Bart lacht naar mensen die hij aardig vindt. En als ze stom zijn, kijkt hij ze niet eens aan. Komt hij op straat een gehandicapte tegen, dan roept hij heel hard ‘Handicap!’ en wijst vrolijk naar de persoon die iets mankeert. Ook durft hij gewoon grapjes te maken over mensen waar ‘iets mee is’. Over Berend bijvoorbeeld. Berend is de vakkenvuller van de Spar, de supermarkt helemaal achterin ons dorp aan het einde van de Hoofdweg, nog veel verder dan waar opa en oma wonen.
Oma Barbertje zegt dat Berend niet een van de snuggersten is. En dat hij daarom zijn dagen vult met het sorteren van pakjes Knorr-soep, het stapelen van rollen Komo vuilniszakken en het uitpakken van verschillende smaken Saroma pudding. ‘Alleen even kloppen met koude melk’, lekker praktisch vinden de Bellingwolder plattelandsvrouwen dat. Tot groot verdriet van oma die haar pudding zelf kookt van verse melk, eieren, maïzena, rietsuiker en een vanillestokje. Op oma’s pudding drijft altijd een vel en op Saroma nooit, maar dat zeg ik maar niet tegen haar.
Mama is ook niet echt een fan van Berend.
‘De schappen van de buurtsuper zien er door Berends toewijding altijd strak uit,’ zegt ze, ‘maar met zijn eigen hygiëne neemt hij het minder nauw.’
Op een dag na het boodschappen doen, Bart en ik kregen net een amandelring van papa voordat hij ging melken, kwam ze zuchtend de keuken binnen. Twee boodschappentassen in één hand.
‘Ik kon de Aromat niet vinden en moest het Berend wel vragen. Man, man, wat stinkt dei vent.’ Ze had haar wenkbrauwen opgetrokken toen ze het lege pak amandelringen op het aanrecht zag. Toen Bart en ik de keer daarop met mijn moeder meegingen naar de Spar – ‘Als jullie al die amandelringen zo snel opeten, dan ga je ook maar mee om ze te kopen’, had mama tegen mij gezegd – vroeg Bart aan Berend of hij ook een douche had.
Zo makkelijk kan het dus zijn. Als iemand stinkt, dan vraag je of hij een douche heeft. Is meester Milner boos op mij, omdat ik me bij schaakles direct herdersmat laat zetten, dan vraag ik gewoon welke zetten beter waren geweest. En als mijn allerbeste vriendin Lotte ineens met een ander meisje gaat spelen, vraag ik gewoon of ik ook mee mag doen.
Ongelukje
Bart en ik schelen maar anderhalf jaar. Dat hebben papa en mama expres zo gepland. Dan zouden ze snel uit de luiers zijn. Ik ben niet expres, ik ben een ongelukje. Gisteren ben ik elf geworden en aan de manier waarop mama aan het aanrecht staat en een appel voor mij in vieren snijdt, kan ik zien dat ze het verhaal van het ongelukje gaat vertellen. Dat doet ze elk jaar rond mijn verjaardag. Ik vind de schil niet lekker, maar direct onder de schil zitten de meeste vitaminen en dat is belangrijk. Mama komt ook aan de eetkamertafel zitten en schuift de stapel wiskundeproefwerken van haar leerlingen naar zich toe.
‘Maaike, jij was eigenlijk niet de bedoeling. Tonko en ik, we waren net getrouwd en we wilden eerst nog flink van onze vrijheid genieten. Hij stopte al z’n energie in de boerderij en ik was net begonnen met mijn studie wiskunde bij de Leidse Onderwijs Instellingen. Kinderen, daar waren we nog niet aan toe. Maar ja, we waren jong. Onhandig ook. We gingen voor het zingen de kerk uit. Weet je wat dat is?’
Ze klikt een paar keer met haar rode balpen. Ik haal mijn vingers door mijn korte haar en knik hard van ja. De eerste keer dat ze me het verhaal vertelde had ik nee geschud en toen had ze me uitgelegd wat dat dan precies was, voor het zingen de kerk uitgaan. Piemel, klaarkomen, sperma… de griezelige woorden hadden zich vastgeklonken in mijn hoofd.
‘Echt betrouwbaar was zo’n kerkdienst niet.’
Ze geeft me een knipoog en krast met een rode pen een som door. Terwijl ik een torentje bouw van de stukjes appel, probeer ik aan een echte kerkdienst te denken. De pepermuntjes van oma Barbertje, de kindernevendienst waar ik altijd een stuk uit de bijbel mag voorlezen omdat ik dat zonder haperen kan, het zachte zachte fluweel van de collectezak… Telkens als ik het laatste partje bovenop wil leggen, stort het bouwwerkje in.
