Berusten, dat is wat je doet. Dat heb je je hele leven toch ook al gedaan, pap? Waarom zou je nu ineens iets anders doen. Ik kijk naar je op de bank, hoe je ademt of je hoest of zucht. Of je ogen open zijn of waterig of van vermoeidheid dicht.
Ik geloof het niet, van ons vier zou jij het echt niet krijgen. Mama, daar zijn we inmiddels aan gewend, zij heeft het al zo vaak te horen gekregen en van je zoon, mijn broer, hebben we het altijd wel geweten. Oké, dat ik het kreeg, dat was een verrassing. Maar jij? Je bent een boom, een rots, een onwrikbare zekerheid. Nooit een pijntje of een kwaaltje. Tja, je rookt en drinkt, maar jij zou toch echt de enige zijn aan wie dit lot voorbijging. Bij wie dit gewoon niet waar is.
Ik ga naast je zitten, misschien als ik je omhels, ga ik wel het geloven. Jij snift wat en zegt dat je morgen de papieren bij elkaar gaat zoeken. Dat je man en ik dat dan niet hoeven te doen. Dan is dat maar vast geregeld. Een speldenprik besef komt binnen.
Je kunt toe met weinig woorden. Wat je zegt is nuchter, wars van flauwekul. Toen ik je jaren geleden ’s avonds laat vanuit Italië in paniek opbelde omdat onze tent en alle spullen waren natgeregend, zei je: ‘Mörn is alles weer dreuge.’ En viel ik in een klamme slaapzak gerustgesteld in slaap.
Jouw berusting, ik ga proberen me eraan vast te houden.
Gemiste kans
Hun moeders vertelden dat ze lang het gevoel hadden gehad dat ze tekortschoten, dat hun kind een probleem was, dat het leven ontzettend zwaar was. Er waren jaren overheen gegaan om in te zien dat hun kind gelukkig is, dat ze hun zoon of dochter niet meer vergelijken met anderen. Dat ze zien dat hun kind helemaal zichzelf is, altijd in het nu leeft en uitstraalt dat alles allemaal altijd wel goed komt.
Ik huilde. Omdat ik mijn broer nog altijd mis. Maar meer nog om een gemiste kans. Dat ik toen hij nog leefde niet heb begrepen hoe mooi hij was, wat voor bijzonder mens hij was. Als ik dat toen had kunnen zien, had ik bij mezelf kunnen toelaten dat het oké is, dat hij was wie hij was.
Wie weet, als ik maar genoeg stukjes over hem schrijf, komt hij wel terug. En krijg ik een tweede kans om hem met nieuwe ogen te kunnen zien: een ontwapenend mens.
Typisch Bellingwolde
Op de openbare weg mag hij nog niet rijden, hij is pas dertien. Maar hier op het erf en op het land doet hij het wel. Samen met zijn vader koppelt hij de vlakmaker aan de trekker. Vanuit de schuur rijdt hij het land op, zijn ogen glimmen. ‘Niet te dicht langs de kanten, jongen’, roept zijn vader hem nog na.
Binnen is zijn moeder bezig met z’n jongere broer. Ze kleedt hem aan – de pyjamajas uit doen kan hij zelf – en haalt nieuw drinken voor hem. Tevreden gaat de jongste broer weer liggen in het bed dat in de kamer staat en kijkt op z’n tablet.
De grond is vlak genoeg. Hij zet de rode Case trekker in de schuur en loopt de boerderij in. Op het Kabouter Plop dekbed kliert en lacht hij wat met zijn broer. Soms kan hij met hem buitenspelen op de trampoline of zwemmen, maar dat is niet zo vaak. ‘Mijn moeder kan goed met hem praten, maar ik kan hem beter verstaan.’
In zijn eigen kamer speelt hij een videospel waarbij hij boer is en trekkers en machines koopt. Daarmee bewerkt hij het land om geld te verdienen. Van alle spellen die hij heeft, speelt hij dit spel het allermeest. Hij heeft al 8 miljoen verdiend. Natuurlijk wordt hij later boer, net als zijn vader en zijn opa. En zijn broertje gaat dan naar een huis voor kinderen net als hij. Daar kunnen ze wonen, koken, alles doen.
Hij gaat verder met oogsten op de Playstation, de combine scheidt de korrels van het stro. Dat wilde hij wel heel graag, samen met zijn broer een boerderij.
Rust, reinheid en regelmaat

Wie weet

Mei 1963, een zomerse zondag. Een jaar of twintig is ze nog maar. Hij iets ouder. Ze zijn een middagje op pad, met vrienden naar het Zuidlaardermeer. Een stukje wandelen, daarna gaat hij haar trakteren op een kop koffie bij De Gouden Leeuw.
Zal hij haar ten huwelijk vragen? Hij denkt er wel over. Maar twijfelt of ze bij zijn familie past en of hij wel goed genoeg is voor die van haar. Zullen ze kinderen krijgen? Hij wil graag een zoon, voor later op de boerderij. Maar een dochter, daar zou hij net zoveel van houden.
Een jongen en een meisje, dat heeft zij het liefst, maar eerst samen iets opbouwen. Ze fantaseert over hoe het zal zijn met hem. In een eigen huis waar ze kunnen doen en laten wat ze willen. De kerkdienst misschien eens overslaan. Chinees halen op een doordeweekse dag. Of met het vliegtuig op vakantie naar een warm land.
Hij verwacht dat het fijn is, als hij thuiskomt van het melken en zij er al is. Dat ze de dag samen doorspreken en plannen maken voor als hij weer vrij is.
Wat is hij toch knap, droomt ze, slim ook, ruimdenkend. Ze passen goed bij elkaar. Maar ook weer niet te.
Hij omarmt haar nog iets steviger. ‘Klik’, zegt de camera. Ze is anders dan alle andere vrouwen die hij kent, daar is hij voor gevallen. En ook voor haar humor en directheid. Ook al is het soms een beetje te.
Wie weet zijn ze over vijftig, zestig jaar nog samen. Laten ze hier, precies op deze plek aan het Zuidlaardermeer weer een foto maken. Met alle kinderen en kleinkinderen erbij.
Beter niet te ver vooruitdenken, je weet maar nooit.