Ingreepje

Vandaag zou het gaan gebeuren. Ik had er nogal luchtig over gedaan, over de ooglidcorrectie die mij te wachten stond, maar had toch slecht geslapen. Dat had ook te maken met man E die voor z’n werk in Canada was en terwijl ik sliep, een binnenlandse vlucht van Toronto naar Halifax maakte. Middenin de nacht emojiede hij me Canadese vlag-vliegtuig-Canadese vlag. Drie uur later gevolgd door ‘Veilig geland’.
De operatie zou plaatsvinden in Roden. ‘Roden?’, vroeg sportmaatje G mij na de les. ‘Daar komt de dichteres Vasalis vandaan.’ Vrijwel automatisch lepelde hij een paar mooie regels op van een gedicht over haar dementerende moeder, waaronder: Is het vandaag of gistren, vraagt mijn moeder.
Ik zocht de rest thuis op:
Is het vandaag of gistren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?

De chirurg zou mijn bloedeigen nicht E zijn. Chirurg was wat overdreven wellicht, huisarts gespecialiseerd in ooglidcorrecties van de bovenste oogleden stond er op haar website.
Ik herinner me dat ik vijftig jaar geleden bij haar ging logeren. Ze woonde met haar ouders en broer in een flat in Stadskanaal, ik was onder de indruk, want nog nooit in een flat geweest. Met ook nog een schommel op de galerij. Dat logeren was ook wat overdreven, want ’s avonds laat moesten mijn ouders me ophalen, omdat ik niet in de flat durfde slapen.
In de aanloop naar de correctie ontving ik per app vaak de emoji van twee verbaasde ogen. Vriendinnen bleken iemand te kennen die het ook had gedaan, hadden zelf plannen in die richting, hadden het al gedaan of vonden het helemaal niks. Ik vond het ook lastig, qua snijden in een gezond lichaam. Geen borstreconstructie hoeven, rondlopen met een dikke oedeemarm en dan wel een wat wakkerdere blik willen. Tja. Uitleggen kon ik het niet goed, het was meer een gevoel. En, ‘tegen emoties valt niet op te lullen’, aldus man E’s nieuwste oneliner. Wat mij nog bracht op de gedachte van een oogbesnijdenis. En toen was het nog maar één stap naar de Volkskrantcolumn van Sylvia Witteman afgelopen maandag, waarin ze de aannemer citeert die bij haar een wasbakje in de wc kwam aanleggen: ‘Onderkant zak is bovenkant bak.’
Ik dwaal af, zullen de zenuwen wel zijn.

Wedstrijdje

In de huur-Skoda op weg van Žabljak naar Perast zat ik een wedstrijdje te doen. Alleen. Man E deed niet mee. Van alle auto’s die we onderweg zagen, moest ik de plaats waar ze vandaan kwamen goed hebben. De Montenegrijnse kentekens begonnen met een afkorting van de plaats van herkomst: KO Kotor, PG Podgorica, BU Budva, HN Herceg Novi. Ik genoot van het wedstrijdje, ik had alles goed en alles wat ik niet wist telde niet, want die auto’s kwamen uit Bosnië en Herzegovina, Servië, Kroatië…
Het was best een lang tripje want haarspeldbochten en werk aan de weg, dus we zetten de playlist ‘Nederlands’ van man E aan. Daar schalde StAD al door de speakers: Hou roar je ook binnen, t is beter as gewoon.
En Jeroen van Merwijk, ook prachtig: Je komt er, het is niet anders, steeds meer achter in je leven, niets is voor altijd.
Maar toen stak het mes toe, Bram Vermeulen zong:
Het is een wedstrijd
Die je niet winnen kan
Het is een wedstrijd
Die niemand winnen kan
Papa, kijk dan
Papa, kijk dan naar mij

Maar papa keek niet naar mij, hij keek naar zijn zoon. 55 jaar en ik liep er voor de 555e keer tegenaan. Oh ja… dáár kwam dat competitieve vandaan. Winnen is belangrijker dan meedoen.
Ondertussen hadden we onze bestemming, de baai van Kotor, bereikt. Een kleine vijf jaar geleden was ik daar ook met diezelfde papa. We voeren toen van het grote schip met een tender naar de kade en vandaar met een klein bootje naar het beroemde eilandje met de kerk met de knalblauwe koepel in Perast. In de smorende hitte lunchten we op het mooiste zeeterras ooit. Na het eten rustte papa uit in de schaduw van de kerk en ik ging shoppen. Er was een boerin uit de bergen met zelfgebreide schapenwollen mutsen en handschoenen die ik niet kocht. Spijt.
De eerste avond zaten man E en ik op ons privé strandje in de baai, we dronken wijn uit de omgeving en aten net gevangen garnalen en dorade van de grill. Ik staarde de bocht om, daar waar de cruiseschepen aanmeerden. Daar zaten we, pap en ik, op het bovenste dek met een glas witte wijn en een baco. We proostten en hij keek naar mij.
‘s Nachts deed ik weer een wedstrijdje, deze keer was wondroos mijn tegenstander. Na een dikke 48 uur won ik, met behulp van mijn antibiotica vrienden. Oké, ik had valsgespeeld, maar het alternatief was geen optie.
Op dag drie reden we naar Perast. ‘BR Bar,’ zei man E, toen hij het kenteken van de geparkeerde auto naast ons zag. De boerin was er niet, het terras nog wel.

