Niet mijn probleem

In twee levens die niet de mijne, maar wel dichtbij zijn, is een toestand gaande. Het zijn niet mijn problemen, maar het raakt mij dat deze toestanden hen moeten overkomen. Als dingen mij raken wil ik dat graag delen met mensen waarvan ik hou. Aandacht zoeken, begrip, een warm bad of hoe je het ook wilt noemen. Vroeger vond ik dat bij oma Barbertje, later bij H en A, de liefste ouders van ex R en nu heb ik thuis een eigen badkuip waarin man E en twee kuikens rondzwemmen en mochten zij niet thuisgeven, dan is er altijd wel een vriendin.
Er zijn ook mensen die als dingen hen raken, dat verzwijgen of ontkennen. Prima, ieder haar eigen manier. Maar je kunt jouw manier van omgaan met dingen niet opdringen aan iemand anders. Als ik dingen wel wil vertellen en delen, kan iemand anders mij niet verbieden dat te doen. Tenzij, in vertrouwen verteld natuurlijk. En andersom kan ik ook niet zeggen dat ze niet goed bezig zijn als ze alles voor zichzelf willen houden, alhoewel ik dat natuurlijk wel vind.
Toch zijn er altijd mensen die hun mening keer op keer aan jou willen opdringen, hun problemen de jouwe willen maken. En waarvan ik keer op keer in de gordijnen én in de fik vlieg. En dat is natuurlijk wél mijn probleem. Waarom vlieg ik jaar na jaar, incident na incident in de fikkende gordijnen als mensen de consequenties van hun eigen gedrag op mij proberen te verhalen? Mijn gedrag willen controleren?
Je kunt toch gewoon je schouders ophalen, denken, ‘niet mijn probleem’ zoals man E mij elke keer weer voorhoudt. Hij kan het mooi zeggen. En dat doet ie ook. Dit weekend nog, had ie het over de paradox van het niet belasten. Als ouder wil je je kind niet belasten. Uit bescherming hou je iets voor ze achter en daarmee richt je dan juist schade aan. Want kind boos, hoezo heb je me dit niet eerder verteld? Aan de andere kant doe je als ouder dingen die je zelf onschuldig vindt, maar waarbij je je kind juist pijn doet. Je doet het dus nooit goed. Ik begrijp ineens niet meer waarom dit een paradox is, maar nogmaals, man E kan het mooi zeggen.
Door al dit gezeik is er geen ruimte meer om het over zeg, de kelderkraker te hebben, of naar welke restaurants de nestverlater en ik komend weekend zouden kunnen. Hoe mooi de mist de Amstel vanochtend maakte, hoe prachtig het romantische en onrechtvaardige verhaal over het Osage volk wordt verteld in Killers of the Flower Moon. Over jarige hond M die een lange duurloop cadeau kreeg en hond B moest en zou trakteren op een jamón Ibérico bot. Of over het innemen van een standpunt inzake het Israëlisch-Palestijns conflict. Nou voorruit, doe ik dat laatste op de valreep nog even en aap Sander Schimmelpenninck na: ‘Ergens je mond over houden, wanneer het niet over jou gaat, of je er geen verstand van hebt, is nog altijd een deugd.’ Kromme zin, rechte praat.

Fernweh

In de laatste aflevering van Oogappels zei een van de opa’s: ‘Het is een mooi woord, heimwee, maar een vreselijk gevoel.’ Dat vond man E mooi en ik had er last van.
Heimwee is een Duits leenwoord en betekent letterlijk het pijnlijke gemis van thuis of wat algemener dat je de geborgenheid en de zekerheid van het bekende mist. Op internet vond ik ook dat Duitsers een woord voor het tegenovergestelde van heimwee hebben: Fernweh, het verlangen naar onbekende situaties. Of een beetje anders uitgelegd, de tegenzin die je kunt hebben als je bijvoorbeeld van vakantie terug naar huis moet. Jammer dat wij zo’n woord niet hebben.
Betekenis, daar gaat het niet om, het gaat over gevoel en zachte zinnen. Die had de nestverlater over heimwee geschreven. Zinnen die gingen over weten dat je ergens niet hoort, en toch blijven gelovenhopendromen dat je vindt wat je zoekt. Vriend J uit de appgroep van de eerste liefdes stuurde het nummer ‘Ik kom weer thuis’ van Isabèl Usher. Best een mooie tekst over Eastpak rugzakken, de FEBO en Johan Cruijff, maar die accent grave op de e in haar naam vond ik eelsk. Eelsk. Te mooi om maar één keer in te typen. De Nederlandse betekenis van eelsk is aanstellerig (K. ter Laan in het Nieuw Groninger Woordenboek), helaas een woord met minder ziel. En een mening die in dit stukje niet thuishoort.
Heimwee, Fernweh, wat heb je eraan? Het is zinloos te verlangen naar mensen en dingen die er niet meer zijn, plekken waar je bent geweest of graag naartoe zou willen. Het gaat alleen om nu. Er is alleen maar nu. Dat zei niet alleen een oma in Oogappels, maar ook de yin-yoga juf (had ik ook graag met een y geschreven, maar wederom ook niet op z’n plek in dit stukje) en zelfs de augurkenkoning van Amsterdam.
Nu? Nu, me reet. Nu wil ik mijn vader bellen, de nestverlater een knuffel geven en een huis in Den Andel op Funda bekijken.

