CQ 2020, dag 8 gaat over worsteling

Het was een slechte dag. Ik worstelde met het uitstelgedrag van puberdochter. Moest ik haar juist helpen met het knutselen van een last minute verjaardagscadeau, het uitlezen van ‘Der Richter und sein Henker’ en het nakijken van een literatuurverslag voor Nederlands of gewoon laten stikken omdat ze het zelf allemaal zo ver had laten komen?
Ik was boos op puberzoon omdat hij, terwijl ik nota bene een appeltaart had gebakken, vond dat ik te dicht op zijn huid zat. ‘Hoe laat ben je thuis, wat heb je gedaan, wie waren er allemaal, hoe is het met je huiswerk, heb je je profielwerkstuk al af…’ Nog kwader was ik op man E die riep toen ik de koelkast nog niet eens opengemaakt had: ‘De slagroom is voor in de pasta!’ Terwijl, dat had hij al eerder gezegd en ik had al nieuwe gekocht tijdens mijn twijfelachtige bezoek aan de supermarkt.
Een van de lezers had commentaar op het quarantaine gedrag van ons gezin. Daar was ik eigenlijk nog het meest chagrijnig van. Wat dat met me deed en nog doet. Het liefst zou ik me willen verdedigen, het uitleggen en bewijzen dat we het best goed doen, terwijl en dat is het grootste geworstel, dat is het enige wat ik juist niet moet doen. Het is ongelooflijk moeilijk om nu niet even expliciet op te schrijven wat mijn bedoeling met deze stukjes is. ‘Alsof dat ook zou helpen’, voegde man E daaraan toe. Mijn boosheid over de slagroom zakte een beetje in.
Die corona en dat thuisblijven, het kwam me de keel uit. Geen uitzicht op wat dan ook, geen vakanties, geen theaters, geen restaurant, geen geklets met vriendinnen. Ik ben nu alweer bang voor een reactie in de trant van: ‘Nou, wees blij dat je niet op de IC ligt’.
Wel bladeren die van de bomen vallen. Wel de meest waardeloze week van het jaar, met broer B die 20 jaar geleden is overleden en mijn eigen kutziekte die ik 11 jaar geleden kreeg. ‘Nou, wees blij dat je het overleefd hebt.’
Ik dronk een fles wijn leeg en nam een te groot stuk appeltaart. Met slagroom. Nog zeven dagen en de thuisquarantaine kon geruisloos overgaan in de lockdown.

CQ 2020, dag 7 gaat over sores

Inmiddels zitten we een week in CQ. Niemand heeft ook maar ergens last van. Vriend S appte foto’s van jaren geleden. Ik was vergeten dat ik er rond 1984 alles aan deed om net zo’n kuif als Roberto Jacketti van the Scooters van m’n haar te touperen. Vriendin I kwam langs met een enorm boeket bloemen, om te vieren dat we al op de helft van de QC zijn. Terwijl we praatten stond ik in de deuropening en zij op gepaste afstand op de stoep achter de geparkeerde fietsen. Precies op dezelfde manier waarop haar dochter en die van mij vorige week stonden. Met deze vormen van contact voelde ik me, zoals moeder A en ik altijd spottend zeggen, gezegend. Gezegend, dankbaar, ik weet niet waarom die woorden zo jeuken. Misschien dat het de resten van ons gereformeerde verleden zijn.
Man E en ik gingen hond M uitlaten op een nieuwe plek, het Diemerbos. Dat ligt geperst tussen de A1 en de A9, maar daar merk je verder weinig van. Nieuwe losloopgebieden leveren stress op. Hond M weet niet waar ze het moet zoeken, vanwege de nieuwe luchtjes en man E en ik zijn gespannen omdat we niet weten welke kant het allemaal op gaat.
Puberzoon vertrok voor een logeerpartij met een klein groepje bij een vriend wiens ouders niet thuis waren. Puberdochter klierde dat hij een pyjama feestje had. Ik maakte mij zorgen om MDMA, LSD en drank, maar hij kwam de volgende dag fris en fruitig thuis en toog direct aan zijn huiswerk. Voor die logeerpartij begon trouwens, was hij met diezelfde vrienden naar een boomgaard geweest. Ik snap zelf ook niet helemaal hoe ik in mijn hoofd dan toch de verbinding appels plukken-drugs maakte. Maar als moeder weet je het nooit. Hij was blij dat ik een appeltaart ging bakken. Daarvoor moest ik wel naar de supermarkt en kwam ik onderweg twee bekenden tegen die me vroegen of ik al wel naar buiten mocht. Gelukkig droeg ik mijn mondkapje als baard. Ik had echt zin om appeltaart te maken, het leek me een QC-bezigheid bij uitstek. Bovendien heb ik een heerlijk recept van moeder A, waarvoor ik haar erg dankbaar ben. En ik wilde graag een stuk invriezen en dat volgende week meenemen naar nieuwe grote broer R. Toen mijn vader er nog was, aten ze vaak appeltaart met slagroom op een terras. Als we zijn tachtigste geboortedag dan toch moeten doorkomen, dan maar beter ook met fijne herinneringen.
Puberdochter had met vrienden afgesproken, ze gingen voor een school een cel maken. Als buitenkant van die cel zou een grote doos fungeren. Het was voor een bio-project denk ik, maar het kan natuurlijk ook scheikunde of natuurkunde geweest zijn. Met een verhuisdoos onder haar arm fietste ze weg.
Man E liet me een duizelingwekkende hoeveelheid hypotheekafloscijfers zien, vervolgens keek ik vier afleveringen ‘Emily in Paris’ achter elkaar, dat raad ik niemand aan.
Woord van de dag: yolo. Omdat WF zulke bespottelijke woorden goedkeurt, ga ik er binnenkort mee stoppen. Alhoewel, ik heb net € 5,49 voor de reclameloze versie betaald.

