Goud genog

Het liefst ga ik elke dag even bij oma langs. Samen met opa woont ze een kilometer verderop, ook aan de Hoofdweg, aan de kant met de even huisnummers, net als wij. Het is 38 huizen lopen. Ik mag alleen, maar dan moet ik wel over het voetpad dat aan de overkant van de weg ligt. Oversteken, links-rechts-links. Mijn lagere school, de christelijke, staat ongeveer halverwege, ook aan de even kant. Als ik daarnaar toe loop, hoef ik van papa en mama niet oversteken. Een klein stukje over de zanderige berm, dat zal wel los lopen. Ik spring gewoon verder het zand in, als er grote trekkers met maaimachines of combines langs me over de klinkers denderen. Zelfs als ik nieuwe schoenen heb.
Opa is in de tuin aan het werk. Daar is hij altijd te vinden sinds mijn vader en oom Hein de boerderij van hem hebben overgenomen. Hij helpt nog wel mee op het bedrijf met kalfjes voeren, kippen slachten en schapen scheren, maar z’n tuin is nu z’n werk. Eindeloze bedden met aardbeien waar volgens mama niet tegenaan te eten valt, lange rijen sperziebonen, veel teveel voor de hele winter, liggen er perfect bij. Het gazon is altijd smetteloos. In de herfst blijft hij maar harken. ‘Op kop in de bloaden’, zoals papa dan grappend zegt.
Door het linkerraam van het witte huis zie ik oma zitten. Ze kijkt op van haar breiwerk en legt haar pennen op het voetenbankje. Al zwaaiend loopt ze naar het raam. Ze volgt me net zolang, tot ik veilig ben overgestoken. Links-rechts-links. Hard huppel ik via de zijdeur die nooit op slot is de keuken in. Het ruikt nog naar draadjesvlees, rode kool en zelfgekookte vla. Om 12.00 uur warm eten, dat doen alle boeren, ook als ze niet meer op een boerderij wonen.
‘Kom binnen, kind’, roept oma vanuit de woonkamer.
Ze heeft mijn thee al ingeschonken en op het mozaïeken bijzettafeltje gezet. Naast de blauwe koektrommel die zo moeilijk opengaat. Ze haalt de deksel eraf, het puntje van haar tong piept uit haar mond. De spritsen, pennywafels en zelfs de gewone biscuitjes vechten om mijn aandacht. ‘Neem maar van elk één, Maaike’, zegt oma. Van mama mag dat nooit, ik heb aanleg om dik te worden.
‘Mama moet alweer proefwerken nakijken’, zeg ik en steek eerst het gewone biscuitje in mijn mond. Dan de pennywafel, de sprits bewaar ik voor het laatst. Die is het lekkerst, helemaal als oma achter het harmonium gaat zitten. Ze speelt graag gezangen, psalmen vindt ze ouderwets. De tekst neuriet ze erbij. Als mevrouw Ooi, de vaste organist van onze kerk, ziek is, mag oma invallen. Ze oefent elke dag, want je weet maar nooit of mevrouw Ooi zondag wat onder de leden zal hebben. Om geluid uit het harmonium te krijgen, moet je pompen met beide voeten, zo stuw je er lucht in, en tegelijkertijd druk je met je vingers de toetsen in.
Mijn oma kijkt op de bruine klok met de torentjes die op de schoorsteenmantel staat. ‘Vooruit, nog één lied dan, dan moet je maar weer eens naar huis.’
Ik kan het eerste couplet helemaal meezingen: ‘De Heer is mijn Herder! ‘k Heb al wat mij lust’ en dan denk ik vooral aan de spritsen. ‘Hij zal mij geleiden, naar grazige weiden. ’Dat vind ik ook mooi, voor Bart omdat hij zo van koeien houdt. En de laatste regels ‘Hij voert mij al zachtkens aan waat’ren der rust.’ Dat is het opgeluchte gevoel wat ik heb als ik mijn plas te lang heb opgehouden en dan toch eindelijk naar de wc ga.
Oma klapt de klep van het harmonium dicht en loopt met me mee naar de kapstok in de gang. Ze geeft me mijn houtje touwtje jas, knoopt de sjaal zorgvuldig om mijn hals, pakt mijn hoofd in beide handen en kust me zachtjes op mijn voorhoofd. Ik ruik de eau de cologne achter haar oren.
‘Laaiverd,’ zegt ze,‘du bist goud genog.’

