Arriva-trein Ede Staal stopt in Sappemeer-Oost. Een vrouw met een krijsende dreumes stapt in, ik pak mijn oortjes om te luisteren naar een net opgenomen take van de band van mijn oude Groningse liefde. Meer dan een kwart eeuw zijn de vijf mannen stil geweest, maar nu katapulteert de metal mij naar de kamer in de Torenstraat, met uitzicht op de platenzaak van vrouw Hekman. Het is 1991.
Er zijn groene ogen, lange haren en grote voeten in witte sokken. Er is zelfgemaakte kipkerrie, het bord op schoot, de blik op Studio Sport. Er is een eenpersoonsbed waar we makkelijk samen in passen. Er zijn dunne wanden waardoorheen je het buurmeisje en haar vriend hoort. ‘Vindst het fijn als ik over dien buuk spoit’, zegt de vriend. ‘Mwah. Gaait wel’, antwoordt ze. Er is lol, oneindig veel lol. Over tosti’s, ananassen, Mainzelmännchen en voetbalplaatjes van spelers met snorren. Er zijn optredens tot in Tivoli en Paradiso aan toe, waar ik verlangend luister naar teksten waarvan ik hoop dat ze over mij gaan. En kijk naar een woedende en kwetsbare zanger waarvan ik denk dat hij van mij is.
Drie minuten en 48 seconden duurt het nummer, precies de tijd die de Ede Staal erover boemelt om van Sappemeer-Oost in Zuidbroek te komen. De dreumes sabbelt op een speen. Nog elf minuten en een stop in Scheemda en ik ben terug in mijn jeugd. In Winschoten, waar de metalband na ruim 25 jaar een eenmalig optreden geeft. Ik ben inmiddels oud genoeg om toe te geven dat de muziek te ruig voor me is. Voel me te stads in het prachtige festivalpark. Maar voor een half uurtje is de zanger nog net zo woedend als toen, zijn zijn ogen nog net zo vurig groen en hoop ik dat mijn Groningse liefde nooit over gaat.
Schouders
Mompelend komen de mensen binnen, maar de dochter kijkt niet om. Ze zit in het midden op de voorste rij, tussen haar man en haar broer en staart naar de kaarsen, de foto, het roze rozenhart op de kist. Haar frêle schouders zijn gestoken in een mosterdgele blouse van satijn. Ze heeft altijd al gevoel voor stijl gehad, net als haar moeder.
Als iedereen zit, valt de stilte in. Dan begint de spreekster te vertellen over de tijd dat de moeder een klein braaf meisje was. Het kastanjebruine halflange haar van de dochter wiegt een beetje heen en weer. Af en toe draait haar hoofd naar links, naar haar man en trekken haar schouders zich lichtjes samen.
‘Ik lijk het hoe te zien, maar het waarom maakt dat de haren mij te berge rijzen’, citeert de spreekster uit een raak gedicht. De rechterschouder van de dochter buigt naar haar broer.
Het verhaal vertelt verder over het geleefde leven van een lieve, zorgzame maar ook angstige vrouw. De dochter draait haar hoofd wat schuin. Het zonlicht schijnt op het diamanten oorringetje, de weerkaatsing aait haar wang. De namen van haar drie kinderen klinken en hoe blij oma met ze was. Alle drie kijken ze even opzij, naar hun moeder. De dochter spant haar schouders nog wat aan.
‘Pak mijn hand en voel het stromen, de liefde die ik bij me draag, ik vraag je…’ klinkt er uit de luidsprekers. Haar schouders zakken een stukje lager, een eindje dieper tot ze haar hoofd laat rusten op de schouder van haar man. Een schouder die voor even het dubbele moet dragen.
Nog een lied, nog een woord en dan is alles gezegd. Voorbij. De mensen schuifelen één voor één langs voor een laatste groet. De dochter staat rechtop en ondergaat de stoet. Met een keel die slikt. Gevouwen handen waar ze hard in knijpt. En ogen die naar binnen kijken. Pas als iedereen is langsgelopen, ontspannen de mosterdgele satijnen schouders zich. Haar zorg als dochter is voltooid.