CQ 2020, dag 6 gaat nergens over

De koning vloog naar Griekenland. Ik neem aan, dat hij alleen met zijn gezin en wat personeel in het grote regeringsvliegtuig zat. Het gigantische huis dat hij daar heeft ligt afgelegen en het vasteland van Griekenland waarop het huis staat heeft code geel. Ik neem ook aan dat hij een afweging heeft gemaakt. Met zijn vrouw, zijn kinderen. Net als ik doe. Wij moeten nog een dag of 8 in thuisquarantine blijven nu en toch laat ik de hond uit en ga hardlopen. Man E is zelfs bij de drogist geweest. Wat is het verschil? Tja, de beeldvorming. Maar of nu de hele natie zich een beeld over je vormt, of de 50 lezers van deze stukjes…

Nicht E appte over het overlijden van haar schoonvader, oom A appte over verdriet en ruiende kippen. Een kip in de rui, een mens in de rouw.
Gisteren was de ondertekening van de nalatenschap van mijn vader. Hij heeft het nodige nagelaten. Ik weet nu even niet of ik hier verder op in moet gaan.
Ik dronk een halve fles rosé, at tenminste 5 toastjes met gorgonzola en toen dat niet hielp nog 8 speculaasjes. Als tegenwicht liep ik 11 km door het polderlandschap tussen de Amstel en de A2.
Aan het einde van de dag, man E verdiept in Excel sheets bomvol hypotheekcijfers, las ik nog wat in ‘Dan neem je toch een nieuwe’ waarin Antoinnette Scheulderman mensen interviewt over het verlies van hun hond. Schrijfster Annejet van der Zijl had het over vervangliefde. ‘Het voordeel van een dier is juist dat je een nieuwe kunt nemen. Ook al poets je daar het gemis van de oude overleden hond niet mee weg.’ Toen las ik een column van Eva Hoeke, ‘Ik kende het jaar dat voor ons lag, het zou gaan zoals alle eerdere keren, we zouden nog tien keer stilstaan en honderd keer huilen en alle eerste keren zonder zouden we markeren, en ik wist ook dat het allengs beter zou gaan, lichter zou worden, omdat je huilt om wat in wezen liefde was (…).
Niet alleen het schrijven van dit stukje, veel meer voelde zinloos.
Woord van de dag: geen. Het was een dag van niks.

