Lang, lang geleden was er eens een vrouw die mijn moeder ‘Kinkermoeder’ noemde. Daarmee doelde ze op de relatie die moeder A en ik hebben. De Kinkerstraat in Amsterdam Oud-West was een echte arbeidersbuurt met een sterk buurtgevoel. De huizen waren klein, stonden dicht bij elkaar en de sociale controle was groot. De zonen traden in het voetspoor van hun vaders, de dochters deden hun moeders na. Kinkermoeders en -dochters dronken vaak samen koffie, gingen samen naar de Ten Katemarkt, hadden dezelfde kledingsmaak, hun huizen lagen vlak bij elkaar en natuurlijk paste de Kinkeroma op de Kinkerkleinkinderen. Tenminste, ik denk dat het er in die buurt zo aan toe ging. In dat verre, verre verleden voelde ik mij aangesproken en vroeg ik mij af of ik wel zelf keuzes maakte of gemakshalve maar alles kopieerde van moeder A? In therapie leerde ik veel bij en weinig af. Ik kwam erachter dat ik moeder A op een voetstuk had geplaatst. En dat het gezonder zou zijn als ik haar daarvan af zou halen. Met de nodige ruzies, verwijten en het bijbehorende verdriet lukte dat. Ik schopte de pilaar omver, zette haar met beide benen op de grond en hield haar tegen als ze er weer op wilde klimmen. We gingen graag samen uit eten, dronken nog liever een borrel, koesterden allebei weinig ambitie, hadden dezelfde slappe lach, kregen allebei kanker (en nee, die grap ga ik niet maken) en verheugden ons op het gezamenlijk zomerleven in Frankrijk. Jaren en jaren bij de psycholoog om erachter te komen dat ik nooit Kinkerdochter ben genoemd en toch blij ben dat ik er één ben.
Ze vraagt me of we vandaag even kunnen bellen. Volgende week samen met de hond wandelen? Zijn we zondag thuis? Kan ik die nacht blijven slapen? En wie moet ze allemaal uitnodigen? Kerstcadeaus? Dat kan ze nauwelijks opbrengen. Ze heeft het zwaar. En ik ben haar toeverlaat. Alles zou ik wel voor haar willen doen, zeg ik. Maar alles is wel wat veel. Een beetje te veel. Dat komt omdat ik dingen van vroeger en vandaag door elkaar haal. Voor de zoveelste keer komt het oude zeer naar boven. Gebrek aan aandacht, vechten om op de eerste plaats te komen, poten die onder stoelen vandaan gezaagd worden. Maar in het nu telt dat niet. Ik gebruik man E, de zoon en de dochter als mijn verstand. Ze zeggen alle drie hetzelfde. En daar luister ik dan maar naar. Vertoon zelfs rationeel gedrag. Maar als ik met hond M loop laat ik de boosheid toe, het onbegrip over de keuzes die gemaakt worden, de misplaatstheid van mijzelf in het geheel. Het laconieke gevoel, de opluchting en de hoop op makkelijkere tijden. Wat een slecht mens ben jij, straf ik mezelf. Ik bel haar, en zeg dat ik alles wat ze heeft voorgesteld goed vind, dat ik overal in mee ga. Want het gaat nu even niet om mij. Dit is wel het laatste moment om te hameren op wat ik vind. Zegt het hoofd. Tijdens de yin yoga klopt mijn hart. Traag. Trager. Traagst. Ik adem in en na een hele tijd weer uit. En in die pauze dringt het door. De open deur die alle geestelijke hulpverleners eindeloos herhalen. Dat je altijd een keuze hebt: blijven hangen in wat was of leven met wat is.