‘Maar we zijn hartstikke blij met je Maaike, natúúrlijk. Ik heb geen kind aan je. Zoveel makkelijker dan Bart.’
Ik krijg een warm gevoel in mijn buik, een makkelijk kind, dat is wat ik wil zijn. Kan Bart mooi de moeilijke zijn. Ik eet een stukje appel en bouw van de rest een toren. Zie je wel, het moet gewoon niet zo hoog. Mijn moeder is alweer aan het strepen in de proefwerken. Met een zucht schrijft ze een cijfer in het vakje rechtsboven naast de naam van de leerling. Een vier min voor Edzo Schortinghuis.
Gehandicapt, gay en gelukkig
We hebben afgesproken in de stad, mijn vader, Johan, Bart en ik. Op het terras van gay-café El Rubio zit ik te wachten. Aan een tafeltje tegen de gevel van het café, met net genoeg zon voor ons allemaal. Halverwege de Zwanestraat zie ik ze aankomen, Bart tussen mijn vader en Johan in, handenwringend en grijnzend als hij het café in z’n vizier krijgt.
‘Ha broer,’ zeg ik.
Hij lacht terug en loopt zo snel hij kan de trap op naar binnen, naar de bar. Daar wil hij zitten. Daar wil hij altijd zitten. Mijn vader loopt hem achterna. Om hem een barkruk op te helpen. Om hem niet uit het oog te verliezen. Johan twijfelt, binnen-buiten, buiten-binnen.
‘Kom,’ zeg ik, ‘wij gaan ook naar binnen.’
Als een koning zit Bart aan de bar, mijn vader naast hem. Johan wurmt zich ook op een kruk. Ik begroet mijn vader en doe alsof dit alles heel normaal is. In nog geen jaar tijd ben ik op kamers gegaan, is mijn moeder verliefd geworden op een vrouw en woont mijn vader samen met een man. Nog mazzel dat Bart gewoon gehandicapt is gebleven.
‘Cola én cassis,’ joelt hij, als de barkeeper hem met een knipoog vraagt wat hij wil drinken.
‘Maaike bier,’ kiest hij voor mij.
Het pilsje staat nog niet voor me of Bart roept al: ‘Schuim doen! Schuim doen!’
Ik dompel m’n kin in het glas en kom langzaam met een witte schuimbaard naar boven. Bart glundert en slaat met twee handen op z’n knieën – hij glijdt bijna van z’n kruk.
Af en toe loert een van de mannen aan de overkant van de bar naar Bart. Hij lacht vrolijk terug en mijn vader slaat een arm om hem heen. Zou Bart ook gay zijn, vraag ik me af. Dan ben ik echt het zwarte schaap van het gezin.
Als de cola en de cassis op zijn, pulkt Bart z’n portemonnee uit z’n broekzak – hij krijgt iedere week zakgeld van de leiding – en zegt ‘Betalen’ tegen de barman. Hij kijkt naar de rekening, roept ‘Duur!’ en legt twee grote munten op de bar. Hoe groter de munten zijn, hoe meer geld het is. Briefgeld, daar ziet hij de waarde niet van in.
Terwijl mijn vader nog een keer afrekent, trekt Bart zijn jas aan. Hij houdt de jas voor zich open, steekt kruislings z’n armen in de mouwen en gooit dan de jas over z’n hoofd op z’n rug. Dan draait hij z’n armen weer recht en zit de jas als gegoten. Ik hoop dat de sjansende man het heeft gezien.
‘Saté, Soestdijk,’ roept Bart naar ons. Wij gooien de laatste teugen achterover en vertrekken naar het honderd meter verderop gelegen restaurant in de Kromme Elleboog waar de eigenaar ons enthousiast verwelkomt.
Gramieteg
Ik heb mama wel eens gevraagd of ik nog een gezonde broer of zus kon krijgen. Al was het alleen maar om daar ruzie mee te maken of de baas over te spelen. Ik probeer dat wel bij Bart, dan gris ik bijvoorbeeld snel het grootste stuk taart voor zijn neus weg als we een verjaardagsfeestje hebben. Maar dat ziet hij niet eens. Oma Barbertje, die ook op de verjaardag is, ziet het wel, zij ziet sowieso alles. Ze houdt haar mond in een piepklein lachje, daaraan kan ik zien dat zij het ook heeft gezien.