CQ 2020, dag 5 gaat over ethiek

Hond M, man E en ik togen naar het strand. Terwijl hond M achter de golven en de vogels aan holde, knerpten wij over de scheermessen. En hadden het over hypotheek-aflosplannen en gelukkig ook over de rode wijn die we vanavond zouden opentrekken. In de auto terug naar huis, zag ik om de paar minuten vliegtuigen landden op de Polderbaan. Op de A9 was het druk, maar ja, wij reden er zelf ook.
Eenmaal thuis dacht ik een tijdje na over ethische kwesties. Dat kwam ook door een interview met filosoof en voormalig arts Marli Huijer dat ik in de krant las. Zij stelt dat het hele leven van de generatie tussen de 15 en 25 nu wordt platgelegd. Geen aanrakingen, geen bewegingsvrijheid, voor een virus waarvan zij zelf niet ziek worden. Ja, natuurlijk moeten de mensen die er wel ziek van worden beschermd worden, maar misschien duurt deze situatie nog jaren. De juiste vraag is volgens haar dan ‘Wat vinden wij met elkaar wat een goed leven is?’ Ik kwam er niet uit.
Voor de verandering lazen puberdochter en ik samen in Der Richter und sein Henker van Friedrich Dürrenmatt. Helemaal vergeten dat Duits een pracht van een taal is: ‘Ein verbummelter Student wankte vorbei, nach Bier stinkend.’ Tja, dat kon toen allemaal nog.
Bij ons bleef iedereen ’s avonds thuis. Ik kreeg een huilbui gecombineerd met een aanval van melancholie en vond troost bij een van mijn Groningse wortels die appte ‘De man was een baken.’ En werd opgebeurd door Gerbrand Bakker, wiens boek ‘Jasper en zijn knecht’ ik lees: ‘Waarom schrijf ik over mijn hond, terwijl ik op wil schrijven dat ik Tommy Wieringa zo’n hork vind? (…) Waarom schrijf ik niet op dat de Citalopram die ik slik een nogal onverwacht, maar plezierig bijeffect heeft: het geneest kalknagels.’ Ik moest lachen, maar heb er nog niks van gemerkt.
Drie mooiste woorden vandaag: nertsje, met dank aan ex R, herdane van mijzelf en fröstelte (huiverde), duidelijk niet van mij.
Oh ja, puberdochter is helemaal beter, maar wij moeten nog thuisblijven. Omdat, aldus het RIVM, wij nog 10 dagen na het laatste risicocontact ziek kunnen worden. 

CQ 2020, dag 4 gaat over dat zien we wel

Elke week loop ik met hond M een rondje door de Watergraafsmeer van Amsterdam. Zo ook vandaag. We passeerden Café De Omval, een icoon in onze buurt die eind van de maand moet wijken voor oprukkende wolkenkrabbers en natuurparken van nog geen 100m2 groot. Met een van de vaste bezoekers, een oudere man met een sigaar, maak ik vaak een praatje. Hij zat buiten op een bankje te wachten tot het café openging.
‘Nou’, zei ik, ‘na vandaag gaat de horeca dicht, dus dit is de laatste dag dat je hier je koffie drinkt en de krant leest, hoe moet dat nu?’ (Ik ben geneigd te vermelden dat ik tijdens dit sociale interactietje minstens vijf meter afstand hield en dat het gisteren is, terwijl je dit nu leest.) Ik wachtte op een dramatisch antwoord, daar had ik eigenlijk ook erge zin in, maar de sigarenman zei alleen maar: ‘Dat zien we wel.’
Ik dacht over deze zin na. Dat zien we wel. Zo’n zin kan alleen maar uitgesproken worden door oudere mensen die alles al gezien hebben. Of genoeg althans.
Thuis was er wel drama. Over geen hockeycompetitie, geen voetbalcompetitie, geen zaalhockey in de winter, geen jeu de boules. Ik maakte me ondertussen druk over de steen van mijn vader. Hij zou eind oktober 80 zijn geworden. (Dit is zo’n zin die je op je eindexamen Nederlands krijgt, met ingewikkelde vragen over tijden en ontleden, waarvan je hoopt en je niet voor kunt stellen dat je het zelf ooit eens echt zult opschrijven en dat het dan ook nog de realiteit is.) Met het natuursteenbedrijf was afgesproken dat ze er alles aan zouden doen de steen voor zijn geboortedag geplaatst te hebben.
Maar, en daar ging ik weer met interpretatie en regels, zou dit dan een noodzakelijke reis zijn? Ging ik echt vijf uur in de auto heen en weer om een paar minuten op een druilerig kerkhof zonder wc en wijn naar een steen te gaan staan kijken?
Ik keek Volle Zalen terug, waarin Cornald Maas praat met ‘iconen van de Nederlandse podiumkunst’. Danny Vera was deze aflevering het icoon, hij zong over ‘I will find my way back home, where magnolia grows, where magnolia grows’. Ja, dacht ik, ja, die steen wordt mijn enige uitje van de hele maand.
Gelukkig is puberdochter klachtenvrij en mag ze vanaf vrijdag het huis weer uit. De logeerpartij is al gepland. Ik keek Notting Hill met haar. Van vriendin M kreeg ik nog meer fijne lekker- quarantainefilms-kijken-met-je-dochter tips: You’ve got mail, Sleepless in Seattle… Toen ik vannacht om half drie naar de wc moest, was puberzoon nog niet thuis. Ook de moeite van het vermelden nog waard: de joggingbroeken van man E en mij worden steeds ranziger. Mooiste WF woord van de dag: cruere. Alleen de E was maar van mij.