Voor de boekenclub lees ik Onder buren van Juli Zeh. De hoofdpersoon, een copywriter, is van Berlijn naar het platteland verhuisd en ziet in elke vliegende Vlaamse gaai de geest van haar overleden moeder. Dat past fijn in mijn straatje, maar er is ook het nodige aan te merken op het boek, zoals de mislukte Nederlandse vertaling van Über Menschen, de oorspronkelijke titel. Met de verkiezingsuitslag nog vers in het geheugen is het onderwerp, de kloof en de brug tussen links intellectuelen en nazi’s, interessant. [Even tussendoor, ik krijg buikpijn van zo’n cliché zinnetje als ‘met de verkiezingsuitslag nog vers in het geheugen’ en toch corrigeer ik het niet en blijf ik wachten op wat er gaat gebeuren als ik het laat staan.] Er staat een mooie verhandeling in het boek over het concept standpunt. De hoofdpersoon woont naast een nazi met wie ze soms samen eet, die haar helpt met het opknappen van haar nieuwe huis en op wiens kind ze past. Gewoon, wat buren doen. Ze vraagt zich af of ze wel of niet naast de nazi moet blijven wonen. Maar het lukt haar niet om hierover een standpunt in te nemen. ‘Zonder standpunt is er geen orde. Zonder standpunt blijft de wereld chaotisch en onbegrijpelijk, en dat doet meer pijn dan ze hebben kan. Dus doet ze wat alle verwarde zielen doen in richtingloze tijden: ze zoekt waarheid in informatie. (…) Maar is informatie hetzelfde als waarheid? (…) Je kunt informatie wenden en keren. De waarheid blijft hetzelfde. De waarheid is dat het helemaal niet uitmaakt of ze vertrekt of blijft. Omdat nazi’s niet ophouden te bestaan alleen maar omdat je niet meer naast ze woont.’ Standpunten zijn moeilijk vind ik. Vaak heb ik ze niet eens. Overal is wel wat voor te zeggen, tegen in te brengen. Mensen die hun standpunt zelfverzekerd verkondigen – waar ik jaloers op ben – hebben meer kans op confrontaties – waar ik bang voor ben. Standpunt is een statisch woord, een stilstaand begrip: daar sta je dan met je punt. Nou gefeliciteerd. Doe mij maar een komma.
Mijn kop spatte uit elkaar. Een soort van tegelijkertijd hield ik mij bezig met vier ingewikkelde dingen. Die ik ook nog allemaal in dit stukje moest en zou proppen. Desnoods in kromme zinnen. Eerst was daar de discussie over waar het heen zou moeten met het land in de groepsapp van de eerste liefdes. Op de verkiezingsdag vlogen er maar liefst 126 apps waarvan één verwijderde, tussen Winschoten, Nieuw Scheemda, Amsterdam en Valencia, waarvan er twee bleven hangen. Het gedicht ‘Roeping’ van Gerard Reve dat met de kennis van nu de uitslag al goed voorspelde. Zuster Immaculata die al vier en dertig jaar verlamde oude mensen wast, in bed verschoont, en eten voert, zal nooit haar naam vermeld zien. Maar elke ongewassen aap die met een bord: dat hij vóór dit, of tegen dat is, het verkeer verspert, ziet ’s avonds reeds zijn smoel op de tee vee. Toch goed dat er een God is. En de foto van vriendin M: haar kleinkind in de wandelwagen met op de achtergrond de middelbare school waar we elkaars eerste liefdes werden. Het tweede wat me deed duizelen was een betoog van acteur en schrijver Ramsey Nasr over waardigheid. Iets wat de kern van ons mens-zijn is. En waar geen sprake was tijdens de slavernij, de Tweede Wereldoorlog en recenter nu in Gaza waar kinderen hun eigen naam op hun lichaam schrijven zodat ze als ze eenmaal zijn gedood geïdentificeerd kunnen worden. Op nummer drie, het verhaal van cabaretier en filosoof Tim Franssen over de rol die waarden spelen in de democratie. Hij vindt dat politiek met een op waarden gebaseerde visie de enige manier is waarop een democratie op termijn levensvatbaar blijft. Dan hebben, wederom met de kennis van nu, 2,5 miljoen mensen gestemd op conservatieve waarden als Joods-christelijke