Omnis comparitio claudicat

Een dikke zes weken later lag ik er weer. Op de tafel bij het chakra vrouwtje. Ze zette indianenmuziek op, tenminste het klonk als mannen die geluiden uitstootten en tegelijk ritmisch met hun hand tegen hun mond klapten. Wreef een tijdje in haar handen en deed haar chakra ding. Er gebeurde van alles: ik kreeg het warm in mijn buik, er kwam hoofpijn opzetten en mijn handen en onderarmen begonnen los te raken van de tafel. Bij volle verstand dacht ik, straks zweef ik hier à la een act van Hans Klok echt een paar centimeter boven de tafel. Er gebeurde natuurlijk ook een heleboel niks en na afloop zei het chakra vrouwtje dat ik mijn arm moest loslaten. Alsof ik dat zelf niet wist?! Twee kuikens loslaten, een eend loslaten en ook nog lichaamsdelen loslaten? Ja, duh. Rustig aan. Graag. En ook graag stap voor stap.
Ik leg even uit waarom. Kijk, eerst zat ik alleen in het nest, toen kwam man E aanvliegen, er kwam een kuiken bij en na een dikke twee jaar nog één, twintig jaar later stapte er ook nog een eend in. En nu was mijn dikke linkerarm daar ook nog bijgekomen? Alleen maar, zoals alles in dat nest, om losgelaten te worden? Oh nee, zoals elke, gaat ook deze vergelijking mank.
Hoe dan ook, ik ben natuurlijk zelf het nest. Een nest zonder kuikens, maar met een dikke linkerarm. Nou zo’n nest bedank ik voor.
Het chakra vrouwtje zei ook dat ik nog heel veel liefde te geven had en dat is mooi. Maar ik bleef nog lang bij die arm in dat nest hangen, het glas is tenslotte halfleeg. En omdat het ook nog oktober is, de maand van mijn diagnose, de maand dat we afscheid namen van mijn broer, bleef ik extra lang bij die arm hangen. Om erachter te komen dat vasthouden heel logisch is. Hoe kun je je eigen arm ook loslaten?!
Nog een uitleg: het woekerweefsel en alles wat daar destijds bij hoorde kun je zien als een hele zware, zwarte taart. Eentje die ik alleen op moest eten. Dat heb ik gedaan. Maar de kers die erop zat, die was ik vergeten. Die zag ik pas een jaar of tien later. En toen lustte ik echt niet meer. En nog steeds wil ik ’m niet opeten. Omnis comparitio claudicat. Elke vergelijking gaat mank.
Zo wordt het toch nog een ongezellig stukje. Maar het is deze keer wel één geheel. In tegenstelling tot het vorige, waarin ik per se een quote over een hond en iets in het Latijn wilde frommelen. Een beetje los zand op het einde, daar zou ik wel mee wegkomen. Nou, mooi niet. Vanuit Spanje werd ik op het matje geroepen. De nestverlater legde feilloos haar vinger op mijn zere plek. Dat is wat ze doen, kuikens, of ze nu in of buiten het nest zitten.

