
Vanaf ons huis fietste ik twintig minuten de ene kant op. In de entree van het Concertgebouw begroette haar knalrode jas me van ver. Ik verheugde me al maanden op dit verjaardagscadeau dat ik van moeder A had gekregen: een pianoconcert van Maria João Pires. Tachtig was ze, een levende legende volgens moeder A. Niemand kon de toetsen zo mooi indrukken als zij, vond ik. ‘Wat heeft die pianiste toch een prachtig touché’, hoorde ik iemand in de wandelgangen rond de grote zaal zeggen. De mensen droegen colberts, jurken en hakken. Waren deftig, wit en vijftig plus. Er waren opvallend veel oude dames in hun eentje. Eentje klaagde over de tocht die vanuit de foyer de zaal inblies. Het mooist van Mozart waren de dialogen tussen de piano en de violen. Ook aan mijn applaus kwam geen einde. In de pauze stonden bladen vol waterjusenwitterodewijn te wachten. Ik nam er twee en bestelde bij een gastheer met een net zwart giletje een cappuccino voor moeder A. Dat deed ze zelf ook – ze was welgemanierd voorgedrongen – met drie speculaasjes erbij. We luisterden nog naar een vrolijke symfonie van Dvořák en toen hees ik moeder A in haar knalrode jas. Ze stapte in lijn 12 en ik op de fiets.
Vanaf ons huis fietste ik 20 minuten de andere kant op. Samen met de Ajax buurvrouw besprak ik alvast de uitslag, of het nou wel of geen goed idee van Farioli was om niet bij z’n bevallende vrouw te zijn en wat het huis van onze buren die gingen verhuizen zou opbrengen. In de rood-witte menigte rond het stadion – jonge mannen, oude mannen, met spijkerbroeken en witte gympen – hoorde ik mijn naam, het was F, een middelbare schoolvriend van de zoon die laatst nog bij ons had gegeten.
Met buikpijn en verwachting liep ik de trap van vak 408 op en pakte het vlaggetje van stoel 5, rij 4. Aan de overkant in de twee lege uitvakken hing een poster: Football without fans is nothing. Nadat de stadionspeaker de namen van onze dapp’re strijders had omgeroepen klonk het Slavenkoor van Verdi en begonnen de vlaggetjes te wapp’ren. Toen de mist van het vuurwerk was opgetrokken, bleek het spel niet om aan te zien. Mijn linkerbuurman hield niet op met klagen en schelden en ik probeerde blij te zijn met de goal van Traoré, iets positiefs te zien in de opbouw van Berghuis en de acties van Godts. De Italianen die stiekem in het vak zaten, konden zich niet inhouden en moesten worden verwijderd. Tegelijk met het eindsignaal stond ik op en kreeg toch kippenvel van ‘het kan dooien, het kan vriezen, we kunnen winnen of verliezen, maar een beet’re club dan deze is er niet.’
Ter ere van het 750-jarige bestaan van de stad, stond in het Parool de shortlist van het beste Amsterdamse lied ooit. Ik twijfelde over Amsterdams Parfum van Jenny Arean – Ook als de winterkou me bijt, en alle nachten donker zijn, dan walm je van geborgenheid – maar koos toch voor Hazes’ volkslied Bloed, zweet en tranen. ‘Ik heb het goed gedaan, maar ook zo fout gedaan.’