Ik moet ineens denken aan de manier waarop ze haar haar kamt. Ze doet dat aan de eetkamertafel met haar ogen dicht. Ze haalt een kastanjekleurige kam waarvan de tanden aan de ene kant veel dichter bij elkaar staan dan aan de andere kant, met gramietege bewegingen die helemaal niet passen bij de lieve vrouw die ze is, door haar permanent. Ik vraag haar weleens of ze haar ogen open wil laten, maar hoe hard ze ook probeert, bij elke kambeweging gaan ze automatisch dicht. Alsof ze zichzelf niet wil zien in een spiegel die er niet is.
Ook in bad probeer ik Bart wel eens boos te krijgen. Doordeweeks en in het ene weekend poedel ik er alleen in, maar in het andere weekend klotsen we samen. Als ik het kleine oranje visje waar water uitkomt als je erin knijpt van hem afpak, geeft hij me ook nog het paarse badeendje en zegt lachend: ‘Paarse cassis-kleur voor Maaike.’ Dat is ook nog een heel verhaal, Bart en zijn kleuren, maar dat komt nog wel een keer.
Gooi ik per ongeluk expres zijn boterham met hagelslag op de grond en roep ik ‘Kijk mam, wat Bart heeft gedaan’, dan lacht hij gewoon en zegt mama dat ik motblik en veger uit het aanrechtkastje moet pakken.
Nou ja, die gezonde broer of zus, die is er niet gekomen. Ik zou een keer ruzie kunnen maken met mijn beste vriendin Lotte, of met papa of mama, maar dat durf ik niet. Misschien moet ik juist blij zijn dat ik geen ruzie kan maken. De meeste mensen willen toch vrede? Tenminste, daar zingen ze in de kerk altijd over.
Aardappelenvleesengroente
Zaterdagavond is onze gezinsavond. ’s Avonds eten we Chinees, wat we bij Golden City in de Torenstraat in Winschoten halen. Na de babi pangang krijg ik cassis, Bart ook als het zijn thuisweekend is. En een plastic bakje vol chips en rozijntjes die we voor de televisie opeten. Bart geeft de rozijntjes die er een beetje anders uitzien altijd aan mij. Dat is ook wel zo eerlijk, want zijn bakje is het grootst.
Zondag vind ik ook een fijne dag. Als we ’s ochtends uit de kerk komen, mag ik met mijn handen een tompouce eten – volgens mij is dat het enige gebakje waar je niet dik van wordt – en daarna komt de kip op tafel. Ik krijg een vleugel, die wil ik ook het liefst en een schep zelfgemaakte appelmoes. Het is helemaal feest als Bart niet thuis is en oom Hein dienst heeft op de boerderij. Dan doet papa de la van de spelletjeskast open en mag ik kiezen: Rummikub, MasterMind of Pim Pam Pet. Ik zou het liefst alleen maar Pim Pam Pet spelen, omdat ik heel veel weet, maar ik kies elke keer een ander spel omdat mijn vader op een zondag ‘Alweer Pim Pam Pet?’ heeft gezegd. Van mijn zakgeld heb ik een notitieboekje gekocht, waarin ik precies bijhoud welk spelletje er die zondag aan de beurt is.
Door de week is alles anders, dan eet ik meestal alleen met papa. Dat kan niet anders, want hij wil om 12 uur aardappelenvleesengroente eten, dat willen alle boeren, en mama is dan aan het lesgeven en kan dus niet koken. Papa pikt mij in de pauze bij het schoolplein op en samen rijden we in de chocoladebruine Chevrolet Nova vierhonderd meter verderop naar ‘De Twee Karspelen’, het enige hotel-café-restaurant van ons dorp. Mama heeft geregeld dat we daar elke dag dat zij voor de klas staat, met de pot van de eigenaar en zijn gezin kunnen mee-eten. Zo zit ik drie of vier keer in de week met mijn vader aan een vierpersoonstafel in een restaurant, al naar gelang mijn moeders lesrooster. Al naar gelang, dat zijn veel te volwassen woorden voor een kind, maar ik vind ze deftig klinken.
De vrouw van de eigenaar schept iedere keer te veel jus op mijn bord. Maar nog erger is dat ze het toetje, gele vla uit een fles – behalve op vrijdag dan krijgen we Saroma pudding met frambozensmaak – in hetzelfde bord schenkt.
‘Of ik misschien een schaaltje mag?’ vraag ik haar als ze de fles vla weer eens boven mijn bord houdt.
‘’n Bakje? Dat is alleen voor hotelgasten’, antwoordt ze en giet de vla middenin de plas jus die ik heb laten staan.