
Logerend in het huis waar mijn vader nooit had gewoond, viel mijn oog op een bedankkaartje. Dank waarvoor, dat doet er even niet toe, het ging mij om de afzender. Dat was een vrouw met een dubbele achternaam. Ik heb nooit begrepen waarom je, als je gaat trouwen, de naam van je aanstaande man voor die van jezelf zou zetten. Ik vind, je heet nu eenmaal zus en zo en dat zegt veel over wie je bent. Waarom zou je dat veranderen? Overigens, gedachtes over waarom de vrouw wel de naam van de man zou nemen en andersom niet, zijn sowieso doodlopend. En trouwens hoe doen mensen van hetzelfde geslacht die trouwen dat?
Diep van binnen voelde ik een identiteitsdingetje opkomen. Dat zou ik kunnen gaan onderzoeken, overdenken en wat dies meer zij (hier neemt man E het toetsenbord even over). Maar dat stelde ik lekker uit tot later die dag wanneer ik mijn tweede afspraak met het chakra-vrouwtje zou hebben gehad.
Toen man E en ik ons eerste kuiken zouden krijgen, kwam het concept achternaam natuurlijk ook op tafel. Wat zou het worden? Er waren argumenten voor en tegen mijn en mans E achternaam te over. De namen zouden uitsterven, de namen waren niet mooi, zijn naam was handiger omdat nou eenmaal bijna iedereen de naam van de vader kiest, zijn naam zou een bewijs zijn van dat hij de vader was – nou je moet eens kijken op wie ze lijken. Mijn naam zou logischer zijn, het kind kwam immers letterlijk uit mij…
Wij kwamen er niet uit en omdat man E een groter hart heeft dan ik, schonk hij mij de achternaam. En dat is maar goed ook, want die past ook een stuk beter bij kuikens en nesten. Beetje flauw dit. Enfin, ik blij en als bedankje kreeg het eerste kuiken dezelfde initiaal als man E en beloofde ik dat we nooit zouden trouwen, want dat vond hij een gedoe. Ook hier bleek mijn hart weer kleiner dan dat van hem, of beter geniepiger, we trouwden toch en tot op de dag van vandaag moet ik in nieuw gezelschap luisteren naar zijn gekleurde relaas over hoe dat jaren geleden in Las Vegas in zijn werk was gegaan. Kinderen gemanipuleerd met buitensporige bruidstaartproeverijen en limo’s op de Strip. En nee, limo is hier geen afko voor limonade.
Te ver afgedwaald. Het bedankkaartje, de dubbele achternaam. En wat mij fascineerde. De meisjesnaam van de vrouw was en ik verzin dit: Pot. De man met wie ze ooit was getrouwd heette ook Pot. Ze waren van de oude stempel ging ik van uit, zij nam dus zijn achternaam aan, zette ’m voor of achter haar meisjesnaam en heette vanaf het ja-woord Pot-Pot.
‘Als je al Pot heet, waarom zou je dan nog een keer Pot gaan heten?’ schreeuwde ik naar de bedankkaart en dat zei natuurlijk weer meer over mij dan over mevrouw Pot-Pot.
Op dit punt aangekomen had ik graag een bruggetje willen maken naar een van de mooiste zinnen uit ‘Uit het leven van een hond’ wat ik aan het lezen ben, maar ik krijg de connectie niet voor elkaar. Dan maar zonder. Hoofdpersoon Henk kijkt in de ogen van zijn hond Schurk en ziet: ‘(…) de gebruikelijke weemoed, dat hondenverdriet, een onpeilbaar inzicht in de werkelijke stand van zaken (alles gaat voorbij) dat uiteindelijk de bron is van het wezenskenmerk van canis lupus familiaris: de tomeloze levenslust.’


