
Nog geen 24 uur na het einde van de competitie was ik alweer in de Johan Cruyff ArenA. De kortstondige hoop toen Sparta scoorde, het niet juichen van Wout Weghorst na de 2-0, de tranen van Farioli, ik had het allemaal meegemaakt, maar kennelijk kon ik, in tegenstelling tot de trainer, nog geen afscheid nemen.
Een paar weken eerder was ik, samen met 174 andere gelukkigen, digitaal op tijd geweest om een stukje heilig gras te bemachtigen. Daar moesten we wel een lieve duit voor neerleggen, die overigens naar de Ajax en Johan Cruyff Foundation ging, maar dan mocht je het kleinood, 20 bij 20 centimeter, ook zélf ín de JCA ophalen. Met een gast. De zoon en de dochter konden niet, maar vonden het ook te kinderachtig denk ik. Gelukkig dacht mijn buurjongen J (9) daar totaal anders over. Hij mocht eerder weg van school, had z’n complete Ajax 125-jarig jubileum tenue aan en stond te stuiteren om mee te gaan. Op weg naar de ArenA blies hij me om ver met weetjes over Tadic, ‘die komt terug’, Lasse Schöne, ‘die kwam er nog in tegen NEC’ en Chucky, ‘op een groot spandoek in het uitvak van Willem II’.
We mochten door een van de ambulance-ingangen naar binnen en liepen zo het veld op. Het eerste wat me opviel was het gebrek aan geluid. En direct daarna de immense grootte van het stadion. In Pasveers goal aan de kant van de F-side was iets van twee vierkante meter gras uitgestoken en in een standje ernaast stonden 175 doosjes klaar. Maar zover waren we nog niet. Eerst gingen we op de knieën, in de goal, languit, sprongen op de penalty stip, zagen Boerrigter (2005 en 2011-2013, dit feitje wist buurjongen J trouwens niet) die ik niet herkende, J maakte een sliding en z’n witte broek groen en ik veel foto’s en filmpjes. Veel indruk maakten de krassen op de rechter doelpaal en ook ik tikte er met m’n schoenen tegen aan. Iemand sprak me aan met oma, maar we haalden wel de socials van de JCA en de Foundations.
Eenmaal thuis pootten we samen het grasmatje op de middenstip van ons postzegelachtertuingazon en instrueerden hond M om ’m niet geel te plassen.
M’n verdrietchagrijnongeloof over het vertrek van Farioli verminderde wat. Maar ik baalde toch dat m’n stukje in De Meersche Helden ’m dus ook niet overtuigd had te blijven – ti prego, resta all’Ajax per un altro anno. En toen dankzij DHL de vier gloednieuwe seizoensshirts witroodwit op de eettafel lagen te shinen – het hele gezin één – kon ook ik het seizoen eindelijk afsluiten.