en humanistische wortels die de dominante en leidende cultuur moeten vormen, boeren die moeten blijven boeren en geen samenwerking binnen de EU, maar nationalisme. Is natuurlijk gemakkelijk, hier achter m’n bureau wat PVV-standpunten kopiëren. Ik heb een dak van een miljoen boven mijn hoofd, ben hoog opgeleid en kan kopen, vliegen, uitgaan wat ik wil. En heb dus tijd en verstand om na te denken over klimaat en racisme. Elitair, jazeker. De laatste hoofdbreker was de onopvouwbare kandidatenlijst waarvan ik alle namen afging, op zoek naar vogel- en andere dierenachternamen. Waarom? Omdat het mij, vanwege de combinatie van mijn eigen achternaam en die van de vrouw op wie ik heb gestemd – Haan Koekkoek – een goed idee leek voor zwevende kiezers om op iemand met een dierenachternaam te stemmen. Ongeacht de partij. Ik kwam uit op 31 achternamen met een dier erin. Veel vossen, een paar leeuwen, een schelvis en zeven vogels, waaronder de stoorvogel. Helaas geen echte vogel, maar een predikant van de vrije evangelisatie gemeente. De zondagavond is heilig voor hem en zijn vrouw lees ik in een interview. In de zin dat ze die avond vrij voor elkaar houden. Wat ze dan doen? ‘Dan kijken we een preek via YouTube, nemen we de dagen door die voor ons liggen en bidden we samen.’ Man E en ik plannen ook regelmatig zo’n dag, EI-dag heet het bij ons. ‘Dan kijken we een serie op Netflix, nemen we de dagen door die voor ons liggen en laten we samen de hond uit.’ Dit alles raasde door mijn hoofd en dat terwijl de verkiezingsuitslag nog moest komen. Maar dat gaf niet. Want toen ik bij schoonzus L op bezoek was, wist ik weer hoe het allemaal zat. Schoorvoetend vroeg ze me of ze mijn litteken mocht zien. Staand in mijn ontblote bovenlijf keek in haar ogen. Dat was waardevol en weerloos.
Man E had het allemaal weer eens goed op een rijtje. Ik haat dat rijtje, maar heb het te vaak ook hard nodig. In duidelijke, vriendelijke taal legde hij mij weer eens uit hoe de mens in het algemeen en het leven in het bijzonder in elkaar steken. Altijd is één plus één twee. Oorzaak hoort bij gevolg. Op gedrag volgt consequentie. Na actie komt reactie. Risico’s, afwegingen en scenario’s horen bij het leven. Nou oké, dat laatste dat begreep ik nog wel. ‘Je went overal aan’, zegt hij vaak. Of ‘het komt goed’. En de ergste: ‘Valt wel mee.’ Ja, als je net ontspannen uit de yin yoga-klas loopt of een fles wijn achter de kiezen hebt, dan valt het wel mee. Een beetje. Het is soms moeilijk elkaar hierin te vinden, terwijl ik mij tegelijkertijd geen betere man had kunnen wensen. Hij zet de boel in perspectief, probeert naar mijn chaos te luisteren, laat me los als ik zwelg in zelfmedelijden en laat in de kletterende regen hond M uit als ik geen zin heb. Hij haalt me waar vandaan ook op en brengt me waarheen dan ook toe. Is er altijd voor de kinderen en weet dan ook nog de goede dingen tegen ze te zeggen. En kan ook nog eens ontzettend goed koken. Jammer dat we daarom bijna nooit uit eten gaan, wil ik schrijven, maar ik zou deze negatieve gedachte niet eens moeten hebben. Ik weet niet zeker of ie me hoop kan geven als mijn gedachten vastzitten. Maar daar heb ik gelukkig Ajax weer voor. Sinds gisteren. En de groepsapp van de vier eerste liefdes (‘Leuk, die discussies over clubs in het rechterrijtje’), de uitspraken van augurkenkoning Oos Kesbeke (‘Als ik gemekker wil horen, koop ik wel een geit’), de fantasie die ik met de nestverlater had op een terras op de Plaza Mayor (er liepen twee mensen voorbij met een reusachtige golfplaat tussen hen in, lekkage? pannetjes? kippenhok?) en het ochtendritueel met de nestblijver (ik maak koffie en hij snijdt een homp cake af). En ik hoop natuurlijk dat man E dit weer een mooi stukje vindt.