Confrontatie

In de stiltecoupé tussen Amsterdam Zuid en Zwolle vrat ik mezelf op. Altijd ga ik expres in zo’n coupé zitten. Altijd praatbeltmuziekt er wel iemand en altijd ben ik degene die er wat van wilmoetzal zeggen. De grote vraag is waarom? Maar daar kom ik later misschien op.
Bij Duivendrecht begon er iemand te bellen. Ik keek op van mijn boek. Dacht: daar gaan we weer. Zal het lang duren? Zal ik wachten? De persoon aanspreken? Ik las geen letter meer tot pak en beet Weesp. Stak mijn nek uit om te kijken waar de beller precies zat, hoe ze eruitzag. Vroeg mij af waarom niemand anders er wat van zei. Keek rond of ik non-verbale tekenen van medepassagiers kreeg die zich ook ergerden. Die zag ik niet. Raakte daar steeds geïrriteerder over. Probeerde het los te laten tot Almere Poort en las zogenaamd verder. Lukte niet, maar dat had zeker ook te maken met de abominabele schrijfstijl van best-selling, award-winning (!?) Julie Otsuka.
Ik hield het niet meer. Ging staan. De beller zat drie banken verderop. Vanaf mijn plek bij het raam was ik het gangpad nog niet ingestapt of ze keek me aan en zei: ‘Ja, ik weet het’ en bewoog haar niet bellende arm zachtjes op en neer. Ten teken dat ik wel weer kon gaan zitten. Wonder boven wonder reageerde ik ad rem. Alhoewel, zo wonderlijk was dat ook weer niet. De vrouw was ongeveer mijn leeftijd, ongeveer mijn soort. In een fractie van een seconde schatte ik in dat ik haar wel kon hebben. Dat mag een lelijke gedachte zijn, maar daar schaam ik me niet voor. Als ik geïmponeerd zou zijn, wat vaak voorkomt (hoe dichter bij de Randstad hoe vaker) dan zou ik het niet aan laten komen op een confrontatie. Waarbij we op het onderwerp van confrontaties aangaan komen. En hoe bang ik daarvoor ben. En dat die angst het antwoord is op de vraag eerder gesteld. En dat ik het daar voor nu maar even bij laat.
Ik ging mooi niet zitten, liep zelfs verder het gangpad in. Voelde me net zo badass als een van mijn favoriete karakters uit Better Call Saul, Nacho – ‘There is a guy. He has to go away’ – Varga en zei: ‘Wilt u dan stoppen, als u het weet?’
Ik voelde me goed, een winnaar. Totdat, bij de eerstvolgende stop in Almere Centrum, de coupé overspoeld werd met kakelende tienermeisjes.

Op

‘Nooit gedacht dat jij in dit huis de stabielste zou zijn’, zei de nestblijver. Maar zo vast voelde ik me niet, ik was alleen maar aan het wachten. Wachten op het moment dat man E het telefoongesprek met zijn zus zou beëindigen. Wachten tot ik zeker wist dat eend J alle vluchten, shuttles en koffers had gehaald. Tot het pakket met de juiste oplaadkabel bij de nestverlater was bezorgd.
Wachten tot hond M klaar was met poepen zodat ik het op kon ruimen. Wachten op het groene licht. En op de koerier die Thai kwam brengen. Wachten tot de nestverlater iets leuks op Insta zou posten. De nestblijver weer z’n normale ritme ging oppakken en het gedoe op de uni achter de rug zou zijn. Tot hond M weer rustig zou worden. En man E zichzelf.
Wachten tot ik het op zou kunnen brengen niet alle zinnen met wachten of tot te beginnen. Wachten tot ik weer zou bedenken dat in het nu leven toch het beste is. Wachten tot het vrijdag was. Wachten tot de koffie klaar was. En ik met m’n sokken in het plasje water naast de afwasmachine zou stappen. Wachten tot het zou stoppen met regenen. Tot ik de tijd zou nemen naar een uitzending van NPO Start te kijken en mijn campingvrienden B en F te appen. Ik wachtte zelfs tot ik bij de allerlaatste aflevering van het allerlaatste seizoen van Better Call Saul zou zijn aanbeland.
Eén uur wachtte ik niet. Tijdens de yin-yoga, toen ging het niet. Focus, naar binnen gekeerd en alles vergeten, kwijt en weg.
Wachten op een bevestigingsmail van de Spaanse Avanza-bus over mijn reis. Wachten op het moment dat ik een van de twee boeken voor de boekenclub zou gaan lezen. Of eerst nog zou gaan lenen. Wachten op een doelpunt van Ajax. Wachten tot ik weer zou bijpraten met vriendin O. Op de supermarktmedewerker die mijn gescande boodschappen zou komen checken. Wachten in de wachtrij van de servicedesk van de bank om de reisverzekering uit te breiden. Wachten op reacties van lezers van dit stukje die zouden zeggen dat ze echt zat van dat gewacht waren. Wachten op kerst. Op de klok voor- nee achteruit. Wachten tot ik weer kon sporten. Drinken. Wachten, wachten, wachten. Tot het zover was. Tot ik had bedacht waarom dit plaatje en deze laatste regels bij dit stukje pasten.
‘Jij hebt grijs haar, wil je dat?’
‘Ik ben niet gespierd genoeg.’
‘En ik lijk op een meisje en ik wil een groen pakje.’
‘Veliz Navidad.’
‘Ik lijk niet op haar.’
‘Feliz.’
‘No importa si.’