Die Ene

Alle koeien die mijn broer Bart bijzonder vindt, krijgen een naam van hem. Voetbalkoe heeft zwart-witte vlekken in de vorm van een bal. Gekke Geluid, dat is een koe die heel vreemd loeit, als papa met het melkstel haar spenen vacuüm zuigt. En Puzzelstukje is een koe met een tekening van een puzzelstukje op haar vacht. Yoghurt-kleur is er ook nog, omdat ze bijna helemaal wit is.
Ik verzin ook wel eens een naam voor een koe, Pinokkio voor een koe met een lange snoet of Brillie, zij heeft grote witte cirkels om haar ogen. En eentje noem ik Bambi omdat ze zo wankel loopt dat het lijkt alsof ze elk moment kan uitglijden op de gladde roosters boven de mestkelder. Mama zegt dat die namen te moeilijk zijn voor Bart. ‘Hij benoemt wat hij ziet’, zegt ze. Dan zouden mijn koeien Langsnoet, Rondoog en Uitglijder moeten heten, maar dat vind ik stom.
Er lopen een paar koeien rond die naar papa’s smaak teveel gras morsen. Als ze een hap gras in hun bek hebben, gooien ze met zoveel kracht hun kop in de nek dat meer dan de helft van het gras in de mestkelder belandt. Die koeien, het zijner een stuk of vijf van de honderd, krijgen van papa een ijzeren ring in hun neus, zodat ze zichzelf bezeren als ze met gras lopen te klieren. Een prima manier om slecht gedrag af te leren, vindt hij. Een van die koeien noemt Bart Ring in de Neus. De anderen, die ook een neusring hebben, hebben geen naam.
Die Ene, die ben ik nog vergeten. Ik heb geen idee waarom Bart haar zo noemt. Die Andere heb je dan weer niet. Mama kan wel meer zeggen over Bart en te moeilijk, maar dit zijn dingen die ik niet snap. Terwijl ik juist graag zoveel mogelijk wil begrijpen. Op school kan ik dat heel goed. Dat zegt mijn meester ook. Dat ik een gretige leerling ben. Leergierig. Dat is een woord dat niet klopt, want als je veel wilt leren, hoe kun je dan gierig zijn? Dat vindt de meester dan weer precies een opmerking voor mij.
Papa en oom Hein hebben natuurlijk geen namen bedacht voor al hun honderd koeien. Zij herkennen de koeien aan de cijfers op hun bil. Zo kunnen ze ze uit elkaar houden en weten ze precies hoeveel biks ze ze moeten voeren. Of voor welke koe het tijd is om een spuit met spul te krijgen, zodat er weer een kalf komt.
Bart weet niks van cijfers, hij kan het verschil tussen een vijf en een negen niet eens zien, maar als hij na twee weken tehuis het weekend weer thuis komt, ziet hijdirect welke koe nu rechts in plaats van links in de ligboxenstal staat. Of welke koe gekalfd heeft en weer terug in de stal is. Papa en mama vinden dat heel erg knap van hem. Als er iemand langskomt, vertellen ze graag wat hij allemaal kan. ‘Bart kan met z’n knuist een pen vasthouden’, zegt mama terwijl ze met de dirigent van het plattelandsvrouwenkoor door een map met repertoire bladert. ‘Hij kan een zin van drie woorden uitspreken’, vertelt papa aan de veehandelaar en stopt het zwarte geld dat net in zijn hand gemoffeld is, in het donkerrode blikje bovenop de koelkast. Of dat hij op paardrijden zit, daar hebben ze het vaak met de dierenarts over, want zijn zoon rijdt ook bij manege de Dollard in Winschoten. Eén keer toen de dierenarts na een keizersnee binnenkwam voor een kop koffie en het weer over paardrijden ging, zei ik dat Bart twee mensen nodig had om op het paard te kunnen blijven zitten. Maar volgens mama ging het daar niet om.