Eerste citaat uit gedicht ‘ Zandloper’ van Jean Pierre Rawie
Tweede citaat uit ‘Breng me naar het water’, Marco Borsato
Kip zonder kop
Met een stuk kippengaas probeer ik het pas gezaaide gras in ons postzegeltuintje te beschermen tegen het gegraaf van Mokum. Voordat de hond in ons leven kwam, hielden wij drie kippen: Plof, Kriel en Stres. Ik mis ze nu ik mijn rechter wijsvinger aan de uiteinden van het gaas snijd. Dat onbekommerde gescharrel, het kneuterige getok, het gefladder als ze een zandbad namen…
Mijn opa Lambertus hield ook kippen. Voor de eieren en het vlees. Als ze na een jaar of twee, drie te weinig eieren legden, slachtte hij ze zelf. Zonder een kik te geven, draaide hij de nutteloze kip de nek om. Om daarna met een ferme haal van zijn bijl haar kop eraf te hakken. Door de kieren tussen mijn vingers die ik voor mijn ogen hield, keek ik toe.
Hij dompelde de vogel niet direct ondersteboven in een emmer water, maar zette haar eerst nog even op de grond. Heel soms liep de kip zonder kop nog wat spastisch rond, maar vaker zeeg ze direct ineen. Mijn opa verzekerde mij dat de kip geen pijn meer had en verdronk haar dan in de emmer. Ik haalde mijn handen voor mijn gezicht vandaan, maar vertrouwen deed ik het niet. Druipend hing opa de kip op de kop in de deurpost tussen de stal van de kalveren en de vaarzen. In het midden zaten twee haken waarin hij boontje-touw had gehangen. Er zat een ingewikkelde knoop in die mijn opa met één ruk los en vast kon maken. De kippenpoten pasten er exact in. Met haast wiskundige precisie haalde hij het vel van het dier los en stroopte het verenpak van de kip. Dan kon het uitsnijden van de onderdelen beginnen. Met één jaap sneed hij de kip in de lengte doormidden en pulkte met zijn blote handen maag, hart en lever eruit. Het orgaanvlees nam hij zelf mee naar huis, dat vond hij het lekkerst. En een poot voor oma Barbertje. De rest van de kale kip drukte hij mij in de handen. Lekker vond ik, zeker met sperziebonen en zelfgemaakte appelmoes.
Mijn vinger bloedt best hard. Door de open tuindeur vraag ik puberzoon en -dochter om een schaar. Ze horen me niet, allebei op hun eigen iPad verdiept in een eigen aflevering van Game of Thrones. Dan pruts ik zelf een stuk keukenrol om mijn vinger en haal een schaar uit de la waarmee ik een reep pleister afknip. Altijd te breed of te smal. En anders wel scheef geplakt. Er kleeft bloed aan de schaar, op de la zitten rode vegen en ik heb ook nog een beetje gemorst op de kipfilets die op het aanrecht liggen te ontdooien.
Eén plus één
Vanaf de allereerste schooldag, zij is al zes en ik nog net niet, is ze mijn beste vriendin. Gewoon zomaar. De meester zet ons naast elkaar in de klas en ik wil dat dat altijd zo blijft. Samen hangen we in de pauze op de kop aan de rekstok, spelen we winkeltje op de stenen muur langs het schoolplein en laten ons, het liefst door de tweeling, vangen met jongens-wichterspakkertje.
Haar vader is ook boer, ze hebben een grote boerderij met een heel nieuw huis ervoor aan het kanaal. Pootaardappelen, suikerbieten, maar vooral tarwe. Als het oogsttijd is, ligt de schuur stampvol korrels. Mijn vriendin en ik, we doen onze laarzen uit en springen er vanaf het trapje naar de bijkeuken met een plons in. Het mag niet van haar vader, het graan zou pletten, maar zij trekt zich daar niks van aan en ik doe graag mee. We strooien met de korrels alsof het pepernoten zijn, gaan kopje-onder, proppen elkaars sokken vol en spelen Dagobert Duckje, met miljoenen graankorrels als goudstukken.
Als we moe zijn, gaan we naar de grote, groene trommels. Eerst moeten we door de bijkeuken. Daar staat een hele grote vrieskist vol fazanten en konijnen. Als het jachtseizoen is, schiet haar vader ze zelf op hun eigen land. Dan neemt hij hun hond, een bruinwitte, mee. Het geweer en de hondenmand staan naast de vriezer. Dat vind ik net een som, één plus één is twee.
