Ha broer,
‘Weet je hè, ik heb het er met veel mensen over, mensen die je nog kent zoals man E en nicht M. En met mensen die er niet meer zijn, zoals oma Barbertje. Ook met mensen die nieuw voor jou zijn, puberzoon, puberdochter, vriendin I… Hele apps schrijf ik vol, uren praat ik erover, ben zelfs bij een haptonoom die me aanraakt om dichter bij mijn gevoel te komen. Zeg dat wel, brrrr. Maar ik ben helemaal vergeten het jou te vertellen, terwijl wij toch hetzelfde zijn.
Nou ja, dat van mama had je vast wel verwacht, je weet toch nog wel dat ze vaker ziek was? Nu dus voor de zoveelste keer, ja sorry hoor, bij haar komt er geen einde aan, ik word er moe van. Moet je daarom lachen? Nou vooruit, het gaat eigenlijk best goed met haar, mensen zeggen dan altijd gezien de omstandigheden, maar dat vind ik een kutuitspraak. Kut ja. Mag niet. Ze leeft bij de dag en doet heel veel leuke dingen met haar vriendin. Ja, nog steeds dezelfde, die ken je nog.
En pap is dus nu ook ziek, toch van het roken helaas. Hij wordt niet meer beter. Eerst was hij daar erg van in de war, maar dat kwam ook omdat de ziekte in zijn hoofd zit. Gelukkig krijgt hij daar nu medicijnen voor en is hij weer zichzelf. Daar ben ik heel blij mee en zijn vriend trouwens ook. Precies die ja, papa is nog altijd samen met hem. Om pap maak ik me zorgen, ik weet niet hoe lang het allemaal nog duurt. Nog een tijdje en dan zijn jullie weer hetzelfde. Dat vind ik een fijn idee. Jij ook hè? Ik zie het aan je.
Categorie: Brieven aan mijn broer
Stukjes over dingen die ik mijn broer alsnog wil vertellen.
Jarig
Ha broer,
Vandaag zou je jarig zijn geweest. 48 Kaarsjes op een heule grote slagroomtaart. E en ik, misschien hadden we je opgehaald en had je je verjaardag bij ons thuis gevierd. In de grote stad, in ons huis waar je nooit geweest bent, maar altijd zult wonen. Puberzoon en puberdochter hadden voor je gerend en gedraafd met chips en cola, dat weet ik zeker. Want ook al hebben ze je niet gekend, ze weten als geen ander wie je was. Ze lachen met ons als we telkens weer dezelfde anekdotes over je vertellen. Dat je nooit naar bed wilde, ‘Gister al gedaan’. Of dat je steevast eerst cola en dan cassis wilde drinken en als we je dan vroegen: ‘Hoe noemen wij dit gedrag?’ dat je dan grijnzend zei: ‘Dwangmatig!’
Ja, die grijnslach, die mis ik nog het meest. En het ongecompliceerde in het nu zijn. Ik zou er een standbeeld voor willen oprichten, voor mensen die anders zijn en hoeveel je daarvan kunt leren. Ik zou willen dat ik daar veel vaker bij stilstond, maar de dagen overspoelen mij met pubergesodemieter en relatiesores.
Kijk je daar nu zitten broer, onder de slingers, naast de ballonnen. Je hebt een stoer spijkerjack aan, bent geschoren en hebt voor de feestelijke gelegenheid lekkerroek op gedaan. Samen met je neef en nicht blaas je de 48 kaarsjes uit. Papa geeft je je zoveelste puzzel cadeau en mama heeft een nieuwe pet voor je gekocht. Als een kind zo blij pak je je cadeaus uit, neemt af en toe een slok cola en propt je mond vol taart. Ik ga even heel dicht naast je zitten, veeg wat slagroom van je kin en vraag om een knuffel. Vooruit dan maar, zeggen je ogen. Heel even sla je je armen om me heen en ik voel dat het zo moet zijn. Als ik weer eens opgesloten zit in mijn eigen hoofd, in mijn eigen leven, zal ik met een grijns op m’n gezicht aan je denken.
Dikke smok, broer!