Lauwersoog

Iedere eerste vrijdag van de maand rijden opa en oma vanuit Bellingwolde naar Lauwersoog om vis te kopen. Dat kun je ook in Winschoten doen, bij de viskraam van Lich, ‘Haring in het land, dokter aan de kant’, maar oma wil alleen schol en kibbeling waarvan ze zeker weet dat het dicht bie hoes is gevangen. Dichtbij huis is dichtbij Zoutkamp. Daar is ze geboren. Aan de Grachtstraat, dat vertelt ze altijd als we langs haar geboortedorp rijden. En ook dat ze twee broers had die garnalenvisser waren, maar ooit in een storm verdronken zijn.
Als mijn broer thuis is uit het tehuis en ik ook vrij ben van school, mogen we mee. Samen zitten we achterin de auto van opa en oma. Hij wil voorin, maar daar wil oma niets van weten.
‘Geen gezeur Bart, jij bent een kind en kinderen horen achterin,’ zegt ze tegen hem voordat ze instapt.
Opa zit al achter het stuur. Oma zet haar handtas op schoot, haalt een rol King tevoorschijn en peutert er twee pepermuntjes uit, die ze aan mij geeft. Bart heeft zijn mond al open en ik leg een pepermunt precies in het midden op zijn tong. Hij begint verwoed te kauwen en vermaalt het snoepje zo snel hij kan tot kleine stukjes. Ik draai me van hem af en kijk door het rechterraam naar buiten. Gestaag glijdt de ruilverkaveling van het Oldambt voorbij. Langzaam smelt de pepermunt in mijn mond.
Na een uur, we zijn Zoutkamp net voorbij en oma heeft verteld van de Grachtstraat en de garnalenvissers, draait ze het autoraampje naar beneden en zuigt gretig de lucht haar neus in.
‘We zijn bijna in Lauwersoog,’ zegt ze. ‘Ik ruik de zee al.’
Opa heeft de auto nog nauwelijks voor de visafslag geparkeerd of ze springt de auto al uit. Rechts naast de ingang staat een plastic hoorn met softijs die nog groter is dan opa. Iemand heeft er met een viltstift ‘Joost was here’ opgekrast. Zo’n groot ijsje, dat is reclame vindt mama, dat doen ze expres zodat je zin krijgt in ijs. Daar moet je niet intrappen.
‘IJs, ijs,’ roept Bart.
‘Jij krijgt straks een dikke ijsco, Bart,’ zegt opa en helpt hem de auto uit. ‘Eerst vis halen.’
Oma staat al in de rij voor de toonbank met een nummertje in haar hand.
’t Is drok. Er zijn nog vijf mensen voor ons.’ Ze probeert in de vitrine kijken, maar er staan te veel mensen voor haar.
‘Jij een portie kibbeling, Maaike?’ vraagt oma.
Ik knik. ‘Mag ik ook van die witte saus?’
‘En Bart zeker patat met een frikandel speciaal?’
Frieten en frikandellen bestellen bij een vishandel, dat mag gewoon van mijn oma.
Bart legt zijn hoofd in zijn nek en buigt hem met een grote klap naar voren. Hij maakt er een grommend geluid bij. De mensen die voor oma staan, kijken verschrikt achterom.
‘Ga jij daar alvast met Bart zitten?’ wijst opa naar een plastic tafeltje vlak bij de deur. Bart beweegt zijn hoofd nog steeds schokkerig voor- en achterover. Ik pak zijn hand vast en loop zo snel hij kan naar het tafeltje. Hij zit nog niet of hij smeert met zijn wijsvinger een klodder mayonaise uit een leeg frietbakje dat niet is weggegooid. Nog net op tijd kan ik met een vergeten servet zijn vinger schoonvegen. Gelukkig houdt hij zijn hoofd stil.
Oma staat inmiddels vooraan zie ik en wijst driftig naar de vitrine. Ze vindt bijna alles goed, mijn oma, maar als het over vis gaat, is ze heel precies. Ik stapel de lege friet- en visbakjes op en loop ermee naar de prullenmand. Als ik weer terugkom, is Bart aan een andere tafel gaan zitten.
‘Ook petat, ook petat,’ zegt hij en wijst naar de frieten van een van de kinderen die verschrikt naar hun moeder kijken.
‘Oh, hij hoort bij jou,’ zegt ze opgelucht, als ik naar Bart gebaar dat hij mee moet komen. Hij blijft zitten, ik blijf  ‘Kom nou’ zeggen. Tot opa eraan komt met een vol dienblad. Dan schuift Bart zijn stoel met een ruk achteruit en gaat weer aan onze tafel zitten.
‘Oma komt zo, ze is nog aan het afrekenen, maar wij gaan vast beginnen, of niet dan Bart,’ zegt opa en zet een bakje friet en een frikandel speciaal voor Bart neer. Hij neemt meteen een grote hap. Ik haal mes en vork uit het witte servetje en snijd een stukje kibbeling af. Voorzichtig doop ik de vis in de saus. Precies genoeg. Opa veegt lachend de ketchup van Barts wangen.
‘Een beetje rustig aan Bart.’
Dat hij zo schrokt, daar kan hij niks aan doen, heeft mama mij een keer verteld. Dat komt omdat zijn hersenen het niet goed doen. Daarom knikt en schudt hij zo hard met zijn hoofd. Daarom loopt hij als een eend die haast heeft. Daarom praat hij in korte woordzinnen. Daarom dit en daarom dat. Altijd alles komt omdat hij er niks aan kan doen.
‘Wat eet jij keurig met mes en vork, Maaike,’ zegt oma. Ze zet een zware plastic tas naast haar stoel. Straks als we weer thuis zijn komt de hele familie bij haar vis eten, oom Hein en tante Lisa, papa en mama en ik. Voor Bart smeert ze dan altijd twee boterhammen met jam. En een dikke laag roomboter.
Opa schuift het bakje kibbeling dat hij voor de helft heeft opgegeten naar oma toe. Ze neemt een grote hap. Bart smeert weer met zijn wijsvinger door de mayonaise, maar opa en oma laten hem geworden.
‘Als Maaike haar vis op heeft, krijgen jullie nog een ijsje,’ zegt oma. Ik stop gauw de laatste stukjes in mijn mond. Bart waggelt al naar de softijsmachine. Oma bestelt één kinderijsje en drie oubliehoortjes. Met een grote grijns pakt Bart het kinderijsje uit oma’s hand. Hij knijpt net niet te hard in het koekje en houdt het ijsje ook nog recht. Verlekkerd kijk ik naar mijn grotemensen-ijsje. Oma wijst naar de toren van kinderhoorntjes naast de softijsmachine.
‘Daar weet hij toch niks van,’ knipoogt ze.

