom, een rots, een onwrikbare zekerheid. Nooit een pijntje of een kwaaltje. Tja, je rookt en drinkt, maar jij zou toch echt de enige zijn aan wie dit lot voorbijging. Bij wie dit gewoon niet waar is.
Ik ga naast je zitten, misschien als ik je omhels, ga ik wel het geloven. Jij snift wat en zegt dat je morgen de papieren bij elkaar gaat zoeken. Dat je man en ik dat dan niet hoeven te doen. Dan is dat maar vast geregeld. Een speldenprik besef komt binnen.
Je kunt toe met weinig woorden. Wat je zegt is nuchter, wars van flauwekul. Toen ik je jaren geleden ’s avonds laat vanuit Italië in paniek opbelde omdat onze tent en alle spullen waren natgeregend, zei je: ‘Mörn is alles weer dreuge.’ En viel ik in een klamme slaapzak gerustgesteld in slaap.
Jouw berusting, ik ga proberen me eraan vast te houden.

Gemiste kans

Tijdens Pakjesavond was ‘Dit is de leven’ op tv, een documentaire van Romana Vrede over autistische kinderen, waaronder haar eigen zoon. Eén jongen deed niets anders dan met handboeien spelen – hij had er tientallen – een andere had een obsessie voor cijfers en ging met zijn moeder naar de feestwinkel om een hele grote ballon in de vorm van een 1 te kopen, een meisje met een koptelefoon op bleef maar dansen en om ijs vragen…
Hun moeders vertelden dat ze lang het gevoel hadden gehad dat ze tekortschoten, dat hun kind een probleem was, dat het leven ontzettend zwaar was. Er waren jaren overheen gegaan om in te zien dat hun kind gelukkig is, dat ze hun zoon of dochter niet meer vergelijken met anderen. Dat ze zien dat hun kind helemaal zichzelf is, altijd in het nu leeft en uitstraalt dat alles allemaal altijd wel goed komt.
Ik huilde. Omdat ik mijn broer nog altijd mis. Maar meer nog om een gemiste kans. Dat ik toen hij nog leefde niet heb begrepen hoe mooi hij was, wat voor bijzonder mens hij was. Als ik dat toen had kunnen zien, had ik bij mezelf kunnen toelaten dat het oké is, dat hij was wie hij was.
Wie weet, als ik maar genoeg stukjes over hem schrijf, komt hij wel terug. En krijg ik een tweede kans om hem met nieuwe ogen te kunnen zien: een ontwapenend mens.

Typisch Bellingwolde

Op de openbare weg mag hij nog niet rijden, hij is pas dertien. Maar hier op het erf en op het land doet hij het wel. Samen met zijn vader koppelt hij de vlakmaker aan de trekker. Vanuit de schuur rijdt hij het land op, zijn ogen glimmen. ‘Niet te dicht langs de kanten, jongen’, roept zijn vader hem nog na.
Binnen is zijn moeder bezig met z’n jongere broer. Ze kleedt hem aan – de pyjamajas uit doen kan hij zelf – en haalt nieuw drinken voor hem. Tevreden gaat de jongste broer weer liggen in het bed dat in de kamer staat en kijkt op z’n tablet.
De grond is vlak genoeg. Hij zet de rode Case trekker in de schuur en loopt de boerderij in. Op het Kabouter Plop dekbed kliert en lacht hij wat met zijn broer. Soms kan hij met hem buitenspelen op de trampoline of zwemmen, maar dat is niet zo vaak. ‘Mijn moeder kan goed met hem praten, maar ik kan hem beter verstaan.’
In zijn eigen kamer speelt hij een videospel waarbij hij boer is en trekkers en machines koopt. Daarmee bewerkt hij het land om geld te verdienen. Van alle spellen die hij heeft, speelt hij dit spel het allermeest. Hij heeft al 8 miljoen verdiend. Natuurlijk wordt hij later boer, net als zijn vader en zijn opa. En zijn broertje gaat dan naar een huis voor kinderen net als hij. Daar kunnen ze wonen, koken, alles doen.
Hij gaat verder met oogsten op de Playstation, de combine scheidt de korrels van het stro. Dat wilde hij wel heel graag, samen met zijn broer een boerderij.

Rust, reinheid en regelmaat

Stipt om 15.00 uur drinkt ze muntthee, dan gaat ze plassen, laat de wc-deur op een kier en loop ik naar binnen, draai een rondje, zwiep mijn staart tegen de toiletrol en ga terug de gang in. Ze trekt door, doet haar schoenen aan, pakt de riem en we gaan, rechtsaf door Villa Mokum, mijn lievelingsgebouw. Altijd, elke middag hetzelfde. Soms loopt ze ineens naar links, of ze plast niet of drinkt koffie. Dat moet ik niet. Dan weet ik het niet. Dan is alles anders dan anders. ‘Is goed voor ons,’ zegt mijn baas, ‘even uit onze comfortzone’. Maar waarom? Ik hou van gewoontes, van altijd alles hetzelfde. Van rust, reinheid en regelmaat. Mijn baas vindt dat maar saai. Dat moet ze niet. Af en toe moet en zal het allemaal anders. Gejaagd, groezelig en grillig. Maar wederom, waarom? ‘Nou’, zegt ze tegen haar vriendin terwijl we in het Darwinplantsoen lopen, ‘het is moeilijk om te bepalen of je nog tevreden bent met je gewoontes als je er nooit van afwijkt. Dus ontdek nieuwe dingen, doe nieuwe ervaringen op, vergroot je kennis.’ Ik word al moe als ik ernaar luister. Daarom deze tip van mij: laten we gezellig samen in onze vertrouwde mand blijven. Lekker dicht tegen elkaar aan, voor iedereen een botje en alleen een pootje buiten boord is meer dan genoeg. Zeker in een wereld waar bazen je maar blijven opjagen om je grenzen te verleggen.