Kinkermoeder

Lang, lang geleden was er eens een vrouw die mijn moeder ‘Kinkermoeder’ noemde. Daarmee doelde ze op de relatie die moeder A en ik hebben. De Kinkerstraat in Amsterdam Oud-West was een echte arbeidersbuurt met een sterk buurtgevoel. De huizen waren klein, stonden dicht bij elkaar en de sociale controle was groot. De zonen traden in het voetspoor van hun vaders, de dochters deden hun moeders na. Kinkermoeders en -dochters dronken vaak samen koffie, gingen samen naar de Ten Katemarkt, hadden dezelfde kledingsmaak, hun huizen lagen vlak bij elkaar en natuurlijk paste de Kinkeroma op de Kinkerkleinkinderen. Tenminste, ik denk dat het er in die buurt zo aan toe ging.
In dat verre, verre verleden voelde ik mij aangesproken en vroeg ik mij af of ik wel zelf keuzes maakte of gemakshalve maar alles kopieerde van moeder A?
In therapie leerde ik veel bij en weinig af. Ik kwam erachter dat ik moeder A op een voetstuk had geplaatst. En dat het gezonder zou zijn als ik haar daarvan af zou halen. Met de nodige ruzies, verwijten en het bijbehorende verdriet lukte dat. Ik schopte de pilaar omver, zette haar met beide benen op de grond en hield haar tegen als ze er weer op wilde klimmen. We gingen graag samen uit eten, dronken nog liever een borrel, koesterden allebei weinig ambitie, hadden dezelfde slappe lach, kregen allebei kanker (en nee, die grap ga ik niet maken) en verheugden ons op het gezamenlijk zomerleven in Frankrijk.
Jaren en jaren bij de psycholoog om erachter te komen dat ik nooit Kinkerdochter ben genoemd en toch blij ben dat ik er één ben.

Steun

Ze vraagt me of we vandaag even kunnen bellen. Volgende week samen met de hond wandelen? Zijn we zondag thuis? Kan ik die nacht blijven slapen? En wie moet ze allemaal uitnodigen? Kerstcadeaus? Dat kan ze nauwelijks opbrengen. Ze heeft het zwaar. En ik ben haar toeverlaat.
Alles zou ik wel voor haar willen doen, zeg ik. Maar alles is wel wat veel. Een beetje te veel. Dat komt omdat ik dingen van vroeger en vandaag door elkaar haal. Voor de zoveelste keer komt het oude zeer naar boven. Gebrek aan aandacht, vechten om op de eerste plaats te komen, poten die onder stoelen vandaan gezaagd worden. Maar in het nu telt dat niet.
Ik gebruik man E, de zoon en de dochter als mijn verstand. Ze zeggen alle drie hetzelfde. En daar luister ik dan maar naar. Vertoon zelfs rationeel gedrag.
Maar als ik met hond M loop laat ik de boosheid toe, het onbegrip over de keuzes die gemaakt worden, de misplaatstheid van mijzelf in het geheel. Het laconieke gevoel, de opluchting en de hoop op makkelijkere tijden. Wat een slecht mens ben jij, straf ik mezelf.
Ik bel haar, en zeg dat ik alles wat ze heeft voorgesteld goed vind, dat ik overal in mee ga. Want het gaat nu even niet om mij. Dit is wel het laatste moment om te hameren op wat ik vind. Zegt het hoofd.
Tijdens de yin yoga klopt mijn hart. Traag. Trager. Traagst. Ik adem in en na een hele tijd weer uit. En in die pauze dringt het door. De open deur die alle geestelijke hulpverleners eindeloos herhalen. Dat je altijd een keuze hebt: blijven hangen in wat was of leven met wat is.

Standpunt

Voor de boekenclub lees ik Onder buren van Juli Zeh. De hoofdpersoon, een copywriter, is van Berlijn naar het platteland verhuisd en ziet in elke vliegende Vlaamse gaai de geest van haar overleden moeder. Dat past fijn in mijn straatje, maar er is ook het nodige aan te merken op het boek, zoals de mislukte Nederlandse vertaling van Über Menschen, de oorspronkelijke titel.
Met de verkiezingsuitslag nog vers in het geheugen is het onderwerp, de kloof en de brug tussen links intellectuelen en nazi’s, interessant. [Even tussendoor, ik krijg buikpijn van zo’n cliché zinnetje als ‘met de verkiezingsuitslag nog vers in het geheugen’ en toch corrigeer ik het niet en blijf ik wachten op wat er gaat gebeuren als ik het laat staan.]
Er staat een mooie verhandeling in het boek over het concept standpunt. De hoofdpersoon woont naast een nazi met wie ze soms samen eet, die haar helpt met het opknappen van haar nieuwe huis en op wiens kind ze past. Gewoon, wat buren doen. Ze vraagt zich af of ze wel of niet naast de nazi moet blijven wonen. Maar het lukt haar niet om hierover een standpunt in te nemen. ‘Zonder standpunt is er geen orde. Zonder standpunt blijft de wereld chaotisch en onbegrijpelijk, en dat doet meer pijn dan ze hebben kan. Dus doet ze wat alle verwarde zielen doen in richtingloze tijden: ze zoekt waarheid in informatie. (…) Maar is informatie hetzelfde als waarheid? (…) Je kunt informatie wenden en keren. De waarheid blijft hetzelfde. De waarheid is dat het helemaal niet uitmaakt of ze vertrekt of blijft. Omdat nazi’s niet ophouden te bestaan alleen maar omdat je niet meer naast ze woont.’
Standpunten zijn moeilijk vind ik. Vaak heb ik ze niet eens. Overal is wel wat voor te zeggen, tegen in te brengen. Mensen die hun standpunt zelfverzekerd verkondigen – waar ik jaloers op ben – hebben meer kans op confrontaties – waar ik bang voor ben.
Standpunt is een statisch woord, een stilstaand begrip: daar sta je dan met je punt. Nou gefeliciteerd. Doe mij maar een komma.