De koe der koeien

Tijdens het ontbijt praat ik met puberdochter over mijn broer. Dat hij goddomme alweer 18 jaar dood is. Vijf laar langer dan dat zij leeft. Een realiteit die wij allebei niet snappen. Ik vraag of ze koffie wil en terwijl ik de melk opschuim probeer ik me te herinneren of mijn broer ook koffie lustte. Ik weet het niet meer. Bel mijn vader, app mijn moeder, eet een zak Engels drop leeg – behalve de roze en blauw gespikkelde en de zwarte staafjes – en stap in de trein richting Den Haag. Nog een beetje misselijk loop ik het Mauritshuis binnen. Ik wil ‘Het melkmeisje’ zien, dat daar helemaal niet blijkt te hangen. Wel staan er heel veel mensen voor ‘Meisje met de parel’. Ze luisteren naar een gids die vertelt dat het meisje elke dag een andere uitdrukking op haar gezicht heeft. Alsof zij zijn stemming van die dag aanvoelt. Ik kijk nog eens goed, maar kan slechts een halve mond en een oog ontwaren.

‘Het puttertje’, het andere schilderij waarvoor ik kom, hangt er wel. Een onooglijk, donker portretje van een vogel die niet mag vliegen. Teleurgesteld loop ik verder langs bloemstukken, landschappen en zelfportretten van Rembrandt, tot ik met een schok tot stilstand kom voor een muurvullend schilderij waarop een koe staat afgebeeld. ‘De stier’ is de titel en die staat dan ook prominent afgebeeld, maar het is de koe in de bijrol die ik zie. Een koe! Op de sterfdag van mijn broer. Het is niet zomaar een koe, het is de koe der koeien. Tevreden herkauwend ligt ze in het schilderij. Ik hoor het pompende geluid van de melkstellen, die zich vastzuigen aan de uiers, ruik de ammoniakgeur die opstijgt uit de mestkelders. Helemaal rechtsachter in de stal staat mijn broer. In een oude winterjas, een vale spijkerbroek, op groene stevels, met een grijnslach om zijn mond. Hij buigt voorover en brengt zijn hoofd dicht naar een koe die haar kop door het voerhek heeft gestoken. Ik kan net niet horen wat hij fluistert. Dan trekt hij wat sprieten uit de kuilgrasbult, maakt er een toeve van en steekt het in de bek van de koe. Nog een toeve voert hij en nog één en nog één. Hij stopt pas als ik wegkijk van het schilderij.