De trommels zijn tot de rand gevuld met snoep en koek. Zonder te vragen kan mijn vriendin pakken wat ze wil. En ik mag ook. Maar daarom speel ik niet het liefst bij haar. Eerlijk niet. Bij ons thuis ligt alles nou eenmaal ingewikkelder.
Ze heeft een grote zus, ook met lang haar en soms dragen ze dezelfde kleren, zij in het rood en haar zus in het blauw. De grote zus leert ons veel, hoe het dansje van Dancing Queen van Abba precies moet bijvoorbeeld en dat Mon Amour van BZN, ons allereerste singletje, Frans is voor liefde. Soms doen ze kattig tegen elkaar, dat zou ik nooit doen als ik zo’n zus had denk ik.
Zijn we klaar met spelen, dan fietst mijn vriendin altijd een stukje met me mee naar huis. Langs het kanaal, de Rhederweg op. Precies op de helft, bij nummer 98, draait zij om en fiets ik door. Ik weet niet of we omkijken en zwaaien, maar ik zou het me graag zo herinneren.
Slappe hap
Op weg naar een ouderborrel van puberdochters klas. Ik had ook gewoon lekker thuis kunnen blijven, maar ik vond dat ik moest. De luwte uit, de wereld in. Ik fiets langzaam en om, onder het Rijksmuseum door. Ik weet niet hoe ik me moet verhouden tot maatschappelijk succesvolle mensen, wil graag mijn vooroordelen over Amsterdamse gymnasium-ouders bevestigd zien en vind het tegelijk een prestatie van mezelf dat ik er één geworden ben. Van dat soort tegenstrijdige gedachtes had mijn boer nooit last. Ik vraag me af hoe hij zo’n borrel had aangepakt. Nog voor ik de museumtunnel uit ben, weet ik het al, hij zou gewoon zichzelf zijn.
Ik zet mijn fiets op slot aan zo’n ding wat ze een nietje noemen, vlak voor het imponerende huis waar ik moet zijn en bel zo gewichtig mogelijk aan.
‘Bring your own bottle’ stond er in de e-mail, dus ik heb verse munt meegenomen. Waarvan ik bij aankomst, het hele kookeiland staat vol gekurkte flessen, toch spijt heb. Nadat de gastheer mijn bosjes munt in een glas water heeft gezet, stuur ik mezelf naar een groepje medemoeders. Ze praten over de verschillen tussen de hoofdstedelijke gymnasia, waar al hun kinderen op zitten en anders zijzelf wel vroeger. Dat is alvast een vooroordeel dat klopt, denk ik verheugd. Wintersportverhalen uit de voorjaarsvakantie passeren, de bekende klaagzangen over schermgebruik worden afgewisseld met het beantwoorden van apps. Meepraten doe ik niet, laat staan mezelf zijn. Een tijd lang staar ik vertwijfeld naar het anderhalf meter lange, bordeauxrode gasfornuis, tot een vrouw met een te grote gouden ketting vraagt wat ik doe.
‘Ik kijk naar het fornuis’, hoor ik mezelf zeggen, ‘en ik ben bang dat iemand mij vraagt wat voor werk ik doe. Ik zou liever thuis met een zak Engels drop Netflix liggen te kijken, maar ik heb mijzelf opgedragen deze borrel als een project te zien en ben nog niet geslaagd.’
De vrouw haalt haar telefoon tevoorschijn en laat mij de Telegraaf app zien. ‘Ik werk voor die krant’, fluistert ze, ‘maar dat durf ik hier niet hardop te zeggen.’ Ze blijkt ook op een boekenclub te zitten en van slappe hap te houden, schenkt onze wijnglazen barstensvol, is bang dat haar oudste zoon blowt, vindt haar jongste zoon stoffig, wat precies bij die school past en zo wordt het toch nog gezellig.
Als ik naar huis ga, vraagt de gastheer me of ik de munt weer mee wil. Geef je die flessen dan ook terug, wil ik antwoorden, maar ik bedank beleefd. Had mijn broer vast anders aangepakt.