
Ook de volgende dag konden we de rat goed zien, sterker nog, we reden er dwars overheen naar het meest westelijke puntje van West-Europa. Daar kwam natuurlijk weer de nodige discussie over, want IJsland, Canarische eilanden en ga zo maar door. We klommen een bergrug op en liepen over de kam. Rechts een vallei met schapen, rododendrons en meren, links diep-dieper-diepst onder ons de oceaan. De aangeschafte nieuwe wandelbroeken zaten nog steeds heerlijk, de schoenen ook. Het was een en al genieten. Toen was het tijd voor wat perspectief. Voorzichtig ging ik op mijn buik liggen, hoofd een stukje over de rand en keek dik vierhonderd meter (echt waar, opgezocht) de afgrond in. Ver, echt heel ver onder me vloog een meeuw. En nog dieper zag ik zeewater tegen de rotsen klotsen. Het gaf een hele andere kijk op de dingen. Op de tiener, de twintiger, op man E en op mezelf. In mijn hoofd ging het er filosofisch en spiritueel aan toe. Wie was ik nou helemaal? Met m’n meningen, m’n gelijkhebberij, m’n wil om te winnen, m’n aannames?
De afwezigheid van man E haalde me uit m’n gepeins. Hij was van het pad af verder gelopen, een soort van recht naar beneden de vallei met de schapen in, recht op een ruïne af. Ook hij voelde zich klein, nietig en vrij en ik voelde de hoop voor een huis samen in Groningen opkomen. En zo zweefde het net verkregen nieuwe perspectief alweer weg.
We deden nog een allerlaatste toeristisch rondje over het eiland wat geen eiland was en kwamen bij een uitzichtpunt met de onuitspreekbare naam: Cuan na hAisléime. Man E appte een Ierse collega en die spraakberichtte terug: ‘Koe-in nahash lahimme.’
Het was tijd om mijn badpak weer eens aan te trekken en daarna voor het eerst onze nette kleding. We aten uit: oesters, zalm en lam, het kon niet op.