 

Amandelring

Ze had die avond langer voor de spiegel gestaan dan anders. Het haar met groene zeep omhoog. Een blauw oogpotlood, wat eyeliner, of zou hij daar niet van houden? En welk t-shirt zou ze aan doen? Van Doe Maar? Of toch gewoon een zwarte? Als hij dat maar niet te alternatief vond. Ze was al een tijdje heimelijk verliefd op hem, nou ja, haar vriendinnen wisten het natuurlijk wel. En het was uit tussen hem en Susan. Ze wist heus wel dat zij zijn grote liefde was, maar toch. Toen ze rond half elf de trap van het café op liep om op de eerste verdieping naar de dansvloer te gaan, was hij er al. Haar vriendinnen stootten haar aan, kijk daar. Ze kreeg een hoofd als een boei. Vlakbij de bar stond hij, met z’n prachtige rode haar en een kwajongensblik in zijn ogen. Omdat ze niet wist waar ze haar armen en benen moest laten, begon ze zich uit te sloven op de dansvloer. ‘Come back and stay’ van Paul Young, ‘Big in Japan’ van Alphaville. Bij elk nummer iets dichter bij hem in de buurt. Keek hij nu naar haar? Lachte hij? Of leek het maar zo? Toen de laatste tonen van ‘Do you wanna hold me’ van Bow Wow Wow klonken, trok hij voorzichtig aan haar arm. Of ze ook een pilsje wilde? Z’n stem kwam net boven de keiharde muziek uit. Ze had nog nooit bier gedronken, maar antwoordde zo stoer en nonchalant mogelijk: ‘Ja, lekker.’ Hij liep naar de bar en zij keek hem na. Aan de andere kant van de dansvloer stonden haar vriendinnen te seinen en te joelen. Ze voelde zich opgelaten. Zou het nu dan eindelijk gebeuren? Die eerste zoen waar ze zo naar verlangde en waar ze zo tegenop zag. Monique, haar vriendin met de meeste ervaring, had haar er van alles over verteld: hoe je je tong moest bewegen, dat je je hoofd wat schuin moest houden en dat je ook kon oefenen op je eigen arm, maar dat had ze niet gedaan.
Hij kwam terug met twee pilsjes in één hand. Misschien had ze liever boven met hem willen zitten, waar de muziek wat zachter was, maar zo was het ook goed. Hij leunde een beetje tegen haar aan, gaf haar het glas en proostte. Ze nam een slok en bleef lachen, ondanks de bittere smaak in haar mond. Hij keek opzij, met ogen vol bravoure, tenminste dat hoopte ze. Zo bleven ze een tijdje staan. Aan de zijkant van de drukke dansvloer. In een paar teugen had hij z’n glas leeg, toen keek hij haar echt heel lang en veelbelovend aan. Ze wilde haar glas wegzetten, maar durfde niet te bewegen. Alles gewoon over je heen laten komen, was het laatste wat ze dacht. Hij legde zijn linkerarm over haar schouder en trok haar zachtjes naar zich toe. Met zijn rechterhand raakte hij heel even haar wang aan. De vriendinnen waren weg, de dansvloer leek leeg en het geluid van de muziek was verdwenen. Zijn hoofd met het prachtige rode haar kwam dichterbij. Zijn lippen op die van haar. Eerst proefde ze alleen maar bier, maar al gauw was ze dat vergeten. En was er alleen het spel dat de tongen speelden. Toen ze elkaar eindelijk loslieten, had ze haar glas bier nog steeds vast. Ze nam een stevige slok. Het smaakte naar meer.
Net geen drie weken zou haar eerste echte verkering duren. Toen ze op een donderdagochtend naar school fietste, vond ze in het gras naast de weg een portemonnee. Met 20 gulden. Ze haalde het geld eruit, ook al knaagde haar geweten. Op het schoolplein nodigde ze haar vrienden allemaal uit om in de grote pauze mee te gaan naar het café. Zij trakteerde. Susan, Monique en Jasper bestelden koffie en cola, maar hij hoefde niks en zij kreeg buikpijn. Toen ze haar koffie op had, vroeg hij of ze even mee naar buiten ging. De knoop in haar maag werd nog groter. Ze liepen een stukje over het plein en stopten bij de kerk. Daar kwam het hoge woord eruit. Hij wilde niet meer. Natuurlijk wist ze het, ze had het al die tijd geweten. Het was Susan, het zou altijd Susan zijn. Ze begreep het, maar pijn deed het wel. Na de pauze ging ze nog naar Engels, maar toen ze het laatste uur wiskunde had, kon ze zich niet langer goed houden en meldde zich af bij de conciërge. Het was ver, de twaalf kilometer alleen op de fiets naar huis. Er leek geen einde te komen aan de rechte wegen. De brug over het kanaal was veel steiler dan anders. Ook nog tegenwind. Of verbeeldde ze zich dat?
Haar ouders zaten in de keuken koffie te drinken. Waarom ze nu al thuis was? Hortend en stotend kwam het verdriet eruit. Hij wilde niet meer. Om toch of omdat. Ze wist het niet. Het maakte ook niet uit. Er zat nog één amandelring in de trommel. ‘Die is voor jou,’ zei haar moeder.